Filippenzen 3:17-21
Hij besluit dit hoofdstuk met vermaningen en waarschuwingen.
I. Hij waarschuwt hen tegen het volgen van het voorbeeld der verleiders en valse leraren, vers 18, 19. Want velen wandelen anders, van dewelke ik u dikmaals gezegd heb en nu ook wenende zeg, dat zij vijanden van het kruis van Christus zijn. Merk op:
1. Er worden velen Christenen genoemd, die vijanden van het kruis van Christus zijn, en van de betekenis en bedoeling van dat kruis. Hun wandel is een zekerder kenmerk van hun waren aard dan hun belijdenis. Aan hun vruchten zal men hen kennen, Mattheus 7:20. De apostel waarschuwt ons tegen dezulken.
A. Zeer dikwijls: ik heb u dikmaals gezegd. Wij letten zo weinig op ons gegeven waarschuwingen, dat ze dikmaals herhaald moeten worden. Hetzelfde te schrijven is nuttig, vers 1.
B. Met gevoel en toegenegenheid. Ik zeg het u nu wenende. Paulus was bij sommige gelegenheden een wenende prediker, gelijk Jeremia een wenende profeet was. Merk op: Een oude leerrede kan met nieuwe bezieling gehouden worden, hetgeen wij dikwijls zeggen, kunnen wij met aandrang zeggen, omdat wij zelven onder den invloed ervan zijn.
2. Hij geeft de kenmerken op van hen, die vijanden van het kruis van Christus zijn.
A. Hun god is hun buik. Zij denken aan niets anders dan aan vleselijke lusten. Dat is een ellendige afgod, een schande voor ieder, maar vooral voor de Christenen. Zij offeren daaraan de gunst van God, den vrede van hun geweten en hun eeuwige zaligheid op. Gulzigaards en dronkaards maken een god van hun buik en al hun zorg is die genoegen te doen en te verzorgen. Dezelfde toewijding, die godvrezenden aan God geven, schenken zij aan hun lusten. Van dezulken heeft hij gezegd: Zij dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hun buik, Romeinen 16:18.
B. Welker heerlijkheid is in hun schande. Zij zijn niet alleen zondig, maar roemen er op en verheerlijken zich met datgene, waarover zij zich moesten schamen. De zonde is de schande des zondaars, vooral wanneer hij er zich op beroemt. Zij verheffen zich op hetgeen hun vloek en straf is.
C. Welke aardse dingen bedenken. Christus leed aan het kruis opdat de wereld ons gekruisigd zou zijn en wij der wereld. Zij, die aardse dingen bedenken, stellen zich dus lijnrecht tegenover het kruis van Christus en zijn doel. Zij bedenken aardse dingen, maar bedenken niet de geestelijke en hemelse dingen. Zij zetten hun hart en genegenheid op aardse dingen, die hebben ze lief, die koesteren ze, daarin hebben zij vertrouwen en voldoening. Hij laat dit kenmerk zien, om aan te tonen hoe dwaas het is als Christenen het voorbeeld van dezulken zouden volgen en zich door hen laten leiden. En om ons daarvan terug te houden, vermeldt hij hun vonnis:
D. Welker einde is het verderf. Hun weg schijnt aangenaam, maar het einde is dood en hel. Wat vrucht had gij dan van de dingen, waarover gij u nu schaamt? Want het einde van deze dingen is de dood, Romeinen 6:21. Het is gevaarlijk hen te volgen, ofschoon het stroomafwaarts gaat, want, indien wij hun weg gaan, hebben wij reden om voor het einde te vrezen. Wellicht doelt hij hier ook op de gehele verwoesting van het Joodse volk.
II. Hij stelt zich zelven en zijne broederen ten voorbeeld in tegenstelling van deze slechte voorbeelden. Weest mede mijne navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt, vers 17. Neemt hen tot uw voorgangers. Hij zegt, vers 20, ten opzichte van Christus en den hemel: Maar onze wandel is in de hemelen. Ware Christenen hebben, ook terwijl zij op aarde verkeren, hun wandel in de hemelen. Hun burgerschap, politeuma, is daar. Wij staan met die wereld in betrekking en zijn burgers van het Nieuwe Jeruzalem. Niet deze wereld, maar die andere, is ons tehuis. Onze grootste voorrechten en belangen zijn dáár. En omdat ons burgerschap daar is, is ook onze wandel daar, aangezien wij betrekking hebben op die wereld, moeten wij er verkeer mee aanknopen. Het leven van een Christen is in den hemel, waar zijn hoofd is, en zijn huis, en waar hij eerlang zelf hoopt te zijn. Hij zet zijn hart op de dingen, die boven zijn, en waar zijn hart is, daar zal ook zijn omgang zijn. De apostel heeft bij hen aangedrongen op het volgen van hem en andere dienaren van Christus. Zij zouden kunnen zeggen: "Waarom zijt gij de metgezel van een arm, veracht en vervolgd volk? Waarom treedt gij niet op en maakt u voorspoedig in de wereld? Wie zou u volgen?" "Welnu", zegt hij, "onze wandel is in de hemelen. Wij hebben nauwe betrekking met en grote aanspraak op die andere wereld, en zijn niet zo laag en verachtelijk als gij u voorstelt." Het is goed gemeenschap te hebben met hen, die gemeenschap hebben met Christus, en omgang met hen, wier wandel in de hemelen is.
1. Omdat wij onzen Zaligmaker uit den hemel verwachten, vers 20. Waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus. Hij is niet hier, Hij is opgevaren, Hij is voor ons achter het voorhangsel ingegaan, en wij verwachten vandaar Zijne wederkomst, om al de burgers van het Nieuwe Jeruzalem tot zich te vergaderen.
2. Omdat wij verwachten bij de wederkomst van Christus daar gelukkig en verheerlijkt te zullen worden. Er is goede reden om onzen wandel in de hemelen te hebben, niet alleen omdat Christus nu daar is, maar ook omdat wij er binnenkort hopen te zijn. Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, vers 21. Er wordt ene heerlijkheid bewaard voor de lichamen der heiligen, die hun bij de opstanding geschonken zal worden. Het lichaam is nu op zijn best een vernederd lichaam, to sooma tês tapeinoose oos hêmoon, het lichaam onzer vernedering. Het heeft zijn oorsprong uit de aarde, het wordt van uit de aarde onderhouden, en is onderhevig aan vele ziekten en ten slotte aan den dood. Bovendien is het menigmaal de oorzaak en het werktuig van vele zonden, waarom het genoemd wordt het lichaam des doods, Romeinen 7:24. Het kan ook verstaan worden van de vernedering des lichaams, wanneer het in het graf ligt, tot aan de opstanding zal het een vernederd lichaam zijn, onderworpen aan bederf, vergaan tot stof, het stof keert wederom tot de aarde, Prediker 12:7. Maar het zal veranderd worden in een heerlijk lichaam, en niet alleen opstaan ten leven maar ook tot grote verbetering.
A. Het voorbeeld van deze verandering is het heerlijk lichaam van Christus, toen Hij van gedaante veranderd werd op den berg, Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijne klederen werden wit gelijk het licht, Mattheus 17:2. Hij voer ten hemel, bekleed met een lichaam, opdat Hij in onze natuur van de erfenis bezit nemen zou, en opdat Hij niet alleen zou zijn de eerstgeborene uit de doden, maar ook de eerstgeborene van de kinderen der opstanding. Wij zullen gelijk zijn aan het beeld Zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen, Romeinen 8:29. B. De macht, waardoor deze verandering gewrocht wordt. Naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen zich zelven kan onderwerpen, vers 30. Er is een grootheid van macht, de uitnemende grootheid Zijner macht, en de werking Zijner macht, Efeze 1:19. Het is een reden van troost voor ons, dat Hij alle dingen aan zich zelven kan onderwerpen, en dat Hij vroeger of later alle dingen aan Zijne belangen onderwerpen zal. En de wederopstanding zal door deze macht gewerkt worden. Ik zal hem opwekken ten uitersten dage, Johannes 6:44. Laat ons ons geloof aan deze wederopstanding versterken, zodat wij niet alleen de Schrift hebben, die er ons de verzekering van geeft, maar ook kennen de kracht Gods, die haar bewerkstelligen zal, Mattheus 22:29. Gelijk de opstanding van Christus een teken van Zijn goddelijke macht was, en Hij daarom krachtiglijk bewezen is de Zoon van God te zijn door de opstanding uit de doden, Romeinen 1:4, zo zal onze opstanding ook zijn, want Zijne opstanding is het blijvend bewijs en het voorbeeld van de onze. En dán zullen alle vijanden van den Verlosser volkomen overwonnen zijn. Niet alleen hij, die het geweld des doods had, dat is de duivel, Hebreeën 2:14, maar ook de laatste vijand, dat is de dood, zal vernietigd zijn, 1 Corinthiërs 15:26, verslonden ter overwinning, vers 54.