Handelingen 10:44-48
Hier hebben wij den uitslag van Petrus' rede voor Cornelius en zijne vrienden. Hij heeft niet te vergeefs aan hen gearbeid, zij werden allen tot Christus gebracht. Wij zien hier:
I. Hoe God het woord van Petrus bevestigde door aan de hoorders er van den Heiligen Geest te schenken, en dat wel onmiddellijk, vers 44.
Als Petrus deze woorden nog sprak, en wellicht bedoeld had nog meer te zeggen, werd hij op gelukkige wijze in zijne rede onderbroken door duidelijke tekenen dat de Heilige Geest, zelfs met Zijne wonderbare gaven en krachten, viel op allen, die het woord hoorden, zoals bij het begin op de apostelen, gelijk Petrus zegt, Hoofdstuk 11:15. Daarom denken sommigen, dat het was met een geluid als van een geweldigen gedreven wind, en met verdeelde tongen als van vuur, evenals het toen geweest is. Merk op:
1. Wanneer de Heilige Geest op hen viel, het was terwijl Petrus predikte. Aldus heeft God getuigd voor hetgeen hij zei, en er Goddelijke kracht aan bijgezet. Aldus zijn de merktekenen van een apostel onder hen betoond, 2 Corinthiërs 12:12. Hoewel Petrus den Heiligen Geest niet geven kon, is toch de Heilige Geest met het woord van Petrus gegeven, waaruit blijkt, dat hij van God was gezonden. Op anderen is de Heilige Geest gevallen nadat zij gedoopt waren ter hunner bevestiging, maar op deze Heidenen viel Hij voor dat zij gedoopt waren, zoals Abraham gerechtvaardigd werd door het geloof, toen hij nog in de voorhuid was, om te tonen, dat God aan gene methode is gebonden, en zich tot gene uitwendige tekenen beperkt. De Heilige Geest viel op hen, die noch besneden, noch gedoopt waren, want de Geest is het, die levend maakt, het vlees is niet nut.
2. Hoe het bleek, dat de Heilige Geest op hen was gevallen, vers 46. Zij hoorden hen spreken met vreemde talen, die zij nooit geleerd hadden, wellicht was het Hebreeuws, de heilige taal. Gelijk de predikers bekwaam werden gemaakt om de volkstalen te spreken, opdat zij de leer van Christus aan hun hoorders bekend zouden maken, zo is waarschijnlijk aan de hoorders onmiddellijk de heilige taal geleerd, opdat zij de bewijzen konden onderzoeken, die de predikers uit het Oude Testament in het oorspronkelijke aanvoerden. Of wel, de gave, die hun was verleend, om met vreemde talen te spreken, was ene aanduiding, dat zij allen bestemd waren om leraren te zijn, en dat zij door deze eerste nederdaling van den Geest op hen bevoegd en bekwaam gemaakt werden, om het Evangelie te prediken aan anderen, dat zij zo even zelven hadden ontvangen. Let er echter op, dat zij, toen zij met vreemde talen spraken, God hebben groot gemaakt, zij spraken van Christus en de weldaden der verlossing, waarover Petrus tot eer en heerlijkheid Gods had gepredikt. Dat hebben ook zij gedaan, op wie de Heilige Geest het eerst was nedergedaald, Hoofdstuk 2:11. Met elke gave, die ons geschonken is, behoren wij God te eren, inzonderheid met de gave der spraak.
3. Welken indruk dit teweeggebracht heeft op de gelovige Joden, die tegenwoordig waren, vers 45. De gelovigen, die uit de besnijdenis waren, ontzetten zich, deze zes, die met Petrus waren gekomen. Het heeft hen uitermate verwonderd, en heeft hen wellicht enige ongerustheid veroorzaakt, dat de gave des Heiligen Geestes ook op de Heidenen uitgestort werd, die zij dachten alleen voor hun eigene natie bestemd te zijn. Hadden zij de Schriften des Ouden Testaments verstaan, die hierop wezen, het zou hun niet zulk ene verwondering gebaard hebben, maar door onze eigene verkeerde begrippen der dingen scheppen wij ons moeilijkheden in de methodes der Goddelijke voorzienigheid en genade.
II. Hoe Petrus Gods werk erkende door hen te dopen op wie de Heilige Geest was gevallen. Merk op:
1. Hoewel zij den Heiligen Geest hadden ontvangen, was het toch nodig, dat zij gedoopt werden. God is niet gebonden aan ingestelde ordonnantiën, maar wij zijn het wèl, en gene buitengewone gaven plaatsen ons er boven, integendeel, zij verplichten ons zo veel te meer om er ons naar te gedragen. In onze dagen zouden sommigen aldus geredeneerd hebben: "Dezen zijn gedoopt met den Heiligen Geest, waartoe is het dan nodig hen ook nog met water te dopen? Dat is beneden hen". Neen, het is niet beneden hen, daar de waterdoop ene inzetting is van Christus, en de deur van toegang is tot de zichtbare kerk en een zegel des nieuwen verbonds.
2. Hoewel zij Heidenen waren, mochten zij, daar zij den Heiligen Geest hadden ontvangen, tot den doop worden toegelaten, vers 47. Kan ook iemand, hoe streng een Jood hij ook zij, het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij? Het argument is afdoend kunnen wij het teken weigeren aan hen, die de zaak ontvangen hebben, die door het teken wordt aangeduid? Hebben zij, aan wie God de genade des verbonds heeft geschonken, niet klaarlijk en ontwijfelbaar recht op de zegelen van het verbond? Voorzeker! zij, die den Geest hebben ontvangen gelijk als ook wij, behoren den doop te ontvangen gelijk als ook wij, want het betaamt ons Gods aanwijzingen te volgen, en diegenen in gemeenschap met ons toe te laten, die God in gemeenschap met zich heeft toegelaten. God heeft beloofd Zijn Geest uit te storten op het zaad der gelovigen, op hun kroost, wie kan dan het water weren, dat zij niet gedoopt zouden worden, die de belofte des Heiligen Geestes hebben ontvangen, gelijk als ook wij? Nu blijkt het waarom de Geest hun was gegeven voor dat zij gedoopt waren-het was omdat Petrus er zich anders niet toe had kunnen brengen hen te dopen, evenmin als hij voor hen gepredikt zou hebben, indien hem dat niet door een visioen bevolen was geworden, of ten minste zou hij de afkeuring niet hebben kunnen ontgaan van de gelovigen, die uit de besnijdenis waren. Aldus wordt daar de ene ongewone stap van Goddelijke genade na den anderen genomen om de Heidenen in de kerk te brengen. Hoe gelukkig is het voor ons, dat de genade van een goeden God zo veel ruimer is dan de barmhartigheid van sommige goede mensen!
3. Petrus zelf heeft hen niet gedoopt, maar hij beval, dat zij zouden gedoopt worden, vers 48. Het is waarschijnlijk, dat sommigen van de broeders met die hem gekomen waren, het op zijn bevel gedaan hebben, en dat hij het geweigerd heeft om dezelfde reden, waarom ook Paulus het geweigerd heeft-opdat hij den schijn niet zou hebben van gedoopt te hebben in zijn eigen naam, 1 Corinthiërs 1:15. De apostelen hebben de opdracht ontvangen om heen te gaan en alle volken te onderwijzen. Maar het was inzonderheid het gebed en de bediening des woords, waaraan zij zich zelven moesten wijden. En Paulus zegt, dat hij niet gezonden was om te dopen, maar om te prediken, dat het edeler en voortreffelijker werk was. Het dopen werd dus gewoonlijk aan de mindere dienaren overgelaten, die handelden volgens de orders van de apostelen en die daarom geacht konden worden het te doen. Qui per alterum facit, per seipsum facere dicitur -Wat iemand doet door een ander, kan hij gezegd worden zelf te doen. Eindelijk. Hun erkenning beide van het woord van Petrus en van het werk van God in hun begeerte naar nog meer nut en voordeel van Petrus' bediening: Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven. Zij konden hem niet dringen om bij hen te blijven wonen, zij wisten, dat hij werk te doen had aan andere plaatsen. en dat hij nu te Jeruzalem verwacht werd. Maar zij wilden hem niet terstond laten gaan, maar verzochten hem dringend, dat hij enigen tijd bij hen zou blijven, opdat hij hun nog verder onderricht zou kunnen geven. in de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan. Zij, die enige kennis van Christus hebben, kunnen niet anders, dan naar meer verlangen. Zelfs zij, die den Heiligen Geest hebben ontvangen moeten hun behoefte inzien aan de bediening des woords.