2. a) Let, om niet, zo u ze wellicht onopgemerkt liet, onverwacht schade door hen te lijden (
Romeinen 16:17), op de honden, die zich overal indringen (
Lukas 16:21), let op de kwade arbeiders, die, in plaats van het Evangelie van Jezus Christus door hun werk te bevorderen, dat integendeel, door terzijde stellen van zijn hoofdleer over de rechtvaardigheid alleen door het geloof, tegenwerken (
2 Corinthiërs 11:13); let op de versnijding, zoals ik het genootschap moet noemen, dat ik de erenaam van "besnijding" niet kan geven.
a) Jesaja 56:10
De valse leraars worden vergeleken met honden, die iedereen aankeffen, uit hoofde van hun twistgierigheid. Zij heten kwade arbeiders, uit hoofde van hun baatzucht en zij komen voor onder de naam van versnijding, omdat de besnijdenis, die zij de Christenen uit de heidenen opdrongen, ten aanzien van deze inderdaad niets anders was dan een versnijding of nutteloze verminking. 3. a) Want wij zijn integendeel de ware leden van de Christelijke gemeente, wij zijn de besnijding in de ware zin van het woord (Deuteronomium 30:6 Jeremia 4:4 Romeinen 2:28 v. ; 4:12 Colossenzen 2:11), wij, die God niet met uitwendige dienst van de wet (Hebreeën 9:9 v. b), maar in de Geest dienen (Romeinen 12:1 Johannes 4:24) en in Christus Jezus roemen, dat Hij onze zaligheid en onze gerechtigheid is (Vers 9. Galaten 6:14) en niet op het vlees vertrouwen, zoals zij, die daarom "versnijding" moeten heten (Galaten 6:13).
a) Deuteronomium 10:16
Het woord "voorts" geeft bij Paulus steeds te kennen, dat een nieuwe afdeling begint, die in de regel het slot uitmaakt. Is zijn gemoed bewogen, dan spreekt hij aan met het woord "broeders" (vgl. Hoofdstuk 4:8. 1 Thessalonicenzen 4:1. 2 Thessalonicenzen 3:1 Nu is het "verblijd u" een opwekking, die de apostel reeds in Hoofdstuk 2:18 liet horen; hier komt het echter nog in het bijzonder aan op het bijgevoegde "in de Heere", want hoewel er voor hem geen andere vreugde is, waartoe hij zou kunnen opwekken, dan de vreugde in de Heere, is toch die bijvoeging zeer geschikt om stof te leveren tot nadere verklaringen. Voordat hij echter die nadere verklaringen wil laten volgen, mocht bij vóór alle dingen handelen over iets, dat de vreugde in de Heere voor de Filippensen onmogelijk zou maken. Alle blijdschap toch zou afgesneden zijn, als zij zich door de Judaïstische besnijdenis-predikers, zoals wij ze uit de brief aan de Galaten voldoende hebben leren kennen, van het ware geloof lieten aftrekken. Daarom wordt hij gedrongen dadelijk tot de vermaning in Vers 2 over te gaan en dat is een vermaning, die hij reeds vroeger en wel eveneens door een brief, herhaalde malen, zoals uit Vers 18 blijkt, hen op het hart had gedrukt. Daarop ziet dan zijn woord "dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet verdrietig, en het is u zeker. " Onmogelijk kan die uitdrukking doelen op het voorgaande "verblijd u in de Heere". Er was toch voor de apostel geen reden om zich te verontschuldigen, dat hij die aanmaning herhaalde, omdat daarin niets vermoeiends of lastigs gelezen is! Ook zou het "dezelfde dingen aan u te schrijven" over hetgeen Paulus tot hiertoe over het zich verblijden van de Filippensen, in vergelijking van hetgeen nog elders voorgekomen is, geschreven had, zeker te veel gezegd zijn. Daarentegen wijst het "en het is zeker" zo bepaald mogelijk daarop, dat de apostel een gevaar, dat de zielen van de Filippensen bedreigde, op het oog heeft en over zo een wordt werkelijk gehandeld bij de vermaning, die in Vers 2 volgt. Als deze opvatting noodzakelijk dringt tot de vroeger door ons verdedigde mening, dat het "dezelfde dingen aan u te schrijven" op nog andere brieven doelt, die Paulus reeds vroeger aan de Filippensen heeft geschreven, maar voor ons zijn verloren gegaan, heeft die opvatting niets onaannemelijks. Reeds in 1 Corinthiërs 9:5 werden wij gedrongen tot een dergelijke veronderstelling ten opzichte van de Corinthiërs. Ook wordt bij Polycarpus, een leerling van de apostel Johannes, in de brief, die hij aan de gemeente te Filippi geschreven heeft, inderdaad een plaats gevonden, waarin deze gewezen wordt op de brieven, die Paulus aan haar heeft geschreven. Het ligt toch ook voor de hand, dat de apostel, die meer dan eens van de Filippensen ondersteuning ontving en aannam (Hoofdstuk 4:15. 2 Corinthiërs 11:8 v.), hen daarvoor ook een schrijven zal hebben gezonden en als hij in Hoofdstuk 4:15 zegt, dat de gemeente hem heeft meegedeeld tot rekening van uitgaaf en ontvangst dan wordt dat vermoeden bepaald tot zekerheid verheven. Nu was ook die tijd, toen tussen Paulus en de Filippensen zo'n wederzijds verkeer plaats vond, de toestand wel zo, dat de apostel zich gedrongen moest voelen, om zijn geliefde gemeente tegen de invloed van Judaïstische dwaalleer te waarschuwen, opdat zij niet met deze in aanraking zouden komen, noch zich door hen op verkeerde wegen zouden laten leiden. Toen toch, vooral gedurende het anderhalfjarig verblijf van Paulus te Corinthiërs (Handelingen 18:18), heeft naar allen schijn de partij van de Judaïsten zich tot een bepaalde tegenpartij tegenover hem en zijn werk gevormd ("Ac 18:22 en "Ac 18:23, zoals het dan ook snel daarna te Antiochië gekomen is tot de botsing tussen hen aan de ene en Paulus en Barnabas aan de andere kant (Galaten 2:11). Nu heeft zich de apostel wel niet reeds toen in zijn schrijven aan de Filippensen van dezelfde scherpe uitdrukkingen bediend, die hij hier in Vers 12 gebruikt. Zij zijn hem op onze plaats ingegeven door de ervaringen, die hij in de tussentijd over die personen had opgedaan en waardoor hij voldoende hun onbeschaamd opdringen, waarmee zij zich van zijn arbeidsveld probeerden meester te maken (2 Corinthiërs 10:15) en hun verderfelijk drijven om de gemeenten, door hem gesticht, te verderven, had leren kennen. Nadat hij nu reeds gedurende bijna een tiental jaren zich had vermoeid, om de waarde en onwaarde van de besnijdenis in het juiste licht te stellen, kan hij hen, die noch voor het ene, noch voor het andere begrip hadden, maar de besnijdenis tot een vorm verlaagden, in hun ijveren ervoor en in hun trots op het bezit ervan, de versnijding noemen, want bij hen was alle godsdienstige en zedelijke betekenis van deze ceremonie verloren gegaan. Zo waren zij, terwijl zij aan het uitwendig teken van het vlees zo groot gewicht hechtten, eigenlijk slechts lichamelijk verminkten (vgl. Leviticus 21:5. 1 Koningen 18:28 en niet in waarheid door God geheiligden. Deze zijn nu, nadat Christus is verschenen en ook de heidenen in Zijn rijk heeft opgenomen, alleen de ware gelovigen in Christus, die God in Geest en in waarheid dienen en hun vertrouwen niet stellen op het vlees, maar op de genade, die hen in Christus Jezus wordt aangeboden en door hen aangenomen is. Zonder twijfel doelt het woord van de apostel niet zozeer op Judaïserende ketters, die te Filippi onmiddellijke invloed hadden verkregen (omdat volgens onze mening Lukas daar gedurende de jaren 52-58 gestationeerd was, waagden zij wellicht toen niet in deze Paulinische gemeente in te dringen), maar daarom geeft zich meer dat gevoel lucht, dat door hun zoeken en werken op andere plaatsen in hem is opgewekt (vgl. Galaten 5:12). Nu wil hij door een scherpe voorstelling van hun karakter voorkomen, dat zij niet misschien, als hij de offerdood ondergaat, in Hoofdstuk 2:17 voorgesteld, na zijn heengaan ook de Filippensen, die tot hiertoe voor hem bewaard waren gebleven, zouden verleiden (vgl. Handelingen 20:29).