Handelingen 8:1-3
In deze verzen hebben wij:
I. Nog iets betreffende Stefanus en zijn' dood, en den indruk, die er door teweeggebracht werd op het volk. Die indruk was verschillend, zoals gewoonlijk in zulke gevallen, naar de verschillende gevoelens der mensen omtrent zulke dingen. Toen Christus afscheid nam van Zijne discipelen, zei Hij hun: Gij zult schreien en klaaglijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden, Johannes 16:20. Dienovereenkomstig zien wij ook hier, hoe:
1. Zich een persoon verblijdt in Stefanus' dood, ongetwijfeld hebben velen er zich in verblijd, maar een in het bijzonder, en dat was Saulus, die later Paulus genoemd werd. Hij stemde in met zijn dood suneudokoon -hij stemde er in toe met genot, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord, het deed hem genoegen, hij liet zijne ogen met vreugde weiden over dit bloedige toneel, in de hoop dat de verdere toeneming van het Christendom er door gestuit zou worden. Wij hebben reden te geloven, dat Paulus Lukas bevolen heeft dit hier te vermelden, ter beschaming van zich zelven, en tot roem der vrije genade. Aldus erkent hij zich schuldig aan het bloed van Stefanus, en verzwaart zijne schuld hierdoor, dat hij het niet met leedwezen en weerzin gedaan heeft, maar met vreugde en voldoening, als degenen, die niet alleen zulke dingen doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.
2. Hoe Stefanus' dood betreurd werd door anderen, vers 2. Godvruchtige mannen, waaronder sommigen diegenen verstaan, die in eigenlijken zin aldus genoemd worden, proselieten, zoals Stefanus waarschijnlijk er zelf een geweest is. Of het kan in ruimeren zin genomen worden voor sommigen uit de gemeente, die Godvruchtiger en ijveriger waren dan de anderen. Dezen namen de arme verminkte overblijfselen op, om ze op betamelijke wijze te begraven, waarschijnlijk in den akker des bloeds, die enigen tijd geleden gekocht was om er vreemdelingen in te begraven. Zij begroeven hem plechtig, en maakten groten rouw over hem. Hoewel zijn dood een groot gewin was voor hem zelven, en van groten dienst voor de kerk, beweenden zij hem toch als een groot verlies voor het algemeen, daar hij zo uitnemend geschikt en bekwaam was voor zijn' dienst, en beide als diaken en twistredenaar van zo groot nut had kunnen wezen. Het is een slecht teken, als zulke mannen weggenomen worden en men het niet ter harte neemt. Deze Godvruchtige mannen hebben Stefanus deze laatste eer bewezen:
A. Om te tonen, dat zij zich der zaak niet schaamden, waarvoor hij geleden heeft, noch bevreesd waren voor den toorn van hen, die er vijanden van waren, want hoewel dezen nu triomferen, is die zaak toch ene rechtvaardige zaak, en zij zal ten laatste de overwinning behalen.
B. Om de grote achting en waardering te tonen, die zij koesterden voor dezen getrouwen dienstknecht van Jezus Christus, dezen eersten martelaar voor het Evangelie, wiens gedachtenis altijd dierbaar zal blijven, niettegenstaande het smadelijke van zijn dood. Zij beijveren zich om hem te eren, dien God geëerd heeft.
C. Om te getuigen van hun geloof in de opstanding der doden en het leven der toekomende wereld. II. Een bericht van de vervolging der kerk, die begint met het martelaarschap van Stefanus. Toen de woede der Joden zo heftig was geworden en tot zulk ene hoogte was gekomen tegen Stefanus, kon zij niet zo spoedig tot bedaren worden gebracht. Mannen des bloeds worden in de Schrift dikwijls bloedgierig genoemd, want als zij bloed geproefd hebben, dorsten zij naar meer. Men zou zo gedacht hebben, dat Stefanus' stervensgebeden en stervensvertroosting hen zou hebben gewonnen, hen vertederd zou hebben, en tot ene betere mening gebracht omtrent de Christenen en het Christendom, maar dit schijnt zo niet te zijn geweest, de vervolging wordt voortgezet, want
1. Zij waren nog meer verbitterd, toen zij zagen, dat zij niets vermochten, en, alsof zij hoopten het God zelf te zwaar en te moeilijk te kunnen maken, besluiten zij, om het bij dien enen slag niet te laten blijven. En omdat niemand hunner plotseling gedood werd wegens dit stenigen van Stefanus, was hun hart wellicht er nog zo veel te meer op gezet om kwaad te doen.
2. Misschien waren de discipelen ook vrijmoediger geworden om, evenals Stefanus gedaan had, met hen te redetwisten, daar zij zagen hoe heerlijk hij zijn loop had voleindigd, waardoor de Joden nog zoveel te meer geprikkeld werden. Merk op:
A. Tegen wie deze vervolging gericht was: zij was gericht tegen de gemeente, die te Jeruzalem is. Niet zodra is deze kerk geplant, of zij wordt vervolgd, gelijk Christus dikwijls gezegd heeft, dat verdrukking en vervolging zouden ontstaan om des woords wil. En Christus had inzonderheid voorzegd, dat Jeruzalem weldra voor Zijne volgelingen te gevaarlijk zou worden, want die stad was berucht wegens haar doden van de profeten, en haar stenigen van hen, die tot haar gezonden worden, Mattheus 23:37. Het schijnt wel, dat in deze vervolging velen gedood werden, want Paulus erkent, dat hij dezen weg vervolgd heeft tot den dood, Hoofdstuk 22:4, en 26:10, en dat hij, als zij omgebracht werden, het toestemde.
B. Wie de bedrijvige man was in deze vervolging: niemand was er zo ijverig en werkzaam in, als Saulus, een jonge Farizeeër, vers 3. Saulus, (die reeds twee malen genoemd is, en van wie nu wederom melding wordt gemaakt, als van een bekend vervolger,) verwoestte de gemeente, hij deed alles wat hij kon om haar te verderven, hij bekreunde zich niet om het kwaad, dat hij den discipelen van Christus deed. Hij bedoelde niets minder dan het verdelgen van het Israël des Evangelies, opdat aan den naam Israël's niet meer gedacht worde, Psalm 83:4. Hij was het geschiktste werktuig, dat de overpriesters konden vinden voor hun doel, hij was de algemene aanklager van de discipelen, een afgezondene van den groten raad om de bijeenkomsten te ontdekken, en allen te grijpen, die verdacht werden van dien weg te zijn. Saulus was een gestudeerde, een man van aanzien, en toch achtte hij het niet beneden zich om in het vuilste werk van dien aard gebruikt te worden. Hij ging in ieder huis, had er geen gewetensbezwaar in de deuren open te breken, bij nacht en bij dag, en hij liet zich hiertoe door ene gewapende macht vergezellen. Hij ging in ieder huis, waar zij bijeenkomsten plachten te houden, of in ieder huis, waar Christenen in waren, of waar men dacht Christenen te zullen vinden. Niemand was veilig in zijn huis, niemand was meer meester in zijn eigen huis. Met de uiterste minachting en wreedheid trok hij mannen en vrouwen, sleepte hen door de straten, zonder acht te slaan op het tere gestel van de zwakke sekse, hij was zulk een blinde ijveraar, dat hij zich er toe verlaagde om ook kennis te nemen van den geringste, die van den zuurdesem des Evangelies doortrokken was. Hij leverde hen over in de gevangenis, ten einde voor het gerecht gebracht en gedood te worden, zo zij Christus niet wilden verloochenen, en wij bevinden, Hoofdstuk 26:11, dat sommigen door hem gedwongen werden te lasteren. C. Wat was de uitwerking dezer vervolging? Zij werden allen verstrooid, vers 1, niet al de gelovigen, maar al de predikers, tegen wie de vervolging in de eerste plaats gericht was, en tegen wie brieven uitgevaardigd waren om hen gevangen te nemen. Indachtig aan den regel huns Meesters. -Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere, -verstrooiden zij zich bij afspraak door de landen van Judea en Samaria, niet zo zeer uit vrees van te zullen lijden (want Judea en Samaria waren niet zover van Jeruzalem, of hun vervolgers zouden hen er wel spoedig kunnen bereiken, indien zij er, gelijk zij voornemens waren, in het openbaar optraden,) maar omdat zij dit beschouwden als een wenk der Voorzienigheid om zich te verstrooien. Hun werk was in Jeruzalem nu genoegzaam afgelopen, en het was tijd om aan de noden en behoeften te denken van andere plaatsen, want hun Meester had hun gezegd, dat zij Zijne getuigen moesten wezen, eerst in Jeruzalem, en dan in geheel Judea en in Samaria, en daarna tot aan het uiterste der aarde, Hoofdstuk 1:8, en deze methode hebben zij gevolgd. Hoewel de vervolging ons niet weg moge drijven van ons werk, kan zij toch als een wenk der Voorzienigheid voor ons zijn, om ons weg te zenden, ten einde elders te arbeiden. De predikers waren allen verstrooid, behalve de apostelen, die waarschijnlijk door den Geest geleid werden, om nog enigen tijd te blijven, terwijl zij door de bijzondere voorzienigheid Gods beschut werden tegen den storm en door de bijzondere genade Gods bekwaam gemaakt om den storm het hoofd te bieden. Zij bleven te Jeruzalem, teneinde gereed te zijn om te gaan waar hun hulp het meest nodig was voor de andere predikers, die uitgezonden waren om het ijs te breken, gelijk Christus ook Zijnen discipelen bevolen had, om heen te gaan naar de plaatsen, waar hij zelf voornemens was te komen, Lukas 10:1. De apostelen zijn langer te zamen te Jeruzalem gebleven, dan men gedacht zou hebben, in aanmerking genomen het bevel en de opdracht, die hun waren gegeven, om heen te gaan in de gehele wereld, en alle volken te onderwijzen. Maar hetgeen gedaan werd door de evangelisten, die zij uitzonden, werd geacht als door hen zelven gedaan.