Lukas 14:25-35
Zie hoe Christus zich in Zijne lering regelde naar hen, tot wie Hij sprak, en hoe Hij aan een iegelijk zijn deel spijze gaf. Aan de Farizeeën predikte Hij ootmoed en barmhartigheid. In deze verzen richt Hij Zijn rede tot de scharen, die naar Hem toestroomden, en zeer ijverig schenen om Hem te volgen, dezen vermaant Hij om de voorwaarden van het discipelschap goed te begrijpen, eer zij het op zich nemen om zich als discipelen te bekennen, en wel te overwegen wat zij doen. Zie hier:
I. Hoe ijverig de mensen waren om Christus te horen, vers 25. Vele scharen gingen met Hem, velen uit liefde, en nog meerderen om bij het gezelschap te zijn, uit nieuwsgierigheid, want waar velen zijn, zullen meerderen komen. Het was een gemengde schare, zoals die, welke met Israël uit Egypte ging, en zoals wij haar altijd kunnen verwachten in de kerk aanwezig te zijn, daarom zal het nodig zijn dat de leraren zorgvuldig acht geven om het kostelijke van het snode uit te trekken.
II. Hoe Hij wil dat zij bedachtzaam zullen wezen in hun ijver. Zij, die Christus willen volgen, moeten zich op het ergste voorbereiden.
1. Hij zegt hun, wat het ergste is, waarop zij hebben te rekenen, het is zo tamelijk hetzelfde, als hetgeen Hij voor hen en om hunnentwil heeft geleden. Hij neemt aan dat zij geneigd zijn Zijne discipelen te wezen, ten einde bekwaam gemaakt te worden voor Zijn koninkrijk, en daarin tot bevordering te geraken. Zij verwachtten dat Hij zou zeggen: "Zo iemand tot Mij komt en Mijn discipel wordt, die zal groten rijkdom en overvloedige eer ontvangen, laat het gerust aan Mij over om hem tot een groot en aanzienlijk man te maken." Maar wat Hij hun zegt is hiervan het volkomen tegenovergestelde.
a. Zij moeten bereid zijn, datgene te verlaten wat hun zeer dierbaar is, en daarom moeten zij tot Hem komen gans en al gespeend aan hun aardse genietingen, zij moeten daar dood voor wezen, zodat zij er zich goedsmoeds van kunnen scheiden veeleer dan hun deel aan Christus op te geven, vers 26. Een mens kan Christus' discipel niet wezen, of hij moet haten vader en moeder, ja zijn eigen leven. Hij is niet oprecht, hij zal niet standvastig en volhardend zijn, tenzij hij Christus meer liefheeft dan iets, wat het ook zij, in deze wereld, en bereid is om te scheiden van hetgeen hij kan en moet verlaten, hetzij als een offer, als Christus door ons scheiden er van verheerlijkt kan worden (zo was het met de martelaren, die hun leven niet liefgehad hebben tot den dood toe), of als ene verzoeking, als wij, door er van te scheiden meer bekwaam gemaakt worden om Christus te dienen. Aldus heeft Abraham zijn vaderland verlaten, en heeft Mozes het hof van Farao verlaten. Er wordt hier geen melding gemaakt van huizen en akkers, de wijsbegeerte zal den mens leren om met minachting op deze dingen te zien, maar het Christendom voert hoger op. Ieder goed man bemint zijne bloedverwanten, en toch, als hij een discipel van Christus is, moet hij, vergelijkenderwijs gesproken, hen haten, hij moet hen minder liefhebben dan Christus, zoals van Lea gezegd wordt, dat zij gehaat was, omdat Rachel meer bemind was. Niet alsof hun persoon op enigerlei wijze of in welke mate het ook zij, gehaat moet worden, maar onze troost en onze voldoening in hen moet als het ware verzwolgen worden door, opgaan in, onze liefde tot Christus, zoals het was met Levi, toen hij tot zijn vader zei: ik zie hem niet, Deuteronomium 33:9. Als onze plicht jegens onze ouders in mededinging komt met onzen blijkbaren plicht jegens Christus, dan moeten wij aan Christus de voorkeur geven. Indien wij of Christus moeten verloochenen, of uitgebannen, verstoten worden door onze bloedverwanten en vrienden (zoals dit met velen van de eerste Christenen geschied is) dan moeten wij liever hun gezelschap dan Zijne gunst verliezen. Iedereen heeft zijn eigen leven lief, niemand heeft het ooit gehaat, maar wij kunnen Christus' discipelen niet zijn, indien wij Hem niet meer liefhebben dan ons zelven, zodat wij liever ons leven laten verbitteren door wrede slavernij, ja, het ons liever laten ontnemen door een wreden dood, dan Christus te onteren, of van Zijne waarheid en Zijne wegen af te wijken. De ervaring van de genietingen van het geestelijk leven, en de gelovige hoop en het vooruitzicht op het eeuwige leven, zal deze harde rede licht en lieflijk maken. Als vanwege het woord verdrukking en vervolging ontstaan, dan zal het de grote vraag zijn, of wij Christus dan wel onze bloedverwanten en ons eigen leven liever hebben, ja zelfs in dagen van vrede worden wij te dien opzichte dikwijls op de proef gesteld. Zij, die den dienst van Christus afwijzen, de gelegenheden om gemeenschap met Hem te oefenen ongebruikt laten, zich schamen om Hem te belijden uit vrees van hierdoor een bloedverwant of vriend te mishagen of een klant te verliezen, geven reden om te vermoeden, dat zij dien bloedverwant of vriend, of begunstiger meer liefhebben, dan zij Christus liefhebben.
b. Dat zij gewillig moeten zijn om te dragen wat zeer zwaar is, vers 27. Wie zijn kruis niet draagt zoals zij, die ter kruisdood veroordeeld waren, in onderwerping aan het vonnis, en in verwachting van de volvoering er van, en aldus Mij navolgt overal waar Ik hem voorga, die kan Mijn discipel niet zijn, dat is (zegt Dr. Hammond) hij is niet voor Mij geschikt, en daar Mijn dienst voorzeker vervolging met zich brengt, is die dienst ook niet geschikt voor hem, niet naar zijn smaak. Hoewel de discipelen van Christus niet allen gekruisigd worden, hebben zij toch allen een kruis te dragen, alsof zij er op moeten rekenen gekruisigd te worden. Zij moeten er mede tevreden zijn in kwaad gerucht te worden gebracht, met smaad en schande te worden beladen, want geen naam is smadelijker dan die van furcifer -drager van de galg. Hij moet zijn kruis dragen en Christus navolgen, dat is: hij moet het dragen in den weg des plichts, als het op dien weg ligt. Hij moet het dragen als Christus hem er toe roept, en het dragen met het oog op Christus, en aan Hem bemoediging ontlenen, en leven in de hoop van door Hem beloond te zullen worden.
2. Hij zegt hun dat zij hierop moeten rekenen, en het dan bij zich zelven wèl moeten overleggen. Daar Hij jegens ons zo rechtvaardig is geweest, dat Hij ons duidelijk en onomwonden gezegd heeft welke moeilijkheden het voor ons zal opleveren om Hem te volgen, zo laat ons zo rechtvaardig zijn jegens ons zelven om de zaak ernstig te overwegen, eer wij het op ons nemen om belijdenis te doen van den Godsdienst. Jozua noodzaakte het volk om wèl te bedenken wat zij deden, toen zij beloofden den Heere te zullen dienen, Jozua 24:19. Het is beter nooit te beginnen dan niet voort te gaan, eer wij dus beginnen moeten wij wèl bedenken wat het zeggen wil voort te gaan. Dat is op redelijke, verstandige wijze te handelen, en zoals het mannen betaamt, en zoals wij ook in andere zaken handelen. De zaak van Christus kan een nauwkeurig onderzoek doorstaan. Satan toont het fraaiste en beste, maar verbergt het slechtste, omdat zijn best niet kan opwegen tegen zijn slechtst, maar het best van Christus kan zeer ruimschoots opwegen tegen Zijn slechtst. Dit overwegen der zaak is nodig om te kunnen volharden, vooral in tijden van lijden. Onze Heiland toont er hier de noodzakelijkheid van door twee gelijkenissen, de eerste, aantonende dat wij de kosten moesten overrekenen van onzen Godsdienst, de tweede dat wij er de gevaren van onder de ogen moeten zien.
a. Als wij het op ons nemen den Godsdienst te belijden, dan zijn wij als iemand, die het onderneemt een toren te bouwen, en daarom moeten wij de kosten er van berekenen, vers 28-30. Wie van u, willende een toren bouwen, of een deftig huis voor zich zelven, zit niet eerst neer en overrekent de kosten? En hij moet er aan denken dat de kosten stellig veel hoger zullen zijn, dan zijne werklieden zeggen. Laat hem die opgaven vergelijken met zijne beurs, opdat hij zich niet belachelijk make, door een bouw te beginnen, dien hij niet instaat is te voleindigen. Allen, die het op zich nemen belijdenis te doen van den Godsdienst, ondernemen een toren te bouwen, niet zoals de toren van Babel, in tegenstand van den hemel, en die daarom onvoleindigd is gebleven, maar in gehoorzaamheid aan den hemel, en die daarom ook zijn hoek- of sluitsteen zal hebben. Begin laag, en leg het fondament diep, leg het op de rots, maak het werk solide, en dan, streef hoog, zo hoog als de hemel. Zij, die voornemens zijn dien toren te bouwen, moeten neerzitten en de kosten overrekenen. Laat hen bedenken wat het hun zal kosten om hun zonden te doden, zelfs de hun meest-dierbare lusten en begeerlijkheden. Het zal hun te staan komen op een leven van zelfverloochening en waakzaamheid, en een gestadig najagen van heilige plichten. Het kan hun wellicht te staan komen op het verlies van hun goeden naam onder de mensen, van hun bezitting en hun vrijheid, en alles wat hun dierbaar is in deze wereld, ja zelfs hun eigen leven. En indien het ons op dit alles te staan komt, wat is dit in vergelijking met wat het aan Christus gekost heeft om de voorrechten en voordelen van den Godsdienst voor ons te verkrijgen, die tot ons kwamen zonder geld en zonder prijs? Niets is schandelijker dan met den Godsdienst goed te beginnen, en dan te blijven steken. Iedereen zal met recht met zo iemand den spot drijven, daar hij uit gebrek aan volharding nu al zijn arbeid en moeite tevergeefs besteed heeft. Wij verliezen dan wat wij gearbeid hebben, 2 Joh 8, en al wat wij gedaan en geleden hebben is tevergeefs. Galaten 3:4.
b. Als wij het ondernemen om Christus' discipelen te zijn, dan zijn wij als iemand, die uitgaat ten krijg, en dus denken moet aan wat hij hiermede waagt, welke moeilijkheden hij zal hebben te overwinnen, vers 31, 32. Een koning, die aan een naburig vorst den oorlog verklaart, overweegt of hij bij machte is te overwinnen, en zo niet, dan zal hij de gedachte aan oorlog laten varen. De toestand van een Christen in deze wereld is een oorlogstoestand. Is niet het leven van den Christen een leven van krijg? Er zijn vele passen op onzen weg, die met het zwaard betwist moeten worden, ja voor iedere voetstap, dien wij doen, moeten wij strijden, zo rusteloos zijn onze geestelijke vijanden in hun tegenstand. Wij moeten ook overwegen of wij de verdrukking kunnen verdragen, die een goed krijgsknecht van Jezus Christus moet verwachten, waarop hij moet rekenen, eer wij dienst nemen onder de banier van Christus, of wij instaat zullen zijn, de machten van hel en aarde, die als twintig duizend sterk tegen ons opkomen, het hoofd te kunnen bieden. Het is beter om een zo goed mogelijk verdrag met de wereld te sluiten, dan voor te geven haar te verzaken, en als dan later verdrukking en vervolging ontstaan, tot haar weer te keren. De jongeling, die het niet van zich kon verkrijgen om Christus' wil afstand te doen van zijne bezittingen, heeft beter gedaan met bedroefd van Christus weg te gaan, dan geveinsd bij Hem te blijven. Deze gelijkenis heeft nog een andere toepassing, en kan beschouwd worden als bedoeld om ons te leren spoedig te beginnen Godsdienstig te zijn, veeleer dan met omzichtigheid te beginnen, en kan hetzelfde betekenen als Mattheus 5:25, Weest haastelijk welgezind jegens uwe wederpartij. Zij, die volharden in de zonde, voeren krijg tegen God, en dat is de onnatuurlijkste, ongerechtvaardigste krijg, zij rebelleren tegen hun wettigen soeverein, wiens regering zo volmaakt goed en rechtvaardig is. De hoogmoedigste en vermetelste zondaar is echter niet bestand tegen God, de onevenredigheid van sterkte en macht is veel groter, dan hier verondersteld wordt te bestaan tussen tien duizend en twintig duizend. Tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij? Gewis niet: wie kent de sterkte Zijns toorns? Uit aanmerking hiervan is het zaak voor ons om vrede met Hem te sluiten. Wij behoeven gene gezanten te zenden om vredesvoorwaarden te vragen, zij zijn ons reeds aangeboden, en zij zijn onverwerpelijk en in de hoogste mate in ons voordeel. Laat ons er bekend mede worden, en vrede hebben, doe dit bijtijds, terwijl hij nog verre is, want in zulke gevallen is uitstel hoogst gevaarlijk en wordt het sluiten van den vrede er zeer door bemoeilijkt. Maar hier is de toepassing der gelijkenis, vers 33, hetgeen wij hebben te overwegen, als wij belijdenis willen doen van den Godsdienst. Salomo zegt: voer oorlog met wijze raadslagen, Spreuken 20:18, want die het zwaard trekt, werpt de schede weg..En evenzo: doet met wijze raadslagen belijdenis van den Godsdienst, als die weet, dat, tenzij gij alles wat gij hebt verlaat, gij Christus' discipelen niet zijn kunt, dat is: tenzij gij er op rekent alles te moeten verlaten, en er in toestemt, want allen, die Godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden, en moeten toch Godzaliglijk blijven leven.
3. Hij waarschuwt hen tegen afval in hun gezindheid van den waren Christelijken geest, want dat zou hen gans onbruikbaar maken, vers 34, 35.
a. Goede Christenen zijn het zout der aarde, inzonderheid goede leraren, Mattheus 5:13. En dit zout is goed, en zeer nuttig. Door hun onderwijs en hun voorbeeld, waarmee zij hun gesprekken kruiden, weren zij er het bederf van, en zetten zij er levendigheid, geur en smaak aan bij.
b. Ontaarde Christenen, die, liever dan hetgeen zij hebben in de wereld te verlaten, hun belijdenis laten varen, en dan natuurlijk, vleselijk, wereldsgezind, en gans en al ontbloot worden van een Christelijke gezindheid, zijn als zout, dat smakeloos is geworden, evenals hetgeen door chemisten het caput mortuum genoemd wordt, waaraan al het zout onttrokken is, en dat is het meest onnutte en meest waardeloze ding der wereld, er is generlei kracht of goede eigenschap in overgebleven. Het kan nooit meer in goeden toestand komen: Waarmee zal het smakelijk gemaakt worden? Gij kunt het niet zouten. Dit duidt aan, dat het uiterst moeilijk, ja schier onmogelijk is, om een afvallige terecht te brengen, Hebreeën 6:4-6. Indien het Christendom niet overmogend is, om de mensen van hun wereldsgezindheid en zinnelijkheid te genezen, indien dat middel tevergeefs beproefd is, dan moet men wel tot de gevolgtrekking komen, dat hun toestand wanhopig is. Het is tot niets nut. Het is niet, gelijk mest, geschikt voor het land, om het te bemesten, en evenmin zal er iets goeds van komen, als men het op den mesthoop laat verrotten, er is niets meer uit te halen. Een belijder van den Godsdienst, wiens gemoed verdorven is, is het lafste schepsel van de wereld. Als hij spreekt van de dingen Gods, waarvan hij wel enige kennis heeft, dan is het toch zo onbeholpen, dat niemand er iets aan heeft, het is een spreuk in den mond van een zot. Het wordt verzaakt, men werpt het weg, als iets, waarmee men niets meer te doen wil hebben. Zulke ergernis-gevende belijders behoren uitgeworpen te worden uit de kerk, niet alleen omdat zij al de eer en de voorrechten van hun kerklidmaatschap hebben verbeurd, maar omdat er gevaar is dat anderen door hen worden besmet. Onze Heiland besluit dit met ene opwekking tot allen, om hier wèl op te letten, en er door gewaarschuwd te zijn: Wie oren heeft om te horen, die hore. Kan het vermogen om te horen wel beter gebruikt worden dan met naar het woord van Christus te horen, inzonderheid naar de waarschuwing, die Hij ons geeft voor het gevaar van afvallig te worden, en het gevaar dat er voor ons uit ontstaat, als wij afvallig worden?