14. U heeft die Geest ontvangen, die het onderpand (
2 Corinthiërs 5:5) is van onze erfenis, namelijk van ons, die uit het huis van Israël zijn, tot a) de verkregen verlossing, tot de verlossing, die eenmaal volkomen zou worden (
Romeinen 8:23.
Lukas 21:28) en welke nu ook u Christenen uit de heidenen, als die dezelfde genade met ons deelachtig bent geworden, ontvangen heeft, zodat u een verkregen volk, een volk van het eigendom bent (
Maleachi 3:17.
1 Petrus 2:9, tot prijs van Zijn heerlijkheid (
Vers 6,
12.
Colossenzen 1:12).
a) Exodus 19:5. Deuteronomium 7:6; 14:2; 26:18.
Van de voorstelling van de ruimste betekenis van het verlossingswerk van Christus gaat de apostel van Vers 11 af, nu over tot de meest bijzondere werkingen daarvan in de gemeente te Efeze Hij spreekt niet meer met het "wij" van Vers 11, evenals in Vers 3, in de naam van alle Christenen, maar als vertegenwoordiger van de Christenen uit de Joden, tot wie de roeping tot deelgenootschap aan het verlossingswerk in de eerste plaats was gekomen en wie Paulus ook elders (Romeinen 2:10; 9:4) een voorrang in de weg van het heil toekent. Hij past in Vers 12 op hen, in wier eigenaardige, nationale roeping het lag God te verheerlijken in het bijzonder toe, wat in Vers 6 van allen gezegd was, die tot het kindschap van God van eeuwigheid verordineerd waren. Nadat hij vervolgens heeft aangewezen dat door Christus aan de Christenen uit de Joden de goddelijke voorverordinering is verwezenlijkt en de Messiaanse profetieën vervuld zijn, wendt hij zich in Vers 13 nog in het bijzonder tot hen, die zijn brief ontvangen en wat de hoofdzaak aangaat Christenen uit de heidenen waren. Van deze kon hij niet zeggen dat zij het voor hen bestemde erfdeel hadden verkregen, omdat het voor hen niet in de eerste plaats bestemd was (Hoofdstuk 2:12), maar zij verkregen in de gave van de Heilige Geest een onderpand, dat ook hun deelneming aan de erfenis (Colossenzen 1:12) waarborgde. De Christenen uit de heidenen worden nu in de eerste plaats voorgesteld als degenen, die "het woord van de waarheid gehoord hebben", die uitdrukking door de toevoeging, het Evangelie van uw zaligheid, nader wordt verklaard; de Joden hadden namelijk het woord van de waarheid in de Messiaanse profetie reeds ten tijde van het Oude verbond bezeten; de heidenen werd het eerst in de dagen van de apostel in de prediking van het Evangelie als iets geheel nieuws verkondigd. In de verklarende bijvoeging is het woord beschreven als het evangelische en de waarheid, als een zodanige, die heil en zaligheid bewerkt. Het horen van het woord van de waarheid is dan zeker nog niet genoeg tot het teweegbrengen van de zaligheid; maar de apostel kan toch de Christenen uit de heidenen nog in de tweede plaats voorstellen als degenen, die ook hebben geloofd. De Heilige Geest nu, die zij hebben ontvangen, is evenzo het inwendige zegel van het geloof van het Nieuwe verbond, als de besnijdenis het uitwendige zegel van de wet van het Oude verbond was (Romeinen 8:15 v. Galaten 4:4 v. ; 5:3). Het verwijt tegen deze uitlegging van de drie verzen van de zijn van andere schriftverklaarders dan die wij gevolgd zijn, uitgesproken, dat daarbij de Christenen uit de Joden voorkwamen als uitgesloten van het deel hebben aan de Heilige Geest, is verkeerd, omdat het ontvangen van de Heilige Geest in het "een erfdeel worden" of "komen tot het erfdeel" reeds vanzelf ook ligt opgesloten en de apostel bovendien in Vers 14 met uitdrukkelijk doelen op de Heilige Geest, de rede tot de Christenen uit de Joden terugvoert. Is nu voor deze de Heilige Geest tot onderpand van hun erfenis tot hun verlossing, dan volgt dat de Christenen uit de heidenen, die dezelfde Heilige Geest ontvangen hebben, hun medeërfgenamen zijn en ook ingelijfd en mededeelgenoten van de belofte van God in Christus (Hoofdstuk 3:6. Handelingen 11:17). O hoeveel licht, hoeveel vreugde, hoeveel troost, hoeveel verkwikking voor het hart geniet die mens, die geleerd heeft door Jezus en door Jezus alleen zich te laten verzadigen. Toch is de verwezenlijking van Christus' dierbaarheid in dit leven op het hoogst slechts onvolkomen. Zoals een oud schrijver zegt: "het is slechts een voorsmaak. " Wij hebben gesmaakt "dat de Heere goedertieren is", maar wij weten nog niet hoe goedertieren en genadig Hij is, ofschoon alles wat wij van Zijn liefelijkheid kennen ons naar meer doet verlangen. Wij hebben de eerstelingen van de Geest genoten en zij hebben ons hongerig en dorstig gemaakt naar de volheid van de hemelse wijnoogst. Wij zuchten in onszelf, verwachtend de aanneming. Wij zijn hier zoals Israël in de woestijn, die slechts één tros druiven van Eskol hadden; daar zullen wij in de wijngaard zijn. Hier zien wij het manna, klein zoals korianderzaad, neervallen, maar daar zullen wij het hemelse brood en het eenjarig koren van het koninkrijk eten. Wij zijn nu nog slechts eerstbeginnenden in de geestelijke opvoeding; want hoewel wij de ernst van het alfabet geleerd hebben, kunnen wij nog geen woorden lezen, veel minder zinnen samenvoegen, maar het is zoals iemand zegt: "hij, die slechts vijf minuten in de hemel is geweest weet meer dan de hele vergadering van alle godgeleerden op aarde. Wij hebben nu vele onbevredigde wensen, maar eerlang zal elke begeerte voldaan worden en al onze krachten zullen wij op de liefelijkste manier in die wereld van eeuwige blijdschap kunnen aanwenden. O Christen, geniet de hemel enige jaren vooruit. Nog zeer weinig tijd en u zult van al uwe beproevingen en moeilijkheden bevrijd zijn; uw ogen, die nu vol tranen zijn, zullen niet langer wenen; u zult in onuitsprekelijke, verrukking op de glans staren van Hem, die op de troon zit. Nee, wat meer is, u zult in Zijn troon zitten. De triomf van Zijn verheerlijking zal door u gedeeld worden; Zijn kroon, Zijn vreugde, Zijn paradijs zal het uwe zijn en u zult medeërfgenaam van Hem zijn, die erfgenaam van alles is.