Jeremia 3:20-25
Hier is:
I. De beschuldiging, door God ingebracht tegen Israël om hun verraderlijk verlaten van Hem, vers 20. Gelijk een overspelige vrouw van haar echtgenoot wegloopt, zo hebben zij trouwelooslijk jegens Hem gehandeld. Zij waren door een huwelijksverbond met God verenigd maar zij hebben dat verbond verbroken, zij hebben trouwelooslijk jegens God gehandeld die altijd zo vriendelijk en trouw voor hen geweest was. Het is slecht genoeg om trouwlooslijk te handelen jegens mensen gelijk wij zelf zijn, maar trouwloosheid jegens God te handelen is hoogverraad.
II. Hun overtuiging en belijdenis van de waarheid van deze beschuldiging, vers 21. Wanneer God hen bestrafte over hun afval van Hem waren er onder hen sommigen-en wel deze die God nemen en naar Zion wederbrengen zou, wier stem gehoord werd op de hoge plaatsen, wenende en smekende, die zich vernederden voor de God hunner vaderen, hun zonden en misdaden als de oorzaken van hun ellenden betreurden, want hierover weenden en bestraften zij zichzelf dat zij hun weg verkeerd en de Heere hun God vergeten hadden.
1. De zonde is het verkeren van onze weg, het is afwijken naar kromme wegen en het buigen van hetgeen recht is.
2. Het vergeten van de Heere onze God is de grondslag van al onze zonden. Wanneer de mensen zich God wilden herinneren, en hoe Zijn oog op hen gericht is en wat zij Hem verplicht zijn, dan zullen zij niet zo vertreden als ze doen.
3. Door de zonde brengen wij onszelf in moeite, benadelen onszelf, en dat is ook onze weg verkeren, Klaagliederen 3:9.
4. Tranen en gebeden zullen verlichting geven aan hen, wier geweten hun zegt, dat zij hun wegen verkeerd en hun God vergeten hebben. "des mensen eigen dwaasheid verderft zijn weg en dan is zijn hart gramstorig op de Heere," Spreuken 19:3, terwijl het vertederd en door de Heere uitgestort worden moest.
III. Gods uitnodiging om tot Hem weer te keren vers 22 : keert weer, gij afkerige kinderen! Hij noemt hen vol tederheid en medelijden met hen, kinderen, dwaze en weerspannige kinderen, toch zijn zonen, die Hij berispt, maar niet wil onterven, want of schoon zij tegenstrevende kinderen zijn, toch zijn zij kinderen. God verdraagt zulke kinderen, en dat moeten ouders ook doen. Wanneer zij overtuigd zijn van zonden, vers 21, en er over verootmoedigd, dan zijn zij voorbereid en worden uitgenodigd om weer te keren, gelijk Christus tot Zich roept allen die vermoeid en belast zijn. De belofte aan hen, die terugkeren, is: Ik zal uw afkeringen genezen. Ik zal u vertroosten onder het leed dat gij over uw afkeringen draagt, en u genezen van uw weerspannigheid en geneigdheid om af te keren. God zal onze afkeringen genezen door Zijn vergevende genade, zijn geruststellende vrede en Zijn vernieuwde gunst.
IV. Zij geven geredelijk gehoor aan deze uitnodiging en stemmen er gaarne in toe: Zie hier zijn wij, wij komen tot U. Dat is de echo op Gods roepstem, gelijk de klank terugkeert van een gescheurde muur, zo keert deze klank terug uit verbroken harten. God zegt: keert weer, zij antwoorden: Zie, hier zijn wij! Het is een onmiddellijk antwoord, zonder enige vertraging. Niet: wij zullen straks komen, maar: Hier zijn wij! Wij komen! wij hebben geen tijd nodig om er over te denken. Niet: wij zijn bezig met naar u toe te komen! maar wij komen tot u, rechtstreeks en zonder oponthoud.
Eenparig antwoorden zij: Wij komen, allen zo goed als een.
1. Zij komen zich aan God toewijden als aan hun God. Gij zijt de Heere onze God. Wij erkennen U als onze God, wij geven onszelf aan U, tot Wien zullen wij gaan dan tot U? Het is onze zonde en onze dwaasheid dat wij van U afgegaan zijn. Het is zeer troostrijk, wanneer wij na onze afkeringen tot God wederkomen, op Hem te zien als onze God door het verbond.
2. Zij komen terwijl zij alle verwachting van verlichting en hulp, behalve van God, verwerpen. Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte van de bergen, wij zien nu hoe dwaas het van ons was vertrouwen te stellen op onze medeschepselen, en zullen onszelf nooit meer op deze wijze bedriegen. Zij aanbaden hun af goden op heuvelen en bergen, vers 6, en zij hadden een menigte afgoden op hun bergen, welke zij gezocht en in welke zij vertrouwen gesteld hadden, maar nu willen zij daarmee niets meer te doen hebben. Tevergeefs zien wij uit naar enig goed van hen, terwijl wij op God mogen zien voor alles wat goed is, zelfs voor onze zaligheid.
3. Zij komen derhalve in afhankelijkheid van God als hun God. Waarlijk, in de Heere onze God is Israëls heil. Hij is de Heere en Hij alleen kan verlossen, Hij kan verlossen als alle andere hulp en redding tekort schiet. En Hij is onze God, en zal op Zijn eigen tijd en wijze verlossing voor ons bewerken. Dit is zeer toepasselijk op de grote verlossing van zonde welke Jezus Christus voor ons bewerkt heeft dat is de verlossing, het heil des Heeren, Zijn grote verlossing
4. Zij komen God rechtvaardigende in hun beproevingen en zichzelf veroordelende om hun zonden, vers 24, 25.
a. Zij wijten al de ellenden, die hen getroffen hebben aan hun afgoden, die hun niet slechts geen goed gedaan, maar overvloed van ellende bezorgd hadden, alle ellende die hun aangedaan was. De schaamte (dat schandelijke ding, dat afgod heet en waarvoor men zich schamen moet) heeft de arbeid van onze vaderen opgegeten. Ware berouwhebbenden hebben geleerd de zonde schaamte te noemen, zelfs de geliefkoosde zonde, die hun als een afgod was, waarin zij het meeste genoegen gesmaakt hebben en waar zij trots op waren, zelfs die zullen zij een schandelijk ding noemen, zullen er over op zichzelf toornen en er zich voor schamen. Ware berouwhebbenden hebben geleerd de zonde dood en verwoesting te noemen, en haar te beschuldigen van al hun ellende. De zonde heeft alle goede dingen opgegeten waarvoor onze vaderen gewerkt en die zij ons achtergelaten hebben, van onze jeugd aan hebben wij ondervonden dat onze afgoderij de verwoesting van onze voorspoed geweest is. Kinderen werpen dikwijls aan hun begeerlijkheden weg hetgeen hun vaderen met veel moeite verzameld hebben, en het is nog goed indien zij (gelijk deze kinderen) eindelijk er toe komen om de dwaasheid daarvan in te zien en deze ondeugden hun schaamte te noemen, die hun bezittingen en de arbeid hunner vaderen opgegeten heeft. Van die arbeid hunner vaderen, welke door hun afgoden verslonden werd, noemen zij bepaaldelijk hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochteren. Ten eerste: Hun afgoderijen hadden God genoodzaakt deze verwoestende oordelen over hen te brengen, welke hun land en hun gezinnen vernield hadden, hun bezittingen tot een roof gemaakt en hun kinderen tot gevangenen van de overwinnenden vijand. Zij hadden deze oordelen zelf over zich gebracht. Of:
Ten tweede. Die bezittingen en kinderen waren aan de afgoden geofferd. "Zij wijdden zich aan de schandgod" Hosea 9:10 en deze had ze meedogenloos verslonden, zij aten het vet van hun offeranden, Deuteronomium 32-38 zelfs van de mensenoffers.
Zij nemen op zich de schande van hun zonde en dwaasheid, vers 25. Wij liggen in onze schaamte, wij zijn onmachtig ons daaronder vandaan op te heffen, en onze schande overdekt ons, zowel de schande van de oordelen als die van onze zonden. De zonde heeft ons gebracht onder zulke kastijdingen van Gods voorzienigheid en zulke verwijten van ons eigen geweten, dat wij ons omringen en vervullen met schaamte. Want wij hebben gezondigd, en de schande kwam gelijk met de zonde en rust nog op ons. Wij zijn zondaren door afstamming, schuld en verdorvenheid zijn ons ingeboren. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. Wij werden spoedig zondaars, en begonnen reeds jong aan de zonden te gewennen. Wij hebben gezondigd van onze jeugd, wij zijn voortgegaan met zondigen, wij hebben gezondigd tot op deze dag, ofschoon dikwijls geroepen om er berouw over te hebben en ze na te laten. Het slechtste en laagste in de zonde is dat wij er God door beledigd hebben. Wij zijn de stem des Heeren onzes Gods niet gehoorzaam geweest, die ons het zondigen verbood en ons beval over onze zonden berouw te betonen. Dit schijnt alles de taal van de berouwhebbenden van het huis Israëls te zijn, (vers 20) van de tien stammen, hetzij van hen die nog in ballingschap waren of van hen die reeds in hun land teruggekeerd waren. En de profeet neemt nota van hun berouw en wekt de mannen van Juda op om heilig hun voorbeeld te volgen. David gebruikte als een argument bij mannen van Juda dat het voor hen, die zijn been en vlees waren, schande zou zijn indien de mannen van de overige stammen hen voor zouden zijn in het wederbrengen van de koning, 2 Samuël 19:11, 12. Evenzo wekt de profeet Juda tot berouw op om het voorbeeld van Israël. Het zou goed zijn indien op die wijze de ijver van anderen ons aanspoorde om te trachten hen voor te komen in hetgeen goed is.