8. Want indien Jezus (hier en in
Handelingen 7:45 staat in de grondtekst de kortere vorm Jezus in plaats van Jozua) hen, de kinderen van Israël, tot wie het woord van de prediking in de eerste plaats was gericht (
Vers 2), in de rust gebracht had, indien Hij door de verovering van het land Kanaän en de verdeling ervan onder de 12 stammen (
Deuteronomium 31:7) hun een rust had gegeven, zoals de belofte vanaf het begin was bedoeld, dan had Hij daarna, in de tijd van David (
Vers 7), niet gesproken van een andere dag, waarop de inleiding in Zijn rust zou plaatshebben, zoals Hij dat met het "heden" doet.
De Psalm, zo wil de schrijver in Vers 6v. zeggen, geeft door van die eed van God te spreken, die Mozes' volk van het ingaan in de rust van God uitsloot, te kennen dat dat ingaan in het algemeen mag verwacht worden. Daar dit dan zo is en zij die als eerste de boodschap die dit beloofde, ontvangen hadden, maar de gehoorzaamheid van het geloof erin hadden geweigerd, niet waren ingegaan, stelde God, wiens woord toch het woord van de Psalm als woord van de Schrift is, weer een dag vast en wel in de zin van dat "heden", waarop reeds in hoofdstuk 3:15 werd gewezen. Als de schrijver zegt "door David", dan neemt hij de Psalm zoals de lezers die als een deel van de Schrift kenden; want de Alexandrijnse vertalers stellen van alle Psalmen tussen de 90e en 101e David als dichter. Is de Psalm van latere oorsprong, dan verandert dit aan de toepassing ervan door de schrijver niets, terwijl het dan des te meer blijkt dat dit woord betrekking heeft op hen die in de Heilige Schrift het woord van God hebben.