Genesis 13:14-18
Wij hebben hier een bericht van een genaderijk bezoek, dat God aan Abram bracht ter bevestiging van de belofte aan hem en de zijnen.
Merk op:
I. Wanneer God de belofte hernieuwde en bekrachtigde, nadat Lot van hem gescheiden was, dat is:
1. Nadat de twist voorbij was, want diegenen zijn het best bereid voor de bezoeken van de Goddelijke genade, wier geest kalm en bedaard is en niet verstoord is door enigerlei hartstocht.
2. Het was na Abram's nederige, zelf-verloochenende inschikkelijkheid jegens Lot ter bewaring van de vrede, dat God met dit teken van Zijn gunst tot hem kwam. God zal overvloedige vergoeding schenken in geestelijke vrede voor hetgeen wij verliezen door de vrede met onze naburen te bewaren. Toen Abram aan Lot gewillig de helft van zijn recht aanbood, kwam God en bevestigde het geheel voor hem.
3. Nadat hij het aangename gezelschap van zijn bloedverwant had verloren, door wiens vertrek zijn handen verzwakt waren en zijn hart bedroefd werd, is God met deze goede en troostrijke woorden tot hem gekomen. Gemeenschap met God kan te allen tijde vergoeding bieden voor gebrek aan omgang met onze vrienden. Als onze bloedverwanten van ons gescheiden zijn, is God toch niet van ons gescheiden.
4. Nadat Lot die lieflijke vruchtbare vallei had gekozen, en heen was gegaan om haar in bezit te nemen, uit vrees dat Abram misschien in verzoeking zou komen om hem te benijden en er berouw van te hebben, dat hij hem de keus had gelaten, komt God tot hem en verzekert hem, dat wat hij had aan hem en zijn erfgenamen zou verblijven tot in eeuwigheid, zodat Lot misschien wel het betere land had maar Abram het beste recht er op had. Lot had het paradijs, zoals het dan was, maar Abram had de belofte, en de gebeurtenissen zullen weldra bewijzen, dat Abram, hoe anders het nu ook moge schijnen, in werkelijkheid het betere deel had. Zie Job 22:20. God schonk aan Abram Zijn goedkeuring na zijn twist met Lot, zoals de kerken Paulus haar goedkeuring schonken na zijn strijd met Barnabas Handelingen 15:39, 40.
II. De beloften zelf, waarmee God Abram nu vertroost en verrijkt heeft. Hij geeft hem de verzekering van twee dingen: een goed land, en een talrijke nakomelingschap om het te bezitten.
1. Hier is de schenking van een goed land een land, vermaard boven alle andere landen want het zal het Heilige Land zijn, Immanuels land, dat is het land, waarvan hier gesproken wordt.
a. God toont hier het land aan Abram zoals Hij beloofd had, Hoofdstuk 12:1, en het later aan Mozes van de top van de Pisga getoond heeft. Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, vers 10, en hij was heengegaan om te bezitten wat hij had gezien. "Kom," zegt God tot Abram, "hef nu uw ogen op, en zie en aanschouw het uwe". Wat God ons heeft te tonen is oneindig beter en meer begerenswaardig dan alles wat de wereld ons kan doen aanschouwen. Het uitzicht van een oog des geloofs is veel rijker en schoner dan dat van een oog van de zinnen. Zij voor wie het hemelse Kanaän bestemd is in de andere wereld, hebben soms door het geloof reeds in hun tegenwoordige staat een troostrijk gezicht er op, want wij zien op hetgeen onzienlijk is als werkelijkheid, al is het dan ook nog op een afstand.
b. Hij verzekert het land aan hem en zijn zaad tot in eeuwigheid vers 15, dat zal Ik u geven, en opnieuw in vers 17, Ik zal het u geven, iedere herhaling van de belofte is een bekrachtiging er van. Aan u en uw zaad, niet aan Lot en zijn zaad, zij moesten hun erfdeel niet hebben in dit land, en daarom heeft Gods voorzienigheid het zo geleid, dat hij eerst van Abram gescheiden zou zijn, en dan zal de schenking aan hem-Abram en zijn zaad bevestigd worden. Aldus doet God dikwijls goed uit kwaad voortkomen, en maakt zonden en dwaasheden van de mensen dienstbaar aan Zijn eigen wijze en heilige raadsbesluiten. Aan u en uw zaad, aan u, om er als vreemdeling in te blijven, aan uw zaad, om er in te wonen en te heersen als eigenaars. Aan u dat is: aan uw zaad. Die schenking aan hem en de zijnen tot in eeuwigheid geeft te kennen dat het een type was van het hemelse Kanaän dat aan het geestelijk zaad van Abram voor eeuwig geschonken wordt, Hebreeën 11:14.
c. Hij stelt er hem in het bezit van, schoon het pas aan zijn nakomelingen door erfrecht zal overgaan, vers 17. "Maak u op, wandel door dit land. Kom, en neem er bezit van, neem er de delen van in ogenschouw, en het zal u blijken beter te zijn, dan toen gij het op een afstand zaagt". God is bereid om aan de erfgenamen van de belofte nog meer overvloedig de onveranderlijkheid te tonen van Zijn verbond en de onschatbare waardij van de verbondszegeningen. "Gaat rondom Zion," Psalm 48:13.
2. Hier is de belofte van een talrijke nakomelingschap om dit goede land te vervullen zodat het nooit verloren zal worden uit gebrek aan erfgenamen, vers 16. Ik zal uw zaad stellen als het zand van de aarde, dat is: "Zij zullen op ongelooflijke wijze toenemen, en allen tezamen genomen zullen zij zo'n grote menigte vormen, dat niemand ze kan tellen." Zo waren zij in Salomo's tijd, 1 Koningen 4:20. Juda nu en Israël waren velen, als zand dat aan de zee is in menigte. Daarvan geeft God hem hier de belofte. God, die in het erfdeel voorziet, voorziet ook in de erfgenamen. Hij, die het Heilige Land bereid heeft, bereidt ook het heilig zaad, Hij, die heerlijkheid geeft, geeft ook genade om voor die heerlijkheid geschikt te maken.
Eindelijk. Er wordt ons gezegd wat Abram deed, toen God aldus de belofte aan hem bevestigd had, vers 12.
1. Hij verplaatste zijn tent. God gebood hem door het land te wandelen, dat is: denk er niet aan u er in te vestigen, maar verwacht steeds ongevestigd te blijven, en er door heen te wandelen naar een beter Kanaän. In onderworpenheid aan Gods wil hierin, verplaatste hij zijn tent, zich schikkende naar de toestand van een pelgrim te zijn.
2. Hij bouwde aldaar een altaar ten teken van zijn erkentelijkheid aan God voor het vriendelijke bezoek, dat Hij hem gebracht had. Als God ons tegenkomt met genaderijke beloften, dan verwacht Hij, dat wij tot Hem zullen gaan met ootmoedige dankzegging.