Handelingen 3:1-11
In hoofdstuk 2:43 werd ons in het algemeen gezegd, dat vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen, welke niet geschreven zijn in dit boek, maar hier is er ons een van gegeven als een voorbeeld. Gelijk zij wonderen werkten, niet aan iedereen, naar gelang iedereen ze nodig had, maar naar gelang de Heilige Geest er hun aanwijzing toe gaf ter beantwoording aan het doel van hun opdracht, zo zijn ook al de wonderen, die zij werkten, niet in dit boek geschreven, maar zijn alleen de zodanige vermeld, als de Heilige Geest geschikt oordeelde ter beantwoording aan het doel der gewijde geschiedenis.
I. De personen, door wie dit wonder werd gewrocht, waren Petrus en Johannes, twee der voornaamsten onder de apostelen. Zij waren dit reeds in Christus' tijd, de een meestal de woordvoerder van het gezelschap, de ander de gunstgenoot zijns Meesters, en zij bleven dit. Toen, na de bekering van duizenden, de gemeente verdeeld was in onderscheidene groepen, of gezelschappen, zijn Petrus en Johannes wellicht de voorgangers geweest van die afdeling, welke door Lukas werd bezocht, of waartoe hij behoorde, vandaar dat hij meer in het bijzonder verhaalt wat zij spraken en deden, gelijk later wat Paulus zei en deed, toen hij zich bij hem aansloot en hem vergezelde, beiden waren echter bedoeld als voorbeelden van hetgeen ook de andere apostelen gedaan hebben. Petrus en Johannes hadden ieder een broeder onder de twaalven, met wie zij saamgevoegd werden bij hun uitzending, maar nu schijnen zij nog inniger saamverbonden aan elkaar, dan zij aan hun broeder waren, want de band der vriendschap is soms sterker dan die der bloedverwantschap: er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder. Petrus en Johannes schijnen zeer bijzonder en innig vertrouwelijk met elkaar, na Christus' opstanding, meer dan te voren, Johannes 20:2. De reden hiervan (indien het mij geoorloofd is ene gissing te wagen) zou kunnen wezen, dat Johannes, een discipel, die geheel liefde was, zich meer medelijdend betoond heeft met Petrus bij zijn' val en zijn berouw, en meer teder jegens hem bij zijn bitter wenen, dan de andere apostelen, en vuriger was in zijn verlangen om hem hersteld te zien in den geest der zachtmoedigheid, waardoor hij zeer dierbaar werd aan Petrus, en het was een goed bewijs, dat Petrus nadat zijn berouw door God aangenomen was, dat Christus' gunstgenoot zijn boezemvriend is geworden. David heeft, na zijn val gebeden: Laat hen tot mij keren, die U vrezen, Psalm 119:79.
II. Tijd en plaats worden hier vermeld:
1. Het was in den tempel, werwaarts Petrus en Johannes te zamen opgingen, omdat het de plaats der samenkomst was. Dáár waren de scholen van vissen, onder welke het Evangelienet uitgeworpen moest worden, inzonderheid gedurende het Pinksterfeest, omtrent welken tijd wij kunnen veronderstellen, dat het heeft plaats gehad. Het is goed om op te gaan naar den tempel en deel te nemen aan de openbare inzettingen, en het is liefelijk om te zamen op te gaan naar den tempel: Ik verblijde mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren gaan. Het beste gezelschap is gezelschap in de aanbidding Gods.
2. Het was omtrent de ure des gebeds, een der uren bestemd voor de openlijke Godsverering en door de Joden waargenomen. Tijd en plaats zijn twee noodzakelijke omstandigheden bij iedere daad, of handeling, die bepaald moeten worden door overeenstemming en naar dit het meest geschikt is voor stichting. Met betrekking tot den openbaren eredienst moet er een huis des gebeds wezen en ene ure des gebeds. De negende ure, dat is: drie uur na den middag, was een der uren van gebed onder de Joden, negen uur des morgens, en twaalf uur des middags waren de andere twee. Zie Psalm 55:18, Daniël 6:11. Het is nuttig voor Christenen om hun vaste uren des gebeds te hebben, in zo ver het kan dienen om hen aan dien plicht te herinneren, zonder daarbij hun geweten te binden: Alles is schoon op zijn tijd.
III. De zieke, op wie deze wonder-genezing gewerkt werd, wordt hier beschreven, vers 2. Hij was een arme, kreupele bedelaar aan de poort des tempels.
1. Hij was kreupel, niet door een ongeval, maar kreupel geboren, hij was kreupel van zijner moeders lijf, door ene kwaal van verlamming, die zijne leden verzwakte, want in de beschrijving zijner genezing wordt gezegd: zijne voeten en enkelen werden vast, vers 7. Nu en dan komen zulke treurige toestanden voor, en wij behoren er innig medelijden mede te gevoelen. Zij zijn bedoeld om ons te tonen wat wij allen in geestelijken zin van nature zijn: zonder kracht, kreupel van onze geboorte af, niet in staat om in den dienst van God te werken of te wandelen.
2. Hij was een bedelaar. Niet in staat om te werken voor zijn brood, moet hij leven van aalmoezen, zodanige zijn Gods armen. Hij werd dagelijks door zijne vrienden aan de deur des tempels gezet, een treurig schouwspel, onbekwaam om iets anders voor zich zelven te doen dan ene aalmoes te begeren van degenen, die in den tempel gingen, of er uit kwamen. Er was ene samenstroming van goede, vrome lieden, van wie liefdadigheid verwacht kon worden en ene samenkomst van zulke mensen op een tijd, wanneer men kon hopen, dat zij in den besten gemoedstoestand waren. Dáár werd hij dus nedergezet. Zij, die behoeftig zijn, en niet kunnen werken, moeten zich niet schamen te bedelen. Hij zou daar niet nedergezet zijn, en dat nog wel dagelijks, indien hij niet gewoon was dagelijks iets te ontvangen. Onze gebeden en onze aalmoezen behoren samen te gaan. Zo was het met die van Cornelius, Hoofdstuk 10:4. Voorwerpen van barmhartigheid moeten ons inzonderheid welkom zijn, als wij opgaan naar den tempel om te bidden. Het is zo jammer, dat er onder de gewone bedelaars aan kerkdeuren sommigen zijn van zulk een karakter, dat zij ene ontmoediging zijn voor de liefdadigheid, maar men behoort ze niet altijd voorbij te zien, er zijn voorzeker wel sommigen bij, die achtingswaardig zijn en het is beter om tien hommels, ja, en zelfs sommige wespen, te voeden, dan ene bij te laten sterven van honger. De poort van den tempel, waarbij hij nedergezet werd, wordt hier genoemd: zij was de Schone genaamd, van wege hare buitengewone pracht en sierlijkheid. Dr. Lightfoot zegt, dat dit de poort was, die uit den voorhof der Heidenen naar dien der Joden voerde, en hij onderstelt, dat de kreupele alleen aan de Joden om ene aalmoes vroeg, het versmadende om iets van de Heidenen te vragen. Maar Dr. Whitby is van mening, dat zij de eerste ingang tot den tempel was, zoals het voegde voor den voorgevel van de plaats, waarin de Goddelijke Majesteit zich verwaardigde te wonen, en het verminderde de schoonheid niet van deze poort, dat er een arme man zat te bedelen.
3. Hij begeerde van Petrus en Johannes, vers 3, ene aalmoes, dat was het uiterste, dat hij van hen hoopte, die den naam hadden van liefdadige mensen te zijn, en die, hoewel zij niet veel hadden, toch goed deden met wat zij hadden. Het was niet vele weken geleden, dat blinden en kreupelen tot Christus kwamen in den tempel, en er genezen werden, Mattheus 21:14. En waarom zou hij niet meer dan ene aalmoes hebben kunnen vragen, indien hij wist, dat Petrus en Johannes Christus' boodschappers waren, en in Zijn' naam predikten en wonderen deden? Maar aan hem werd gedaan wat hij niet verwachtte, hij vroeg om ene aalmoes, en ontving genezing. IV. Wij zien hier de methode van de genezing.
1. Zijne verwachting werd opgewekt. In plaats van zijne ogen van hem af te wenden, zoals velen hun ogen afwenden van voorwerpen van barmhartigheid, heeft Petrus zijne ogen op hem gericht, ja, hij heeft sterk op hem gezien, opdat zijne ogen zijn hart met medelijden voor hem zouden bewegen, vers 4. Ook Johannes deed dit, want beiden werden zij geleid door een en dezelfden Geest, en hebben te zamen dit wonder gewerkt, zij zeiden: zie op ons. Ons oog moet altijd op den Heere gericht zijn (het oog van onzen geest), en, ten teken hiervan, moet het lichamelijk oog gericht zijn op hen, die door Hem als de dienaren Zijner genade worden gebruikt. Aan dezen man behoefde het niet tweemaal gezegd te worden, om op de apostelen te zien, want hij heeft terecht gedacht, dat dit hem reden gaf om te verwachten, dat hij iets van hen ontvangen zou, en daarom achtte hij op hen, vers 5. Wij moeten tot God komen, om acht te geven op Zijn woord, en om ons tot Hem te wenden in het gebed, met een bereid hart en ene opgewekte verwachting. Wij moeten opzien naar den hemel, en goeds voor ons verwachten door hetgeen God van daar spreekt, en een antwoord des vredes op het gebed, dat wij derwaarts hebben opgezonden. Ik zal mijn gebed tot U richten en opzien, Psalm 5:4. 1)
2. Zijne verwachting van ene aalmoes werd teleurgesteld. "Petrus zei: Zilver en goud heb ik niet, en dus ook niet om u te geven": maar hij gaf te kennen, dat indien hij het had, hij hem wel ene aalmoes zou geven, geen koper, maar zilver of goud. Hierbij valt op te merken: Ten eerste. Het is niet dikwijls, dat Christus' vrienden en gunstgenoten overvloed hebben van den rijkdom dezer wereld. De apostelen waren zeer arm, hadden maar even genoeg voor zich zelven, en niets over. Zeer veel geld werd aan de voeten van Petrus en Johannes gelegd, maar dit was bestemd voor het onderhoud van de armen der gemeente, en zij wilden er niets van aanwenden tot hun eigen gebruik, noch op andere wijze er over beschikken dan overeenkomstig de bedoeling van de gevers. Wanneer ons openbare fondsen worden toevertrouwd, dan moeten wij zeer nauwgezet zijn in het beheer er van. Ten tweede. Velen, die hart hebben voor werken van barmhartigheid, zijn toch niet in staat om veel te doen, terwijl er anderen zijn, die wel vermogen, maar, geen hart hebben om iets te doen.
3. Desniettemin werden zijne verwachtingen overtroffen. Petrus had geen geld om hem te geven, maar hij had wat beters: zo groten invloed in den hemel, zulk ene macht van den hemel, als waardoor hij in staat was hem van zijne ziekte te genezen. Zij, die arm zijn in de wereld, kunnen toch rijk zijn, zeer rijk, in geestelijke gaven, genade en vertroosting. Er is gewis iets, dat wij kunnen bezitten en dat oneindig beter is dan zilver en goud, en de koophandel daarvan en het gewin zijn beter, Job 28:12 enz., Spreuken 3:14 en verder. Hij gaf hem wat beter was-de genezing van zijne kwaal, waarvoor hij gaarne zeer veel goud en zilver gegeven zou hebben, indien hij het had gehad, en indien de genezing op die wijze verkregen had kunnen worden. Dit zal hem nu in staat stellen om te werken voor zijn levensonderhoud, zodat hij niet meer nodig heeft te bedelen, ja meer, hij zal nu iets hebben te geven aan hen, die het nodig hebben, en, het is zaliger te geven dan te ontvangen. Ene wonderbare genezing zal een groter blijk wezen van Gods gunst, en hem meer eer aandoen dan duizenden van goud of zilver. Merk op: Petrus heeft geen goud of zilver te geven, maar (zegt hij) hetgeen ik heb, dat geef ik u. Zij, die het vermogen niet hebben om iets te geven tot liefdadige doeleinden, kunnen, en behoren, op ene andere wijze liefdadig en behulpzaam te zijn: zij, die geen zilver of goud hebben, hebben hun ledematen en hun zintuigen, en daarmee kunnen zij hulpvaardig wezen voor de blinden, en kreupelen, en kranken, en als zij dit niet zijn, wanneer zij er de gelegenheid toe hebben, dan zouden zij hun ook geen zilver of goud geven, al hadden zij het. Een iegelijk, gelijk hij gaven ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen. Laat ons nu zien, hoe de genezing gewerkt werd.
A. Christus zond Zijn woord uit, en heelde hem, Psalm 107:20, want door het woord van Christus wordt helende genade gegeven, dat is het voertuig van de geneeskracht, ontleend aan Christus. Christus sprak genezingen door zich zelven, de apostelen spraken ze in Zijn' naam. Petrus heet een kreupele op te staan en te wandelen, hetgeen ene bespotting van hem geweest zou zijn, indien hij het niet had gedaan in den naam van Jezus Christus, den Nazarener:" Ik zeg het, door Hem daartoe gemachtigd zijnde, en het zal geschieden door Zijne macht, en al de lof en eer zullen er Hem voor toegeschreven worden". Hij noemt Hem den Nazarener, dat een naam der versmaadheid was, om aan te duiden, dat de smaad en schande, Hem aangedaan op aarde, slechts dienden, om Zijne heerlijkheid des te schitterender te doen uitkomen, nu Hij in den hemel is. "Geef Hem welken naam gij wilt, noem Hem, zo gij lust hebt, in smaad en verachting Jezus den Nazarener, in dien naam zult gij wonderen zien gebeuren, want wijl Hij zich aldus vernederd heeft, is Hij aldus verhoogd". Hij zegt den kreupele op te staan en te wandelen, hetgeen niet bewijst, dat hij in zich zelven de kracht daartoe had, maar dat hij, indien hij poogde op te staan en te wandelen, en, bij de bewustheid van zijne eigene onmacht, steunde op de kracht Gods, die hem er toe in staat zou stellen, er ook werkelijk toe in staat gesteld zal worden, en door op te staan en te wandelen moet hij er getuigenis van geven, dat die kracht in hem gewerkt was, en laat hij er dan de vertroosting van smaken en Gode de dankzegging worden toegebracht. Zo gaat het ook in de genezing onzer zielen, die in geestelijken zin onmachtig zijn.
B. Petrus reikte hem de hand, en hielp hem, vers 7. Hem grijpende bij de rechterhand, in dezelfden naam waarin hij tot hem had gezegd op te staan en te wandelen, richtte hij hem op. Niet dat dit op enigerlei wijze kon bijdragen tot zijne genezing, maar het was een teken, duidelijk te kennen gevende de hulp, die Hij van God zou ontvangen, indien hij de poging wilde doen, die hem gezegd was te doen. Als God ons gebiedt door Zijn woord op te staan en te wandelen in den weg van Zijne geboden, indien wij met dat woord geloof mengen, en onze ziel onder de macht er van stellen, dan zal Hij Zijn Geest geven, om ons bij de hand te nemen en ons op te richten. Als wij er ons toe zetten om te doen wat wij kunnen, dan heeft God Zijne genade beloofd om ons in staat te stellen te doen wat wij niet kunnen, en door die belofte delen wij in ene nieuwe natuur, en die genade zal niet te vergeefs zijn. Zij was dit hier ook niet: terstond werden zijne voeten en enkelen vast. Zij ontvingen kracht, die zij niet zouden ontvangen hebben, indien hij niet beproefd had op te staan, hij doet wat hij doen moet, en Petrus doet wat zijn werk is, en toch is het Christus, die het alles doet: Hij is het, die hem bekrachtigt. Gelijk het brood vermenigvuldigd werd onder het breken, en het water in wijn werd verkeerd bij het uitgieten, zo werd kracht gelegd in de voeten van den kreupele, terwijl hij ze bewoog om ze te gebruiken.
V. De indruk, door deze genezing teweeggebracht op den zieke zelven, dien wij ons het best kunnen voorstellen, als wij onze ziel in de plaats stellen van zijne ziel.
1. Hij sprong op, in gehoorzaamheid aan het bevel: Sta op. Hij bevond, dat er zulk ene kracht was in zijne voeten en enkelen, dat hij niet zachtkens opstond, als met vreze en beven, zoals zwakke mensen, als zij weer kracht beginnen te krijgen, maar hij sprong overeind, zoals iemand, die verkwikt is door den slaap, kloek en vlug, als iemand, die niet twijfelt aan zijne kracht. Dat inkomen van kracht was plotseling, en niet minder vaardig was hij om haar te tonen. Hij sprong als iemand, die blijde is het bed te verlaten, het stro-leger, waarop hij zo lang kreupel had neergelegen.
2. Hij stond, en wandelde: Hij stond zonder op iets te leunen, en zonder te beven, hij stond recht op, en wandelde zonder stok of staf. Zijn tred was vast en geregeld, en dit was om de genezing te tonen, en om te tonen, dat de genezing volkomen was. Zij, die ervaring hebben van de werking der genade in hen, moeten getuigen van hetgeen zij hebben ervaren. Heeft God kracht in ons gelegd? Laat ons staan voor Zijn aangezicht in de oefening der Godsvrucht, laat ons wandelen voor Zijn aangezicht in een Godvruchtig leven. Laat ons vastberaden opstaan voor Hem, en blijmoedig wandelen met Hem en dat wel in de kracht van Hem ontvangen.
3. Hij hield vast aan Petrus en Johannes, vers 11. Wij behoeven niet te vragen waarom hij hen vasthield. Ik geloof, dat hij nauwelijks zich zelven kende, het was in ene vervoering van vreugde, dat hij hen omhelsde als zijne beste weldoeners, en zich als met ruwheid aan hen vastklemde. Hij wilde hen niet voort laten gaan, maar wilde, dat zij bij hem zouden blijven, terwijl hij aan allen, die rondom hem waren, bekend maakte wat God door hen voor hem gedaan had. Aldus betuigde hij zijne genegenheid voor hen, hij hield hen vast, en wilde hen niet laten gaan. Sommigen opperen het denkbeeld, dat hij hen vasthield uit vrees, dat hij weer kreupel zou worden, als zij hem verlieten. Zij, die door God genezen zijn, beminnen de werktuigen van hun genezing, en gevoelen hun behoefte aan nog verdere hulp van hen.
4. Hij ging met hen in den tempel. Zijne sterke genegenheid voor hen hield hen, maar zij kon hen niet zo houden, dat zij hen uit den tempel hield, waar zij heengingen om Christus te prediken. Wij moeten ons nooit door de meest liefdevolle vriendelijkheid onzer vrienden terug laten houden van een plicht. Maar zo zij niet bij hem wilden blijven, is hij besloten om met hen te gaan, te meer daar zij in den tempel gingen, van waar hij zo lang door zijne zwakheid en zijn bedelen was buitengesloten, zoals de geraakte, die door Christus was genezen, werd hij terstond in den tempel gevonden, Johannes 5:14. Hij ging in den tempel, niet alleen om Gode zijn lof en dankzegging te brengen, maar om van de apostelen meer te horen van dien Jezus, in wiens naam hij gezond was gemaakt. Zij, die de macht van Christus hebben ervaren, moeten vurig begeren meer en beter met Christus bekend te worden.
5. Hij was daar wandelende, en springende, en lovende God. De kracht, die God ons heeft gegeven, naar lichaam en ziel, moet gebruikt worden tot Zijn lof, en wij moeten er ons op toeleggen om er Hem mede te eren. Zij, die in Zijn naam zijn genezen, moeten in Zijn' naam en in Zijne kracht wandelen, Zacheria 10:12. Zodra deze man kon springen, sprong hij op van vreugde in God, en loofde Hem. Hier was die Schrift vervuld, Jesaja 35:6, Alsdan zal de kreupele springen als een hert. Nu deze man pas genezen was, was hij in die overmaat van blijdschap en dankbaarheid. Alle ware bekeerden wandelen en loven God, maar pas bekeerden zullen wellicht meer springen tot Zijn lof.
VI. Vervolgens wordt ons gezegd welken invloed door dit wonder teweeggebracht werd op het volk, dat er ooggetuige van geweest is.
1. Zij waren volkomen overtuigd van de waarheid van het wonder, en hadden er niets tegen in te brengen. Zij kenden hem, dat hij die was, die om ene aalmoes gezeten had aan de Schone poort des tempels, vers 10. Hij had daar zo lang gezeten, dat zij hem allen kenden, en om die reden was hij verkoren om het vat dezer barmhartigheid te zijn. Nu waren zij niet zo slecht om enigen twijfel te opperen of hij wel dezelfde man was, zoals de Farizeeën twijfel hadden opgeworpen omtrent den blinde, die door Christus genezen was, Johannes 9: 9, 18. Zij zagen hem nu wandelen en God loven, vers 9, en wellicht bemerkten zij ene verandering in zijn gemoedstoestand, want hij was nu even luidruchtig in het loven van God, als hij te voren geweest is in het vragen om ondersteuning. Het beste bewijs, dat hij volkomen genezen was, bestond daarin, dat hij er God voor loofde. De verkregen zegeningen zijn volkomen, als zij geheiligd zijn.
2. Zij waren er over verbaasd: Zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting, vers 10. Zij waren als in vervoering. Het schijnt dat de uitstorting van den Heiligen Geest deze uitwerking heeft gehad, dat het volk, ten minste het volk dat te Jeruzalem was, veel meer getroffen werd door de wonderen, door de apostelen gewrocht, dan door die van dezelfden aard, door Christus zelf gewerkt, en dit was opdat de wonderen aan hun doel zouden beantwoorden.
3. Zij verzamelden zich om Petrus en Johannes: al het volk liep gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Salomo's voorhof genaamd wordt, sommigen alleen om hun nieuwsgierigheid te bevredigen door mannen te zien, die zulk ene macht hadden, anderen met de begeerte om hen te horen prediken, tot de gevolgtrekking komende, dat hun leer wel van Goddelijken oorsprong moest wezen, die zulk ene bevestiging had verkregen. Zij stroomden samen tot hen in het voorhof van Salomo, een deel van het voorhof der Heidenen waar Salomo het buitenste voorhof had gebouwd, of enige zuilengangen, die Herodus had laten optrekken op hetzelfde fondament, waarop Salomo het statige voorhof had gebouwd, dat zijn naam droeg, daar Herodes de eerzucht had een tweede Salomo te zijn. Hier kwam het volk bijeen om het grote gezicht te zien.