Genesis 17:7-14
Hier is:
I. De voortdurendheid van het verbond, aangeduid in drie dingen:
1. Het is opgericht, om niet veranderd of herroepen te worden, het is vastgesteld, het is bekrachtigd, het is zo vast en onwrikbaar als de Goddelijke macht en waarheid het kunnen maken.
2. Het is een erfelijk verbond, en wel met onvervreemdbaar erfrecht, niet alleen met Abraham- want dan zou het met hem sterven, maar met zijn zaad na hem, niet slechts met zijn zaad naar het vlees, maar ook met zijn geestelijk zaad.
3. Het is eeuwig in de evangelische zin en betekenis er van. Het verbond der genade is eeuwig, het is van eeuwigheid in de raadsbesluiten er van, en tot in eeuwigheid in de gevolgen er van, en de uitwendige administratie er van is met het zegel er van overgedragen op het zaad der gelovigen, en de innerlijke administratie er van door de Geest aan Christus zaad in alle tijden.
II. De inhoud van het verbond. Het is een verbond van beloften, grote en zeer dierbare beloften. Hier zijn er twee, die in waarheid algenoegzaam zijn.
1. Dat God hun God zal wezen, vers 7, 8. Al de voorrechten van het verbond, alle blijdschap en alle hoop er van, zijn hierin saamgevat, de mens behoeft niets meer dan dat om gelukkig te zijn. Wat God is, dat wil Hij zijn voor Zijn volk, Zijn wijsheid is voor hen om hen te leiden en te raden, Zijn macht is voor hen om hen te beschermen en te ondersteunen, Zijn goedheid is voor hen om hen te verzorgen en te vertroosten. Wat de gelovige aanbidders van de God, die zij aanbidden, kunnen verwachten, dat zullen zij in God als het hunne vinden. Dit is genoeg, en toch is het nog niet alles.
2. Dat Kanaän hun een eeuwige bezitting zal zijn, vers 8. God had tevoren dat land aan Abram en zijn zaad beloofd, Hoofdstuk 15:18. Maar hier, waar het als een eeuwige bezitting beloofd wordt, moet het gewis als een type beschouwd worden van de eeuwige gelukzaligheid, die eeuwige rust, die daar overblijft voor het volk van God, Hebreeën 4:9. Dat is het betere land, waarop Abraham het oog heeft gehad, en waarvan de schenking beantwoordde aan het ruime en veelomvattende van de belofte, dat God hun een God zal zijn, zodat, indien God dit niet had bereid en bedoeld, Hij zich geschaamd zou hebben hun God genoemd te worden, Hebreeën 11:16. Gelijk het land van Kanaän verzekerd was aan het zaad van Abraham naar het vlees, zo is de hemel verzekerd aan al zijn geestelijk zaad, door een verbond, en tot een waarlijk eeuwige bezitting. De aanbieding van dit eeuwige leven is gedaan in het woord, en wordt bevestigd door de sacramenten aan allen, die onder de uitwendige administratie zijn van het verbond, en het onderpand er van is gegeven aan alle gelovigen Efeze 1:14. Kanaän wordt hier gezegd het land te zijn, waarin Abraham een vreemdeling was, en Kanaän is een land, waarvoor wij vreemdelingen zijn, want het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen.
III. Het teken van dat verbond, en dat is de besnijdenis, waarom het verbond zelf "het verbond der besnijdenis" genoemd wordt, Handelingen 7:8. Hier wordt het gezegd het verbond te wezen, dat Abraham en zijn zaad moeten houden als kopie of weergave er van, vers 9. Het wordt genoemd een teken en zegel, Romeinen 4:11, want het was: 1. een bevestiging aan Abraham en zijn zaad van de beloften, die Gods deel waren van het verbond, hun verzekerende dat zij vervuld zullen worden, dat ter bestemder tijd Kanaän van hen zal wezen. En de voortduring van deze inzetting nadat Kanaän in hun bezit was geeft te kennen, dat de belofte verder zag, naar een ander Kanaän, dat zij nog moeten verwachten, Hebreeën 4:8.
2. Een gehouden zijn van Abraham en zijn zaad aan die plicht, die hun deel was van het verbond, niet slechts de plicht van het verbond aan te nemen en er mee in te stemmen, en het wegdoen van het bederf des vleses (hetgeen meer onmiddellijk en in de voornaamste plaats door de besnijdenis betekend wordt), maar in het algemeen tot de plicht om alle geboden Gods te houden, die hun bekend gemaakt zullen worden, want de besnijdenis maakte de mensen tot "schuldenaars om de gehele wet te doen," Galaten 5:3. Zij, die willen dat God hun een God zal zijn, moeten er in toestemmen om Hem een volk te wezen. Nu was:
a. De besnijdenis een bloedige inzetting, want naar de wet werden bijna alle dingen door bloed gereinigd, Hebreeën 9:22. Zie Exodus 24:8. Maar nu het bloed van Christus vergoten is, zijn thans alle bloedige inzettingen afgeschaft, de besnijdenis maakt dus plaats voor de doop.
b. Het was bijzonder voor het mannelijk geslacht, hoewel de vrouwen mee in het verbond werden opgenomen, want de man is het hoofd der vrouw. In ons rijk wordt de eed van trouw alleen van mannen gevorderd. Sommigen denken dat alleen het bloed der mannen bij de besnijdenis vergoten werd, omdat hierbij gezien werd op Jezus Christus en Zijn bloed.
c. Het was het vlees der voorhuid, dat besneden moest worden, omdat het door gewone voortplanting is, dat de zonde wordt voortgeplant, en met het oog op het beloofde Zaad, die uit Abrahams lenden voort moest komen. Daar Christus zich nog niet voor ons had geofferd, heeft God gewild dat de mens in verbond met Hem zou komen door het opofferen van een deel van zijn eigen lichaam, en geen deel daarvan kon beter gemist worden. Het is een verborgen deel van het lichaam, want de ware besnijdenis is die van het hart, deze eer heeft God op een onsierlijk deel gelegd, 1 Corinthiërs 12:23, 24.
d. De inzetting moest volbracht worden aan kinderen, als zij acht dagen oud waren, en niet eerder, opdat zij al kracht genoeg verkregen zouden hebben om er de pijn van te verdragen, en er tenminste reeds een sabbat over hen heen zou gegaan zijn.
e. De kinderen van vreemdelingen, van wie de heer of het hoofd van het gezin de wettige eigenaar was, moesten besneden worden, vers 12, 13, hetgeen een gunstig aanzien had voor de heidenen, die ter bestemder tijd door het geloof tot Abrahams geslacht zouden komen, zie Galaten 3:14.
f. Het Godsdienstig waarnemen van deze inzetting werd geëist onder bedreiging van zware straf voor het nalaten er van, vers 14. Het minachten van de besnijdenis was een minachten van het verbond, en was zeer gevaarlijk, zoals in het geval van Mozes, Exodus 4:24, 25. Wat hen betreft, die in hun kindsheid niet besneden waren, indien, als zij opgegroeid waren, zij zich niet zelf onder deze verordening brachten, dan zou God voorzeker streng met hen afrekenen. Indien zij het vlees van hun voorhuid niet besneden, dan zou God hen afsnijden van hun volk. Het is gevaarlijk om lichtvaardig of onachtzaam te zijn omtrent Goddelijke inzettingen.