2 Corinthiërs 12:11-21
In deze verzen richt de apostel zich tot de Corinthiërs in tweeërlei opzicht.
I. Hij berispt hen over hetgeen in hen onbetamelijk was, namelijk dat zij hem niet naar behoren verdedigd hadden, en het daardoor nodig gemaakt hadden dat hij zoveel tot zelfverdediging had moeten zeggen. In zekeren zin was hij door hen gedwongen zich zelven te prijzen, hij die van hen behoorde geprezen te zijn, vers 11. En waren zij- althans sommigen hunner-daarin niet tekort geschoten, dan zou het voor hem minder nodig geweest zijn zoveel over zich zelven te spreken. Hij zegt hun verder, dat zij vooral goede reden hadden om wèl van hem te spreken, daar hij in geen ding minder geweest was dan de uitnemendste apostelen, zodat de merktekenen van een apostel ten volle onder hen betoond waren, in alle lijdzaamheid, met tekenen, en wonderen, en krachten. Wij zijn aan godvrezenden verplicht dat wij hun goeden naam verdedigen, en met name zijn we dat verplicht jegens hen van wie wij zegeningen ontvangen hebben, vooral geestelijke zegeningen. Hen moeten wij erkennen als de werktuigen in Gods hand om ons goed te doen, en verdedigen wanneer ze door anderen belasterd worden. Hoezeer wij ook door anderen geacht worden of behoren te worden, wij moeten steeds nederig van ons zelven denken. Zie het voorbeeld van dezen groten apostel, die van zich zelven zei: hoewel ik niets ben, ofschoon hij in waarheid niets bij de uitnemendste apostelen achterstond. Zo weinig dacht hij er aan om eer van mensen te zoeken, ofschoon hij hun plicht om hem te verdedigen hun voorhoudt, zover was hij er van af om zich zelven toe te juichen, ofschoon hij genoodzaakt was ter zelfverdediging over zich zelven te spreken.
II. Hij geeft een uitvoerig overzicht van zijn gedrag en vriendelijke bedoelingen jegens hen, waarin wij het karakter van een getrouw bedienaar van het Evangelie vinden.
1. Hij begeerde hen niet te bezwaren, want hij zocht niet het hun, maar hen. Hij zegt, vers 13, dat hij vroeger hen niet bezwaard had en, vers 14, dat hij hen in de toekomst ook niet zou bezwaren wanneer hij tot hen kwam. Hij spaarde hun beurzen en begeerde hun geld niet, ik zoek niet het uwe maar u. Hij zoekt niet zich zelven te verrijken, maar hun zielen te redden, hij begeerde niet eigendom voor zich zelven te verwerven, maar hen te winnen voor Christus, wiens dienaar hij was. Zij, die de wol van de kudde begeren voor eigen kleding en geen zorg dragen voor de schapen, zijn huurlingen en geen goede herders.
2. Hij zou gaarne de kosten doen en voor hun zielen ten koste gegeven worden, vers 15, dat is, hij was gewillig om voor hun welzijn moeite en verliezen te lijden. Hij zou zijn tijd, zijn goed, zijn kracht, zijn belangen, al het zijne besteden om hen van dienst te zijn, ja hijzelf zou daarvoor willen besteed worden, gelijk de kaars verteert door anderen licht te geven.
3. Hij verzwakte niet in zijne liefde tot hen, ongeacht hun onvriendelijkheid en ondankbaarheid jegens hem, en daarom was hij bereid en genegen om voor hen veel te verdragen, hoewel hij, hen overvloediger beminnende, minder bemind werd, vers 15. Dat moet ook op andere betrekkingen toegepast worden: indien anderen tekortkomen in hun verplichtingen jegens ons, volgt daaruit nog niet dat wij onze verplichtingen jegens hen verwaarlozen mogen.
4. Hij droeg zorg, niet alleen dat hijzelf hen niet bezwaarde, maar ook dat zij, die door hem gezonden waren, dat niet deden. Dat schijnt bedoeld te worden in hetgeen wij lezen in verzen 16- 18. Er zou misschien door enkelen tegengeworpen worden, dat, ofschoon hijzelf hen niet bezwaarde, hij listig was en hen met bedrog ving, dat is, anderen gezonden had om hen te beroven en dat hij naderhand met hen de voordelen deelde. Dat is niet zo, zegt de apostel, ik zocht van u mijn voordeel niet, maar ook niet Titus of een van de anderen heeft dat gedaan. Wij hebben allen in dezelfden geest en dezelfde voetstappen gewandeld. Zij allen waren met hem eensgezind om hun zoveel mogelijk goed te doen, zonder hen te bezwaren, ten einde het Evangelie onder hen te bevorderen en het hun zo gemakkelijk mogelijk te maken. Doch wellicht moet dit voor een tussenzin gehouden worden, waardoor hij alle denkbeeld van bedrog zo bij hen als bij hemzelf ten strengste verwerpt.
5. Hij was een man, die alle dingen tot hun stichting deed, vers 19. Dit was zijn voorname doel en voornemen: weldoen, den grondslag voor weldoen leggen, en dan met zorg en vlijt daarop voortbouwen.
6. Hij zou niet terugdeinzen van zijn plicht uit vrees van hen te mishagen, ofschoon hij er op bedacht was om het hun zo gemakkelijk mogelijk te maken. Daarom had hij besloten getrouw te zijn in het bestraffen van zonden, ofschoon hij daarin bevonden werd zodanig als zij niet wilden, vers 20. De apostel noemt hier verschillende zonden op, die maar al te veel onder belijders van den godsdienst gevonden worden, doch zeer afkeurenswaard zijn: twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten. Hoewel zij, die aan deze zonden zich schuldig maken, moeilijk daarover bestraffing verdragen, moeten getrouwe dienaren niet vrezen de schuldigen krachtig te vermanen, zowel onder vier ogen als in het openbaar.
7. Hij vreesde dat hij bij zijn komst onder hen schandelijke zonden vinden zou, waarover niet behoorlijk berouw gevoeld werd. Dat zou hem een grote oorzaak van vernedering en rouw zijn. De val en het wangedrag van belijders kunnen niet anders dan een oorzaak van vernedering voor een goed dienaar zijn, en God keurt soms dien weg nodig om hen nederig te maken, die gevaar lopen opgeblazen te worden. Ik vrees dat mijn God mij bij u zal vernederen. Wij hebben reden om rouw te gevoelen over hen, die zondigen en geen berouw tonen, dat ik rouw hebbe over velen, die tevoren gezondigd hebben en die zich niet bekeerd zullen hebben, vers 21. Indien dezen totnogtoe geen genade ontvangen hebben om zelf over hun toestand te rouwen en te wenen, is hun toestand des te beklagelijker, en zij, die God en deze zondaren liefhebben, behoren over hen te rouwen.