Titus 1:5
Hier wordt het bevel meegedeeld.
I. Meer in het algemeen, Om die oorzaak heb ik u in Creta gelaten, opdat gij hetgeen nog ontbrak, voorts terecht zoudt brengen. Dat was het werk der evangelisten, in welken dienst Titus was, nat te maken wat de apostelen geplant hadden, 1 Corinthiërs 3:6, voort te zetten en te voltooien wat zij begonnen waren, epidiorthoen, het een en ander te regelen. Titus moest terechtbrengen hetgeen, waar de apostel gedurende zijn kort verblijf aldaar geen tijd voor gehad had. Let op:
1. De grote ijver van den apostel in het Evangelie, zodra hij de dingen in de ene plaats voorlopig in orde gebracht had, haastte hij zich naar de andere. Hij was een schuldenaar beiden aan Grieken en barbaren, en arbeidde om onder hen allen het Evangelie te verbreiden zover hij kon.
2. Zijn getrouwheid en voorzichtigheid. Hij verwaarloosde de plaatsen niet, wanneer hij verder reisde, maar liet iemand achter om het jonge plantsoen te verzorgen en voort te zetten wat hij begonnen was.
3. Zijne nederigheid. Hij versmaadde het niet in zijn werk geholpen te worden, en zulks door hen, die niet met hem op dezelfden hoogsten trap in de bediening stonden, of zo grote gaven en bekwaamheden hadden. Indien het Evangelie maar bevorderd en het welzijn der zielen tot stand gebracht mocht worden, was hij gewillig daarvoor de hulp van anderen te aanvaarden, een geschikt voorbeeld voor dienaren, van opwekkenden ijver en werkzaamheid, dat hen moet leren getrouw en zorgvuldig voor de kudde te zijn, en tegenwoordig of afwezig, levende en stervende, zoveel zij vermogen, de geestelijke opbouwing en vertroosting van hun gemeenten te behartigen.
4. Kunnen wij hier zien, dat Titus, ofschoon aan den apostel ondergeschikt, toch boven de gewone gevestigde herders en bisschoppen stond, die aan bepaalde gemeenten als hun eigen standplaatsen gebonden waren, maar Titus had hoger rang, hij moet zulke gewone herders aanstellen waar zij ontbraken en de dingen in hun goeden vorm stellen, en dan naar andere plaatsen gaan om daar zo nodig hetzelfde te doen. Titus was niet alleen een dienaar van de algemene kerk, zoals de anderen ook waren, maar een algemeen dienaar. Anderen hadden de gewone bevoegdheid om overal te dienen naar roeping en gelegenheid, in actu primo, maar evangelisten als Timotheus was, hadden bevoegdheid in actu secundo et exercito, en konden bediening uitoefenen waar zij ook kwamen en hun recht op de gemeenten handhaven. Zij waren overal in hun eigen plaats en hadden het recht de gewone dienaren te leiden en te bevelen. Overal waar een apostel als apostel kon optreden, kon een evangelist als evangelist handelen, want zij werkten het werk des Heeren, 1 Corinthiërs 16:10, gelijk als ik, zegt de apostel, zonder aan tijd en plaats gebonden te zijn. Hier in Creta was Titus slechts bij gelegenheid en voor korten tijd, Paulus wenste dat hij daar het werk verrichten zou, waarvoor hij gezonden was, en daarna bij hem te Nicopolis komen, waar hij dacht te overwinteren. En daarna werd hij naar Corinthe gezonden, bleef een poos bij den apostel te Rome en ging toen naar Dalmatië. Dat is het laatste wat wij van hem in de Schrift lezen, zodat uit de Schrift niet blijkt dat hij een vasten bischopsszetel had, hij verliet Creta en wij zien niet dat hij er terug gekomen is. Maar welk recht hadden Paulus en Titus daar? Was hetgeen zij deden geen inbreuk op de rechten van de burgerlijke overheid? In genen dele, zij kwamen niet om zich te mengen in de burgerlijke rechten van anderen. Wie heeft mij tot een rechter of scheidsman over u gezet! Lukas 12:14. Hun werk was geestelijk: het moest door overtuiging en overreding uitgevoerd worden, in geen enkel opzicht de macht der overheid onderbreken, vooruitlopen of verzwakken, maar die veeleer versterken en verzekeren. Hetgeen ontbrak was niet iets dergelijks als burgerlijke overheden moesten verrichten, maar het waren goddelijke bevelen en instellingen, van Christus, het hoofd der gemeente, ontvangen. Daarvoor was Titus achtergelaten. Het is geen gemakkelijk werk gemeenten te stichten en tot volkomenheid te brengen. Paulus zelf had hier gewerkt en toch ontbrak er nog iets, allerlei dingen waren uit de voegen geraakt, de geestelijke stenen moesten behouwen en gevoegd worden, opdat het gebouw stevigte zou krijgen. De besten zijn blootgesteld aan verval. De dienaren moeten daartegen voorzien, om goed te maken wat verkeerd is en aan te vullen wat ontbreekt. Dit was in het algemeen het werk van Titus in Creta.
II. In het bijzonder moest hij van stad tot stad ouderlingen stellen, dat is: dienaren, die voor het merendeel uit de oudste, meest-ontwikkelde Christenen van ondervinding genomen moesten worden, of, indien zij jonger waren, moesten ze ernstig en degelijk van karakter en levenswijs zijn. Dezen moesten aangesteld worden overal waar een voldoend aantal Christenen gevonden werd, zoals in grotere steden gewoonlijk het geval was, ofschoon het ook in dorpen kon geschieden als daar genoeg Christenen gevonden werden. Deze ouderlingen moesten de gewone en dagelijkse zorg voor de gemeenten dragen, haar voeden en regeren en al het herderlijk werk verrichten. Het woord wordt soms in meer algemenen zin gebruikt van allen, die een geestelijken arbeid in de gemeenten te doen hebben. Zo waren de apostelen ouderlingen, 1 Petrus 5:1. Maar hier worden bedoeld gewone gevestigde herders, die in het woord en in de leer arbeidden, en over de gemeenten des Heeren gesteld waren, zoals zij verder in het hoofdstuk beschreven worden. Het woord ouderling wordt soms gebruikt in dezelfden zin als sacerdos, en vertaald in priester, een naam, die niet aan dienaren van het Evangelie gegeven wordt, tenzij in figuurlijken zin of vergelijkenderwijze, zoals van al het volk Gods gezegd wordt dat zij koningen en priesters Gode gemaakt zijn (hiereis is niet hetzelfde als presbuteroes) om geestelijke offeranden van gebeden, dankzeggingen en aalmoezen te brengen. Maar eigenlijk hebben wij onder het Evangelie geen priesters, behalve Christus alleen, de hogepriester onzer belijdenis, Hebreeën 3:1, die zich zelven voor ons Gode opofferde, en door kracht daarvan altijd leeft om voor ons te bidden. Ouderlingen zijn dus eigenlijk geen priesters, om offeranden te brengen, hetzij zinnebeeldig, hetzij werkelijk, maar alleen bedienaren van het Evangelie, om Christus' instellingen te verbreiden, en de gemeente Gods te voeden, over welke de Heilige Geest hen tot opzieners gesteld heeft.
1. Een gemeente zonder gevestigde en blijvende bediening is onvolmaakt en gebrekkig.
2. Waar een genoegzaam aantal gelovigen is, moeten ouderlingen aangesteld worden, hun blijven in de gemeente is even noodzakelijk als hun eerste aanstelling, tot volmaking der heiligen, tot opbouwing van het lichaam van Christus, totdat allen komen tot een volmaakten man in Christus, totdat het gehele getal van Gods uitverkorenen is geroepen en met Christus verenigd in een lichaam, en gebracht tot volwassenheid en volle kracht, naar de mate der genade, die hun gegeven is, Efeziërs 4:12, 13. Dit werk moet en zal verricht worden tot het einde der wereld, en daarom moeten de noodzakelijke en bepaalde middelen daartoe verschaft worden. Hoeveel dank zijn wij Gode verschuldigd voor zulk ene instelling! Hoe dankbaar moeten zij zijn, die er de zegeningen van genieten! Hoeveel medelijden en gebed moet er zijn voor hen, die haar missen! Bidt den Heere des oogstes dat Hij arbeiders uitstote in Zijn wijngaard! Het geloof is door het gehoor, en het wordt er ook door bewaard, gehandhaafd en vruchtbaar gemaakt. Onwetendheid en bederf, verval van het goede en toenemen van het kwade ontstaan uit het gebrek van een onderwijzende en levenwekkende bediening. En daarom was Titus in Creta gelaten om terecht te brengen hetgeen nog ontbrak en van stad tot stad ouderlingen aan te stellen, maar hij mocht dat niet doen naar eigen wil en gril, doch volgens de apostolische aanwijzing.
III. De regel voor zijn werkzaamheid. Gelijk ik u bevolen heb, waarschijnlijk toen hij van hem scheidde, en in tegenwoordigheid van anderen, waarop hij zich nu kon beroepen, niet zozeer om Titus' wil als voor de mensen, opdat zij des te gewilliger Titus zouden gehoorzamen, wetende en in aanmerking nemende dat deze hetgeen hij deed, verrichtte op apostolische aanwijzing en bevel, waardoor hij gewaarborgd en gesteund werd. Onder de wet moest alles vervaardigd worden naar het voorbeeld, dat Mozes op den berg getoond was, en zo moet onder het Evangelie alles ingesteld en beheerd worden naar de bevelen van Christus en Zijn voornaamste dienaren, die daarbij onfeilbaar door Hem geleid werden. Menselijke overleveringen en uitvindingen mogen niet in de gemeente ingevoerd worden. Voorzichtige voorstellen om het doel van Christus' instellingen te bereiken, in overeenstemming met de algemene regelen van het Woord, mogen, ja moeten er zijn, maar niemand mag iets veranderen aan den inhoud van het geloof en den eredienst, of aan de orde en tucht in de gemeenten. Indien een evangelist niets zonder hogere aanstelling mocht doen, hoeveel minder de anderen! De gemeente is het huis Gods en Hem komt het toe de dienaren aan te stellen en de regelen te geven, zoals het Hem behaagt. Thans volgen de aanwijzingen omtrent de hoedanigheden en kenmerken van de ouderlingen, die hij moest aanstellen. Stel van stad tot stad ouderlingen aan, gelijk ik u bevolen heb, zulke als ik u beschreven heb en hier nog meer in bijzonderheden beschrijf. Dat volgt nu van het zesde tot het negende vers ingesloten.