25. Toen nam Zippora, daar de vrees voor het leven van haar man haar hart brak, een stenen mes1) en besneed de voorhuid van haar zoon, 2) en wierp die afgesneden voorhuid, vol van hartstochtelijke opgewektheid, voor zijnvoeten, en zei: Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidegom! 3)
1) Ten tijde van Jozua werd nog een stenen mes voor de besnijdenis gebruikt Jozua 5:2). Op welk een wijze de Heere aan Mozes geopenbaard heeft, dat Zijn toorn tegen hem ontloken was, omdat zijn zoon nog niet besneden was, weten wij niet. Dat Zippora het gevoeld heeft, zoals sommigen menen, komt ons zeer twijfelachtig voor. Ongetwijfeld is het haar door haar man meegedeeld. Waaruit haar drift is te verklaren, haar opgewondenheid, waarmee zij zelf de besnijdenis ten uitvoer brengt, zoals duidelijk blijkt, met innerlijke afkeer van het hart..
2) Het voorbeeld van Zippora wordt bijgebracht, om de Doop door bijzondere personen, die niet in het Ambt zijn gesteld, te verdedigen. Maar dit voorbeeld is veelszins te misprijzen; want zij deed het in de tegenwoordigheid van haar man, als daar geen nood bij was. Zij deed het in de haast, om haar man te voorkomen. Zij deed het in boosheid. Ook wierp zij de voorhuid voor de voeten van haar man, Mozes. En het schijnt, dat zij geen gelovige, maar geheel een Midianitische vrouw was. Want zij verachtte de besnijdenis, toen zij haar man noemde een Bloedbruidegom, uit oorzaak van de besnijdenis van haar kind (Vers 26). En het schijnt, dat ten gevolge hiervan, Mozes haar weggedaan heeft, toen hij naar Egypte trok.
Het blijkt wel, dat God de besnijdenis goedgekeurd heeft, maar niet de manier van te besnijden.
3)"Bloed-bruidegom" ziet op Mozes en niet op het kind. Met bloed (vanwege de besnijdenis, zie Vers 26 ) wil Zippora zeggen, heb ik uw leven moeten kopen. Door bloedstorting zijt gij mij als uit de dood teruggegeven. Men moet de tekst geweld aandoen, om te verklaren, dat deze uitdrukking op het kind ziet..