Handelingen 6:1-7
Nadat wij de worstelingen der kerk met hare vijanden hebben aanschouwd, en ons met haar verblijd hebben in hare overwinningen, zullen wij nu zien, hoe zij hare inwendige aangelegenheden bestierde, en zo hebben wij hier:
I. Ene ongelukkige verdeeldheid onder sommige leden der gemeente die treurige gevolgen had kunnen hebben, maar voorzichtig en tijdig werd bijgelegd, vers 1. Als de discipelen (zo werden de Christenen in den beginne genoemd, leerlingen van Christus) vermenigvuldigden tot vele duizenden in Jeruzalem, ontstond ene murmurering.
1. Het doet ons goed aan het hart te bevinden, dat de discipelen vermenigvuldigden, terwijl het voor de priesters en de Sadduceeën ongetwijfeld ene kwelling des harten was dit te zien, De tegenstand, dien de prediking van het Evangelie ontmoette, heeft, in plaats van zijn' voortgang te stuiten, juist bijgedragen tot deszelfs voorspoed, en met deze jeugdige kerk ging het als met de jeugdige Joodse kerk in Egypte, hoe meer zij verdrukt werd, hoe meer zij vermeerderde. De predikers werden geslagen, gedreigd en mishandeld, maar het volk nam hun leer aan, ongetwijfeld daartoe gedrongen en uitgelokt door hun verwonderlijk geduld en hun blijmoedigheid onder hun beproevingen, die aan de mensen de overtuiging gaven, dat zij door een beteren geest dan den hun gesteund en als gedragen werden.
2. Maar het slaat ons ter neer, als wij zien, dat de vermenigvuldiging der discipelen ene aanleiding is tot onenigheid. Tot nu toe waren zij een hart en ene ziel, dit is herhaaldelijk vermeld tot hun lof, maar nu zij vermenigvuldigden, begonnen zij te murmureren, zoals toen in de oude wereld, de mensen op den aardboden begonnen te vermenigvuldigen, zij zich verdierven. Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt, Jesaja 9:2. Toen de huisgezinnen van Abraham en Lot toenamen, was er twist tussen hun herders. Zo was het ook hier. Er ontstond ene murmurering, geen openlijke strijd of twist, maar een heimelijke wrok.
A. De klagers waren de Grieksen, of Hellenisten, tegen de Hebreeën. De Joden, die in Griekenland en andere landen verstrooid waren, en gewoonlijk Grieks spraken, en het Oude Testament in de Griekse vertaling lazen, en niet in het oorspronkelijke Hebreeuws, van wie velen op het feest te Jeruzalem waren gekomen, hadden het geloof van Christus omhelsd, en waren toegedaan tot de gemeente, en zo bleven zij er. Dezen nu klaagden tegen de Hebreeën, de Joden, die in het Heilige Land woonden, en zich van het oorspronkelijk Hebreeuws van het Oude Testament bedienden. Van ieder dezer partijen zijn sommigen Christenen geworden, en, naar het schijnt, heeft hun wederzijdse aanneming van het Christendom niet vermocht, gelijk dit had behoord, om den wederzijdsen naijver, dien zij voor hun bekering tegen elkaar hadden gekoesterd, tot zwijgen te brengen. Iets van dien ouden zuurdesem hadden zij nog behouden, niet begrijpende, of niet gedenkende, dat er in Christus Jezus noch Griek, noch Jood is, gene onderscheiding van Hebreeër en Hellenist, maar dat allen aan Christus welkom zijn, en dit, om Zijnentwil, ook elkaar behoren te wezen.
B. De klacht van deze Grieksen was, dat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden, dat is: in de uitdeling der aalmoezen, en dat er voor de Hebreeuwse weduwen beter gezorgd werd. Merk op: De eerste twist in de Christelijke kerk betrof geldzaken, maar het is te betreuren, dat de kleine dingen dezer wereld tot twiststokers worden gemaakt onder hen, die belijden zich met de grote dingen ener andere wereld bezig te houden. Er was zeer veel geld bijeengebracht ter ondersteuning der armen, maar, gelijk het dikwijls gebeurt in dergelijke gevallen, het was niet mogelijk in de uitdeling er van iedereen te behagen of tevreden te stellen. De apostelen aan wier voeten het geld neergelegd werd, deden hun best, om er naar de bedoeling der gevers over te beschikken, en ongetwijfeld hebben zij er naar gestreefd, om dit met de meest mogelijke onpartijdigheid te doen, en was het verre van hen, om de Hebreeën te bevoordelen ten koste van de Grieksen, en toch komen hier nu klachten bij hen in, en wordt hun in dat klagen stilzwijgend verweten, dat de Griekse weduwen verzuimd, dat is, veronachtzaamd werden, hoewel dezen even wezenlijke voorwerpen van barmhartigheid waren, werd haar toch niet zo veel toebedeeld, of werden niet zo velen van haar bedeeld, of niet op zo geregelde tijden, als aan de Hebreeuwse weduwen. Nu was die klacht misschien ongegrond en onrechtvaardig, en was er gene aanleiding tot klagen, maar zij, die om enigerlei reden in het nadeel zijn (zoals dit met de Griekse Joden tegenover de Hebreeërs uit de Hebreeën wel het geval was) zijn licht geneigd te denken, dat zij veronachtzaamd worden, als dit in werkelijkheid toch niet zo is, en het is het gewone gebrek van arme lieden, dat zij in plaats van dankbaar te zijn voor wat hun gegeven wordt, klaagziek en schreeuwerig zijn, geneigd om misnoegd te zijn, wijl hun niet meer gegeven wordt, of wijl aan anderen meer gegeven wordt dan aan hen, en afgunst en hebzucht, deze wortelen van bitterheid, worden onder de armen evengoed gevonden als onder de rijken, niettegenstaande de nederige omstandigheden, waaronder zij zich bevinden, en waarin zij zich behoorden te schikken. Maar wij willen eens veronderstellen, dat er enige oorzaak was tot klagen. Ten eerste: Sommigen denken, dat, ofschoon er voor hun armen wel gezorgd werd, hun weduwen echter veronachtzaamd werden, omdat de beheerders der fondsen zich hielden aan een ouden regel, geldig onder de Hebreeën, volgens welken, ene weduwe door de kinderen van haren man onderhouden moest worden. Zie 1 Timotheus 5:4. Maar, ten tweede: Ik houd het er voor, dat de weduwen hier genomen zijn voor al de armen, omdat velen, die in het kerkelijk register stonden, en aalmoezen ontvingen, weduwen waren, voor welke door den arbeid en de vlijt harer echtgenoten, zo lang dezen leefden, goed gezorgd was, maar die na hun dood in bekrompene omstandigheden waren gekomen. Gelijk zij, aan wie de openbare rechtsbedeling is toevertrouwd, verplicht zijn zeer bijzonder de weduwen tegen onrecht te beschermen, Jesaja 1:17, Lukas 18:3, zo behoren zij, die de beheerders zijn van de penningen, door de openbare liefdadigheid bijeengebracht, voor het nodige der weduwen te zorgen. Zie 1 Timotheus 5:3. En merk op dat de weduwen hier, en ook de andere armen, ene dagelijkse bediening hadden. Wellicht ontbrak het haar aan overleg, en waren zij niet in staat voor later te zorgen, weshalve de beheerders der fondsen uit vriendelijkheid haar iedere dag haar dagelijks brood gaven, zodat zij van de hand in den tand leefden. Nu schijnt het, dat de Griekse weduwen, vergelijkender wijs, of naar verhouding, veronachtzaamd werden, wellicht dachten zij, die over het geld beschikten, dat er door de rijke Hebreeën meer bijgedragen werd tot het fonds, dan door de rijke Grieken, die gene have hadden om te verkopen, zoals de Hebreeën, en dat daarom de Griekse armen minder uit het fonds behoorden te ontvangen, en hoewel daar nu ene draaglijke reden voor was, achtten zij toch, dat het hard en onbillijk was. In de best georganiseerde gemeente zal toch altijd nog wel iets verkeerds zijn, een slecht beheer, of bestuur, grieven over het een of ander, of ten minste klachten, en die gemeenten zijn de besten, waarin de minste grieven en klachten voorkomen.
II. De gelukkige schikking, die er ten opzichte van deze zaak getroffen werd, ten einde de aanleiding tot dit murmureren weg te nemen. Tot nu toe hadden de apostelen het bestier over deze zaak, men wendde zich om hulp of ondersteuning tot hen, en tot hen kwam men met klachten. Nu waren zij verplicht personen te gebruiken, die hun hierbij behulpzaam waren, en die wellicht niet zoveel zorg aan die zaak wijdden als zij moesten, noch zo goed bestand waren tegen de verzoeking om partijdig te zijn, als zij behoorden te wezen. Daarom moeten nu mannen gekozen worden, om die zaak te behartigen, mannen, die er meer tijd aan konden besteden dan de apostelen, en meer geschikt waren voor dien post van vertrouwen dan zij, die tot nu toe door de apostelen hiervoor gebruikt werden. Merk nu op:
1. De methode, door de apostelen voorgesteld. Zij riepen de menigte der discipelen tot zich, de hoofden der vergaderingen van Christenen te Jeruzalem, de voornaamste leiders der gemeenten. De twaalven zelven wilden zonder hen niets beslissen, want de behoudenis is in de veelheid der raadslieden, en in ene aangelegenheid van dien aard, kunnen diegenen het best in staat zijn raad te geven, die meer met de zaken van dit leven bekend waren, dan de apostelen.
A. De apostelen verklaren, dat zij zich door deze zaken niet van hun groot en gewichtig werk kunnen laten afleiden, vers 2. "Het is niet behoorlijk, dat wij het woord Gods nalaten en de tafelen dienen. Geld te ontvangen en uit te betalen was een dienen der tafelen, maar al te zeer gelijk aan de tafelen der wisselaars in den tempel, dit behoorde niet tot het werk waartoe de apostelen waren geroepen, zij hadden het woord Gods te prediken. En hoewel zij het niet zo nodig hadden als wij, om wat zij predikten eerst te bestuderen (hun werd in die ure gegeven wat zij zouden spreken), dachten zij toch dat het werks genoeg was voor den gehelen mens, en dat zij er al hun gedachten, en zorgen en hun tijd aan moesten wijden, hoewel een hunner meer was dan tien van ons, ja dan tien duizend. Indien zij de tafelen dienen, dan moeten zij, enigermate ten minste, het woord Gods nalaten, dan konden zij aan hun werk der prediking niet altijd de aandacht wijden, die er aan gewijd moest worden. Pectora nostra duas non admittentia curas - Onze geest laat niet toe twee onderscheidene zwaarwichtige ambten op ons te nemen. Ofschoon dit dienen der tafelen een Godvruchtig doel had, een dienen was van de liefdadigheid der rijke Christenen en van de nooddruft der arme Christenen, en in beiden een dienen van Christus, wilden de apostelen van hun werk der prediking niet zo veel tijd afnemen, als dit vorderen zou. Zij willen niet meer van hun prediking afgetrokken worden door het geld, dat aan hun voeten werd gelegd, dan zij er van weggedreven wilden worden door de striemen der geselslagen op hun rug. Zolang het getal der discipelen nog klein was, konden de apostelen die zaak besturen, zonder er veel van hun voornaamste werk door afgetrokken te worden, maar nu hun getal was toegenomen, konden zij dit niet meer. Het is niet behoorlijk, het is niet betamelijk, of loffelijk, dat wij het werk verzuimen van zielen te voeden met het brood des levens, en ons bezig houden met het verlenen van bijstand voor het lichaam der armen. Het Evangelie te prediken is het beste werk, en het voegzaamste en het nodigste, waarmee een Evangeliedienaar zich kan bezighouden, en waaraan hij zich geheel en al geven moet, 1 Timotheus 4:15, en teneinde dit te kunnen doen, moet hij niet ingewikkeld worden in de handelingen des leeftochts, 2 Timotheus 2:4, neen, zelfs niet in het buitenwerk van het huis Gods, Nehemia 11:16.
B. Daarom wensen zij, dat zeven mannen verkozen zullen worden, die hiervoor geschikt en bekwaam waren, wier werk het zou zijn de tafelen te dienen, diakonein trapezais -diakenen te zijn van de tafelen, vers 2. De zaak moet behartigd worden, beter behartigd dan tot nu toe, en dan de apostelen haar konden behartigen, en daarom moeten geschikte personen gekozen worden, die, hoewel zij nu en dan, als de gelegenheid er zich toe aanbood, ook gebruikt konden worden voor de prediking des woords en voor het gebed, zich daaraan toch niet zo uitsluitend moesten wijden als de apostelen. Dezen moeten dan zorg dragen voor de kerkelijke fondsen, uitbetalingen doen en boekhouden, kopen hetgeen zij van node hadden voor het feest, Johannes 13:29, en zich met al deze noodzakelijke dingen bezig houden, in ordine ad spiritualia -tot geestelijke oefeningen, opdat alle dingen eerlijk en met orde geschieden, en geen persoon of zaak veronachtzaamd zou worden. Die personen moesten bekwaam en bevoegd zijn voor dit werk. Het volk, de leden der gemeente, moesten hen verkiezen, en de apostelen hen ordenen, maar het volk mag gene mannen verkiezen, en de apostelen mogen gene mannen ordenen, die volstrekt ongeschikt zijn voor dit ambt. Ziet dan om naar zeven mannen uit u. Dit getal, dachten zij, kon voor het ogenblik volstaan, indien het later nodig bleek, konden er meer aan toegevoegd worden, Dezen moesten zijn, Ten eerste: personen, die goede getuigenis hebben, mannen zonder aanstoot of ergernis, die door hun naburen geacht werden als rechtschapen en getrouw, betrouwenswaardig, onbesmet door enigerlei ondeugd, bekend staande als mensen van een deugdzaam en lofwaardig karakter, marturou menous -mannen, die een goed getuigenis konden overleggen betreffende hun wandel. Zij, die enigerlei ambt bekleden in de kerk, behoren mannen te zijn van ene goede reputatie, van een vlekkeloos, ja wat meer is, van een loffelijk karakter, hetgeen noodzakelijk is, niet slechts tot eer van hun ambt, maar ook om het naar behoren uit te oefenen. Ten tweede. Zij moeten vol des Heiligen Geestes zijn, vervuld zijn van die genadegaven des Heiligen Geestes, die nodig waren voor het rechte beheer van hetgeen hun toevertrouwd werd. Het moeten niet slechts eerlijke mannen zijn, maar begaafde, kloekmoedige mannen, zoals die, welke tot richteren in Israël werden aangesteld, Exodus 18:21, kloeke mannen, Godvrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende, en hieruit doende blijken, dat zij vol des Heiligen Geestes zijn. Ten derde. Zij moeten vol zijn der wijsheid. Het was niet genoeg, dat zij eerlijke, vrome, mannen waren, zij moeten ook voorzichtige, verstandige mannen zijn, die men niet licht kan misleiden of bedriegen, en die alles ten beste zullen regelen, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, dat is: van den Heiligen Geest als een Geest der wijsheid. Wij vinden het woord der wijsheid, gegeven door den Geest als onderscheiden van het woord der kennis van dezelfden Geest, 1 Corinthiërs 12:8. Zij moeten vol zijn der wijsheid aan wie openbare fondsen worden toevertrouwd, opdat zij er niet slechts met getrouwheid, maar ook met spaarzaamheid en overleg, over beschikken. Het volk moet de personen benoemen: "Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, gaat na, wie onder ulieden geschikt is voor zulk een post, in wie gij met de meeste overtuiging vertrouwen kunt hebben." Men kon veronderstellen, dat de leden der gemeente beter op de hoogte waren van het karakter der mensen, of ten minste meer geschikt waren om er navraag naar te doen, dan de apostelen, en daarom worden zij met de verkiezing belast. De apostelen zullen hen ordenen tot den dienst, zullen hun hun last opdragen, opdat zij weten wat zij te doen hebben, en er zich met nauwgezetheid op zullen toeleggen. Zij zullen hun macht en gezag geven, opdat de belanghebbenden zullen weten, tot wie zij zich hebben te wenden, en aan wie zij zich moeten onderwerpen in zaken van dien aard, mannen, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak, om haar te behartigen, en er voor te zorgen, dat er noch verspilling, noch gebrek is. De apostelen verbinden zich voorts om zich geheel en al aan den Evangeliedienst te wijden, des te inniger en nauwlettender, nu zij van dien moeilijke post ontheven zullen zijn, vers 4.
Wij zullen volharden in het gebed en in de bediening des woords. Zie hier:
A. Wat de twee grote Evangelie-inzettingen zijn-het woord en het gebed, door dezen wordt de gemeenschap tussen God en Zijn volk onderhouden, door het woord spreekt Hij tot hen, en door het gebed spreken zij tot Hem, en dezen staan in wederkerige betrekking tot elkaar. Door deze twee inzettingen moet Christus' koninkrijk worden bevorderd en uitgebreid, wij moeten profeteren tot de dorre doodsbeenderen, en dan bidden om een geest des levens van God om tot hen in te gaan. Door het woord en het gebed worden andere inzettingen voor ons geheiligd, en hebben de sacramenten kracht van uitwerking.
B. Wat het grote werk is van Evangeliedienaren: het is te volharden in het gebed en in de bediening des woords, zij moeten nu nog of zich bekwamen voor dien dienst, of er zich aan geven, als zij er bekwaam toe gemaakt zijn, hetzij in het openbaar of in de binnenkamer, op de gezette tijden, of buiten de gezette tijden. Zij moeten in de bediening des woords Gods mond zijn tot het volk, en in het gebed de mond des volks zijn tot God. Om zondaren tot overtuiging en bekering te brengen, en de heiligen te stichten en te vertroosten, moeten wij niet slechts onze gebeden voor hen opzenden tot God, maar hun het woord bedienen, onze gebeden ondersteunende door ons streven en het gebruik der bestemde middelen. En wij moeten hun niet slechts het woord bedienen, wij moeten ook voor hen bidden, dat het woord van kracht voor hen zij, want Gods genade kan alles doen zonder onze prediking maar onze prediking vermag niets zonder Gods genade. De apostelen waren bekleed met buitengewone gaven des Heiligen Geestes, gaven der talen, en om wonderen te doen, en toch was hetgeen, waarin zij volhardden, de prediking des woords en het gebed, waardoor zij de gemeente opbouwden, en ongetwijfeld zijn die leraren de opvolgers der apostelen, (niet in de volheid der apostolische kracht en macht-het zijn brutale overweldigers, die hierop aanspraak maken, -maar in de beste en uitnemendste der apostolische werken), die volharden in gebed en in de bediening des woords, en met de zodanige zal Christus wezen tot aan het einde der wereld.
2. Hoe dit voorstel bijval vond en dadelijk door de discipelen ten uitvoer werd gebracht. Het wordt hun niet opgelegd door een volstrekt gezag, of onbepaalde macht, hoewel de apostelen vrijmoedigheid hadden kunnen hebben in Christus om dit te doen, Filemon 8, maar het werd hun voorgesteld als iets dat zeer passend en voegzaam was, toen behaagde dit woord aan al de menigte, vers 5. Het behaagde hun de apostelen zo bereid te zien om zich te ontdoen van deze inmenging in wereldlijke aangelegenheden, en dit aan anderen op te dragen, het behaagde hun te horen, dat zij wilden volharden in de bediening des woords en het gebed, en daarom hebben zij de zaak noch bestreden, noch de uitvoering er van uitgesteld.
A. Zij verkozen de personen. Het is niet waarschijnlijk dat allen op dezelfde mannen het oog hadden, ieder had zijn eigen vriend, van wie hij het goede dacht, maar de meeste stemmen werden uitgebracht op de hier genoemde personen, en de overigen-zowel van de kandidaten als van de kiezers-berustten er in zonder beroering te veroorzaken, zoals leden ener vereniging in zulke gevallen behoren te doen. Een apostel, die een buitengewoon ambt bekleedde, werd aangewezen door het lot, hetgeen meer onmiddellijk de daad Gods is, maar de opzieners der armen werden gekozen door de stemmen des volks waarbij toch ook acht moet geslagen worden op de leiding van Gods voorzienigheid, daar Hij het hart en de tong der mensen in Zijne hand heeft. Wij hebben ene lijst van de personen, die verkozen werden. Sommigen denken, dat zij te voren tot de zeventig discipelen behoord hebben, maar dit is niet waarschijnlijk, want dezen waren sedert lang door Christus zelven geordend om het Evangelie te prediken, en er was niet meer reden, dat zij het woord Gods zouden nalaten, om de tafelen te dienen, dan dat de apostelen dit zouden doen. Het is dus meer waarschijnlijk, dat zij behoorden tot hen, die na de uitstorting des Heiligen Geestes bekeerd zijn geworden, want aan allen, die gedoopt zouden zijn, was beloofd, dat zij de gave des Heiligen Geestes zouden ontvangen, en overeenkomstig die belofte is de gave, die volheid des Heiligen Geestes, die vereist werd in hen, welke tot dit ambt verkoren moesten worden. Verder kunnen wij omtrent deze zeven nog gissen: Ten eerste: dat zij behoorden tot hen, die hun have hadden verkocht en het geld in het algemene fonds hadden gestort, want cæteris paribus -andere dingen daaraan gelijk zijnde, waren diegenen het meest geschikt om met de uitdeling er van belast te worden, die er het meest en het edelmoedigst toe hadden bijgedragen. Ten tweede. Dat deze zeven allen tot de Griekse of Hellenistische Joden behoorden, want allen hebben zij Griekse namen, en hierdoor kon de murmurering der Grieksen, (die de aanleiding was tot deze instelling) het waarschijnlijkst tot zwijgen worden gebracht, dat dit ambt aan hen, die evenals zij, vreemdelingen waren, werd toevertrouwd, die dus voorzeker niemand zouden veronachtzamen. Het is duidelijk, dat Nicolaüs een hunner was, want hij was een Jodengenoot van Antiochië, en sommigen zijn van mening, dat de wijze van uitdrukking te kennen geeft, dat zij allen Jodengenoten waren van Jeruzalem, zoals hij van Antiochië. De eerste, die genoemd wordt, is Stefanus, de glorie dezer septemviri , een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes. Hij had een sterk geloof in de leer van Christus, en was er meer dan de meesten vol van, vol van trouw, vol van moed, (zo verstaan sommigen het,) want hij was vol des Heiligen Geestes, van Zijne gaven en Zijne genade, hij was een buitengewoon man, hij muntte uit in alles wat goed was, zijn naam betekent ene kroon. Dan komt Filippus, omdat hij, in het ambt van diaken goed gediend hebbende, daarna geordend werd tot het ambt van een evangelist, en metgezel en helper van de apostelen, want aldus wordt hij uitdrukkelijk genoemd, Hoofdstuk 21:8. Vergelijk Efeze 4:11. En hij heeft voorzeker niet als diaken gepredikt en gedoopt, van welke prediking en doop wij lezen in Hoofdstuk 8:12 (want het is duidelijk, dat dit ambt een dienen was der tafelen, in tegenstelling met de bediening des woords), maar als evangelist, en wij hebben reden te denken, dat hij, tot dit ambt bevorderd zijnde, het andere heeft verlaten, als daarmee onbestaanbaar. Wat Stefanus betreft, wij lezen niet dat hij iets gedaan heeft, waar. uit blijkt, dat hij een prediker was van het Evangelie, want hij twistte, of disputeerde slechts in de scholen, en hij voert een pleit voor zijn leven voor het gerecht, vers 9 en Hoofdstuk 7:2. De laatste, die genoemd wordt, is Nicolaüs, die, naar sommigen zeggen, later ontaardde, (als de Judas onder deze zeven.) en de stichter was van de sekte der Nicolaïeten, waarvan wij lezen in Openbaring 2:6, 15, en waarvan Christus aldaar zegt, dat Hij haar haat. Maar sommigen der ouden ontlasten hem van die beschuldiging, en zeggen ons, dat, hoewel die snode, onreine sekte zich naar hem noemden, zij dit toch ten onrechte deden, en alleen maar, omdat hij er op aandrong, dat zij, die vrouwen hadden, behoorden te zijn, alsof zij er geen hadden, waaruit zij goddelooslijk afleidden, dat zij, die vrouwen hadden, ze moesten hebben als aan allen gemeen, weshalve Tertullianus, als hij van de gemeenschap der goederen spreekt, dit zeer bijzonder uitzondert, Omnia indiscreta apud nos, præter uxores -Alle dingen zijn onder ons gemeen, behalve onze vrouwen, APOLLYON. cap. 39.
B De apostelen stelden hen aan tot dit werk van het dienen der tafelen, vers 6. Het volk droeg hen voor aan de apostelen, die hun keuze goedkeurden, en hen ordenden.
Zij baden met hen, en voor hen, dat God hun al meer en meer van den Heiligen Geest en van wijsheid zou geven, dat Hij hen bekwaam zou maken voor den dienst, waartoe zij geroepen waren, er hen in zou erkennen, en er hen tot een zegen door zou maken voor de gemeente, en inzonderheid voor de armen der gemeente. Allen, die gebruikt worden in den dienst der kerk, behoren door het gebed der kerk overgegeven te worden aan de leiding der Goddelijke genade. Zij legden hun de handen op, dat is: zij zegenden hen in den naam des Heeren, want de handoplegging had plaats bij het zegenen, zo heeft Jakob de beide zonen van Jozef gezegend: en, zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is, Hebr. 7:7. De diakenen worden gezegend door de apostelen, en de verzorgers of opzieners der armen door de leraren der gemeente. Door het gebed een zegen over hen afgesmeekt hebbende, verzekerden zij hun door de oplegging der handen, dat het gebed verhoord en de zegen geschonken was. En dit nu was hun macht geven om dat ambt uit te oefenen en het volk de verplichting opleggen om hen te gehoorzamen en zich aan hun schikkingen te onderwerpen.
III. De vooruitgang der gemeente, die daarop volgde. Toen er behoorlijk orde gesteld was op de zaken der kerk (de grieven hersteld, en de ontevredenheid tot zwijgen was gebracht), heeft de Godsdienst veld gewonnen, vers 7.
1. Het woord Gods wies. Nu de apostelen besloten waren om zich meer dan ooit aan de prediking te wijden, werd het Evangelie hierdoor verder verspreid, en drong het met des te meer kracht door tot het hart der hoorders. Als de leraren der gemeente zich ontdoen van allen arbeid in wereldlijke aangelegenheden en zich geheel en al en met alle kracht wijden aan hun eigen werk, dan zal dit een middel zijn om den voorspoed van het Evangelie te bevorderen. Het woord Gods wordt gezegd te wassen, gelijk het gezaaide zaad wast, als het dertig-, zestig-, en honderdvoud opkomt.
2. De Christenen werden talrijk, het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer. Toen Christus op aarde was, had Zijne prediking den minsten voorspoed te Jeruzalem, en toch levert die stad nu de meeste bekeerlingen. God heeft ook in de slechtste plaatsen, Zijn overblijfsel.
3. Ene grote schare der priesters werd den geloven gehoorzaam. Het woord en de genade Gods worden grotelijks verheerlijkt, als er op diegenen door gewerkt wordt, van wie dit het minst waarschijnlijk was te achten, zoals hier de priesters, die of het geloof hadden tegengestaan, of, ten minste, verbonden waren geweest met hen, die dit deden. De priesters, die door de wet van Mozes tot hun ambt bevorderd werden, waren gewillig om van die bevordering af te zien voor het Evangelie van Christus, en het schijnt wel, dat zij gezamenlijk, en corps, gekomen zijn, velen van hen waren overeen gekomen, teneinde elkanders eer op te houden, en elkanders handen te sterken, om te zamen hun naam op te geven voor Christus-polis ochlos -ene grote menigte priesters werden door Gods genade over hun vooroordelen heen geholpen, en werden den geloven gehoorzaam, aldus wordt hun bekering beschreven. Zij omhelsden de leer van het Evangelie, hun verstand werd gevangen geleid onder de macht der waarheden van Christus, en iedere tegenstrevende gedachte tot Zijne gehoorzaamheid gebracht, 2 Corinthiërs 10:4, 5. Het Evangelie wordt gezegd bekend gemaakt te zijn tot gehoorzaamheid des geloofs, Romeinen 16:26. Het geloof is ene daad van gehoorzaamheid, want dit is Gods gebod, dat wij geloven, 1 Johannes 3:23. Zij toonden de oprechtheid van hun geloof in het Evangelie van Christus door ene blijmoedige onderwerping aan al de regelen en voorschriften van het Evangelie. Het doel, de strekking, van het Evangelie is ons hart en ons leven te louteren en te hervormen, het geloof schrijft ons de wet voor, en wij moeten er aan gehoorzamen.