9. Er blijft dan, zoals uit die beschouwing blijkt, een rust over als eigenlijke sabbatviering, in onderscheiding van de slechts voorafbeeldende rust in het beloofde land, voor het volk van God, nadat zij ook sedert David's tijd tot heden toe nog niet zijn ingegaan in de rust, die in de Psalm is voorzegd.
Aan het volk van God wordt een grote zegen toegezegd: "een rust. " Zal die mij voor begeerlijk zijn, dan moet er vermoeidheid wezen, zoals slechts spijs de hongerige en water de dorstige goed doet. Waarvan zullen wij rusten? Op die vraag is het niet moeilijk uzelf een antwoord te geven. Sedert dat vreselijke uur, waarin de mens opstandig is geworden, wat een leger van ziekten, van ellende, van plagen. Hier zie ik een David neerliggen op aarde, omdat zijn zoontje naar het Godswoord zal sterven. Daar weigert de Sunamitische Gehazi een antwoord, omdat haar zoon is weggenomen. Daar klinken de klaagzangen in Jaïrus huis; te Naïn brengt men de enige zoon van de weduwe naar het graf en te Bethanië klagen Maria en Martha, want Lazarus is dood. Wat een ziekten op Jericho's weg, aan Thabors voet, in Bethesda's zalen, overal zieken die bedelen, zieken die op een bed worden gedragen, zieken die ieder schuwt. Wie noemt het getal? Wat een gebrek. Sarphats weduwe zal haar laatste meel eten met haar zoon en Hagar bedekt haar kind onder de struiken, terwijl zij beiden smachten van dorst. Daar weerhouden de akkers zeven jarenlang de vruchten, een David wordt gejaagd als een hinde over de bergen en een Lazarus verlangt verzadigd te worden van de kruimels die van de tafel van de rijken vallen. Wat een lijden dikwijls opeengehoopt. Naomi wil Mara heten, want man en zonen en bezittingen brengt zij naar Bethlehem niet meer terug; een Job zien wij op de mesthoop en er is hem niets overgebleven dan een vrouw, die hem aanzet de Heere te zegenen en te sterven en een drietal vrienden, die slechte vertroosters zijn. Wat een tranen, wat een zuchten! En deze gebeurtenissen zijn niet het minste uw lot, kinderen van de Heere! Maar voor dat alles blijft er voor u een rust bestaan. Eenmaal worden alle tranen door God van de ogen gewist, eenmaal geen lijden meer! Wat een vervolging. Het is met de rechtvaardige Abel begonnen. Gods profeten zijn gelasterd, gedood. Christus, is Hij niet veracht, door de mannen van de wetenschap van Zijn dagen uitgescholden, gekruisigd en als men de Heere des huizes Beëlzebub heeft genoemd, wat zal men met Zijn dienaar doen? Hier is het tot Paulus: "gij spreekt wartaal; " daar valt het volk aan op Jasons huis, daar ligt hij in de kerker. O wij hebben de Heere hier te danken dat Hij de macht van de bozen beteugelt, maar toch hoeveel verachting, hoeveel tegenstand, hoeveel haat. Maar er blijft een rust bestaan. Nee! Dat lijden zal niet eeuwig duren. En dat alles treft nog slechts ons, maar waar het dadelijk de Heere treft, die ons dierbaarder is dan het leven. O, daar is het harder voor ons; wij leven in een wereld die in het boze ligt en iedere rechtvaardige kent die kwelling, die een Lot in Sodom ondervond. De reinheid vloekt Hem, de beschaafdheid vergeet Hem, het ongeloof loochent Hem, de eigengerechtigheid miskent Hem, de halve godsdienstigheid vermoeit Hem, de dode rechtzinnigheid speelt met Zijn naam. Gaat het u als mij, in deze dagen, waarin het woord zo bevestigd wordt: "Wie vuil is, laat hij nog vuiler worde, " dan ondervindt gij die moeite veel. Als u hier de bladen in handen krijgt van een die Christusprediker heet, maar op de onbeschaamdste wijze onder de titel van christelijke toespraken, de waarheid door het slijk haalt; als een ander u van zekerheid spreekt en een lichtkleed omdoet om op de gevaarlijkste wijze u uw zekerheid te ontnemen en u zekere leugen, voor zekere waarheid gehouden, voorstelt, die naar een zeker ellendig einde moet leiden; als zo vele stemmen oprijzen en allerlei draden worden gespannen, allerlei strikken van de wetenschap worden gelegd, als loochenen voor geleerdheid en ontkennen voor oprechtheid wordt uitgevend. O zegt mij! Ziet gij dan niet uit naar rust na die strijd? Klinkt dat woord u niet als de schoonste melodie in de oren: "Er blijft dan een rust bestaan voor het volk van God. " En wat die rust pas werkelijk tot rust zal maken. O het is dat wij dan geen zonde meer zullen kennen. Zijt gij u bewust met het oog op dat kruis, dat bloed, die dood, dat uw schulden zijn uitgewist en uw ongerechtigheden vergeven; de oude slang vermorzelt nog altijd hielen. O, dat wij heilig voor God konden leven! Maar als wij het goede willen doen, dan ligt de zonde op de loer. Wij moeten toegeven dat ook de gelovige nog steeds tot alle boosheid geneigd is. Ach, nu staan wij gesterkt in God van onze knieën op en menen, nu is het goed en weer slaan wij het hoofd ter aarde als zij die misdeden. Soms zijn wij zo vol goede moed in het gebed en straks voelen wij ook de schuld daarin. Dan hebben wij een ijver voor God, maar wij merken dat zij een verkeerde was en wij tabernakels wilden bouwen in plaats van Gods Zoon te horen. Zalige gedachte: eenmaal is het zondige in ons helemaal weg; die strijd houdt op; er is een einde aan satans verleidingen. Er is een rust weggelegd voor het volk van God! En hoe zal die rust zijn? Ik denk dat u hebt verlangd dat wij ook dit zouden noemen. Er is een rust door te buigen in de strijd, een rust in de boeien. Nee, zo'n rust is het niet, het is een rust van de overwinning, van de overwinning in Christus Jezus over alle leed, over elke vijand van God, over alle zonde, hier is een heerlijk leven. Wat is het kleed? Een rein gewassen in Christus bloed. Wat de zetel? De troon van God. Wat de feestzaal? De hemel. Wat het licht? Het Lam. Wat het eten? Van de boom van het leven. Wat de drank? Uit de rivier, zuiver als kristal. Wat het lied? Van de overwinning van het Lam. Wie de gastheer? God zelf! Heerlijke rust! Het is een rust in God. O, wat dat betekent, dat weet gij die met David zingt dat uw hart dorst naar de God van uw leven, zoals het hert naar de waterstromen, die daar het lied van het verlangen aanheft: "Ach wanneer zal ik naderen voor uw ogen? " In God is ons heil en onze eer. Nee! Geen verleidende armen van de zonde, geen zoet lokken van de satan. Daar is het liggen in Gods schoot; rusten aan Gods Vaderhart. Hoe heilig die rust! Zal ik dan nog moeten zeggen dat zij een zalige is? Al wat op aarde rust heet, is daarbij vermoeienis. En als wij die zijn ingegaan, o wij zullen, denkend aan onze gedachten over de hemel op aarde, glimlachen over haar nietigheid. Het is een sabbatsrust, het staat duidelijk te lezen, zo toch moeten wij het woord vertalen van onze tekst; en de sabbat gaf de Heere ons op aarde niet om niets te doen, maar om het hoogste te doen. O dan is er in de hemel werkzaamheid en die werkzaamheid is rust, omdat daar geen vermoeienis is. Nee, daar is het niet slechts de handen vouwen, daar is het volgen van het Lam, daar is het kronen neerleggen aan Jezus' voeten. Halleluja zingen, het geslachte Lam ter eer; daar het lied van de dankbaarheid, een lied zo schoon, dat na duizenden eeuwen de gezaligde in het hart zal zeggen: er is nauwelijks een begin. Ik voel het ook heden dat werkzaamheid rust voor de ziel kan wezen, want ik zou wel wensen ook heden nauwelijks begonnen te zijn om nog een uur tot u te kunnen spreken. Er is nog zoveel voor ons in onze tekst. Die rust blijft. Dat kon niet gezegd worden, als er niet hier reeds iets van werd gesmaakt en dat wordt het ook. Als het leed van de aarde ons heeft terneergedrukt en wij slaan het Godswoord open, dat zoveel troost bevat: wat een verkwikking. Als wij door de Heere tot moeilijke dingen geroepen zijn en de bezwaren rijzen in ons op en mensen gaan berekenen, dan buigt het wankelmoedig hart zich neer om geloof van hen Heere te bidden en wij worden gesterkt. Als de zonde ons heeft vervuld en de hoek van onze binnenkamer is nat gemaakt van tranen, de Heere spreekt van genade, de Heere spreekt van vrede. Als het zo dood is daar binnen, maar de Heere Zijn kinderen zendt om ons te verkwikken, dan vindt de ziel het leven weer, Christus, die het leven is en leven is rust. Als ongeloof en zonde niet weken bij de strijd en onze knie boog zich om de Heere bekering te vragen, dan wees Hij op Zijn grote daden en het verbond van Zijn genade en ons hoofd richtte zich op naar boven. Ja, er is hier een rust voor het volk van God. Kent gij die omgang met Hem, die verborgen gemeenschap? Wat is zij heerlijk en toch het is slechts een wandelen in de voorhof, nee, het is nog niet een in het heilige van de heiligen zijn: de ware ruste is pas daarboven; het volle genot, waarvan hier een voorsmaak werd gegund, is pas in de hemel. Die rust blijft, die is weggelegd. Christen, het is waar, het is beter buiten het lichaam te wonen; maar die strijd is nodig voor u, die moeite is niet zonder reden, geen minuut eerder in de rust dan God het wil. Hier zijn wij op onze plaats totdat het ogenblik van God voor ons heengaan gesteld, daar is. Die rust blijft. Niets kan die meer weg roven, noch engelen, noch machten, noch dood, noch leven; zij is zeker, zij wordt door God bewaard, zij is voor u weggelegd. Hetzij nog een uur, hetzij nog 50 of meer jaren op aarde, zij vlucht niet weg, zij blijft. Zij blijft. O dierbaar Godswoord! Laat dan alles veranderen hier beneden, laat de wereld vergaan: zij vergaat niet. Laat wetenschappen en talen teniet gaan: zij blijft. O heerlijke gedachte: laat goud en eer wegzinken: wat is het, waar die rust nooit wegzinkt. Een eeuwigheid, o ik duizel bij die gedachte, als elke duizend jaren een stofje van een hemelhoge berg wegnam, eenmaal zou daar toch een vlakte zijn; maar in die rust leven wij elke dag een duizendtal jaren en elk duizendtal jaren is dan één dag. In Eden werd eens rust gekend, maar ach, hoe werd zij verstoord. Wat geeft Christus dan veel meer dan in Eden werd verloren! Geen kind van God verzondigt die meer. Toen de mens die was gegeven, heeft hij ze verloren, maar Christus won haar weer en nu houdt Hij die zegen in eigen hand en bewaart ze eeuwig. O God, wat is uw belofte groot!
Rust, zeker, zij is niet het allereerst, ook aanvankelijk niet het allerhoogst ideaal van dit rusteloos mensenhart. Verzadiging, ontwikkeling, bevrediging ook van het stoutste verlangen, met die wens treedt de jongeling de nog onbekende levensbaan op en de man die het schaduwbeeld najaagt van roem en lof bij de mensen, verwacht gouden bergen wellicht van de voldoening van zijn brandende eerzucht. Maar wonderlijk, doch waarachtig verschijnsel; hoe langer wij leven op aarde, des te zekerder wijkt de begoocheling en duizendmaal teleurgesteld in ons eindeloos jagen en vragen, wordt het ideaal niet vijfletterig lang: "geluk", maar slechts vierletterig: "rust"; de man verwacht haar van de ouderdom, de grijsaard van de dood, de christen van een nog verborgen toekomst aan de andere zijde van het graf. Rust, nee, geen vernietiging, zoals nu voor velen het evangelie van de wanhoop luidt: geen verlies van een zelfbewustzijn, dat met zoveel smarten gepaard ging; ook geen eeuwigdurend zingen en loven, zoals een kinderlijke verbeelding zo graag de hemel voorstelt, maar een toestand, een oord, een persoonlijke genieten van rust, in de diepste en heiligste zin van het woord. Sabbatsrust, dat betekent het oorspronkelijk woord, zoals naar de gewijde oorkonden God heeft genoten, toen het werk van de schepping was volbracht. Zeker, wij weten het, ook die uitdrukking draagt een mensvormig karakter; "weet gij niet dat de eeuwige God, de Heer, de Schepper van de einden van de aarde, niet moe of mat wordt? " (Jesaja 40:28). Maar toch, wij beseffen het vaag, ook achter deze beeldspraak moet zich een hogere waarheid verbergen en liefelijk blinkt de lichtstraal die dit betekenisvolle woord het wordt alleen op deze plaats in de gewijde Schriften gevonden over het leven van de toekomst verspreidt. Goddelijke sabbatsrust, dat is ongetwijfeld een onbeschrijfelijk zalige rust waaruit het oog met stille vrede op al de volbrachte arbeid terugziet. Dat is een onvermoeid werkzame rust van de Vader, die in Zijn rust werkt tot nu toe; want hemelvreugde zonder enige arbeidstaak zou ophouden een hemel te zijn. Dat is uiteindelijk een stoorloze rust, zoals die van God zelf, verheven boven alles wat vrede en kalmte kon storen: de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan (Openbaring 21:4). Zo treedt, hoe langer hoe duidelijker, de hemel als het land van de volmaakte rust voor ons oog en ook de schoonste sabbat op aarde wordt slechts het flauwe schaduwbeeld van wat daarboven volkomen wordt gekend en genoten. En die rust blijft bestaan, zegt de tekst: na al de onrust hier beneden staat zij even zeker te wachten als er voor de vrome Israëliet nog iets beters dan het aardse Kanaän overbleef, waarin Jozua hen had binnengeleid. Ja waarlijk, zij blijft bestaan, wat ook wegvalt of wegblijft op aarde. Dat herhaalt reeds de stem van ons hart, dat, lang overtuigd en verzadigd van de onrust van het leven, toch nog het zoeken naar iets eeuwigblijvends niet nalaten kan, zonder zichzelf geweld aan te doen. Dat getuigt de stem van Gods woord in de Heilige Schriften, die op allerlei wijze ons heen wijst naar een onvergankelijk goed aan de andere kant van het graf. Dat bezegelt in het binnenste heiligdom van de gelovige christen de stem van de Heilige Geest, "die het onderpand is van onze erfenis tot de verkregen verlossing, tot prijs van Zijn heerlijkheid. " Nee, de hoop kan niet beschamen, op zo'n vaste grond gebouwd; aan het einde van de korte en toch voor ons gevoel soms zo lange arbeidsweek lacht reeds van ver de sabbat van de rust ons tegemoet. Alleen, het mag nooit vergeten worden, die rust blijft over voor het volk van God, voor geheel dat volk, maar ook voor geen ander dan dit. Men moet behoren tot het Israël van God, om in de hoop op de rust van het hemels Kanaän te leven. Het is niet genoeg in de woestijn te zijn en te zuchten, om over de doodsjordaan heen erin te gaan; als een groot deel van Israël kan men van de rust horen en ernaar verlangen, zonder er ooit in te delen. Tot het ware volk van God behoort niemand alleen door doop en belijdenis, maar allen kunnen ertoe behoren langs de weg van de wedergeboorte en of dit reeds met ons het geval is, wij kunnen, maar ook wij moeten het weten van onszelf om het huis van onze hoop op vaste grond te bouwen. O, wie zou niet bovenal begeren tot dat volk te behoren, dat door alle strijd en onrust heen, het land van de rust, onder geleide van de Meerdere dan Jozua, tegemoet trekt? Wie zou, naar de gewijde vermaning, zich niet inspannen om in deze rust in te gaan en toezien om niet achter te blijven (Vers 2, 9)? Maar wie, die deze hoop heeft, voelt ook niet soms een stil verlangen ontwaken en herhaalt met de dichter: "die rust, Gods rust, gaat ons denken, al ons denken en geloven, ver te boven! "