Genesis 13:10-13
Wij hebben hier de keuze, die Lot gedaan heeft, toen hij van Abram scheidde. Men zou verwacht hebben:
1. Dat hij aarzeling of onwilligheid zou hebben te kennen gegeven om van Abram te scheiden, en dat hij het tenminste ongaarne gedaan zou hebben.
2. Dat hij zo beleefd zou zijn geweest om aan Abram de keus te laten. Maar wij vinden in die gehele zaak geen bewijs bij hem van eerbied of achting voor zijn oom. Abram had hem de keus aangeboden, en zonder complimenten neemt hij het aanbod aan en doet zijn keus. Hartstocht en zelfzucht maken de mensen lomp. In de keus nu, die Lot gedaan heeft, kunnen wij opmerken.
I. Hoezeer hij het oog had op de goede hoedanigheid van het land. Hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, het effen land, waarin Sodom lag, dat zij geheel bevochtigd was (en de twist was misschien ontstaan over water, waar door hij zeer bijzonder ingenomen was met die gerieflijkheid) en zo koos dan Lot voor zich de gehele vlakte, vers 10, 11. Deze vallei, die als de hof van Eden zelf was, verschafte hem nu een zeer aangenaam uitzicht, in zijn ogen was zij schoon van gelegenheid, de vreugde van de gehele aarde, daarom twijfelde hij niet of hij zou er zich zeer aangenaam kunnen vestigen dat hij in zo vruchtbaar land voorzeker voorspoed zou hebben, zeer rijk zou worden, en dat was alles waar hij het oog op had. Maar wat is er van gekomen? Ach, het eerste nieuws, dat wij van hem horen is, dat hij in de doornen onder hen is, hij en de zijnen zijn gevankelijk weggevoerd. Zolang hij onder hen leefde heeft hij zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun ongerechtige werken, en nooit heeft hij een goede dag onder hen gehad, totdat God eindelijk de stad boven zijn hoofd in brand stak en hem dwong om voor zijn veiligheid naar het gebergte te vluchten, die voor zijn genoegen en om rijk te worden de vlakte had gekozen. Een zinnelijke keuze is een zondige keuze, en zal zelden voorspoed aanbrengen. Zij, die bij het kiezen van betrekkingen, van een beroep, een woonplaats, of een vestiging, geleid en geregeerd worden door de lusten van het vlees, de lust van de ogen, of de hoogmoed des levens, en niet te rade gaan met de belangen van hun ziel en van hun Godsdienst, kunnen niet verwachten dat God met hen zal zijn, of hen zal zegenen, maar gewoonlijk zijn zij teleurgesteld, zelfs in hetgeen zij voornamelijk op het oog hebben gehad, zij verkrijgen niet, waar zij zich zoveel genot van voorspiegeld hebben. Bij al onze keuzen moeten wij geleid worden door het beginsel, dat datgene het beste voor ons is, wat het beste is voor onze ziel.
II. Hoe weinig hij de slechtheid van de inwoners overwogen heeft. En de mannen van Sodom waren boos, vers 13.
Merk op dat:
1. Hoewel allen zondaars zijn, sommigen toch groter zondaars zijn dan anderen. De mannen van Sodom waren zondaars van de eerste grootte grote zondaars voor de Heere, dat is: onbeschaamde, vermetele zondaars, zij waren het spreekwoordelijk, vandaar dat wij lezen van hen, die "hun zonde vrij uitspreken gelijk Sodom, en niet verbergen," Jesaja 3:9.
2. Dat sommige zondaren zoveel te erger zijn, omdat zij in een goed land wonen. Zo was het met de Sodomieten, want "dit was de ongerechtigheid van Sodom: hoogmoed zatheid van brood, en overvloedige ledigheid," Ezechiël 16:49, en dit alles werd in de hand gewerkt door de grote overvloed, die hun land opleverde. Aldus zal de voorspoed van de zotten hen verderven.
3. Dat God dikwijls aan grote zondaars grote overvloed geeft. De onreine Sodomieten wonen in een stad, gelegen in een vruchtbare vlakte, terwijl de gelovige Abram en zijn Godvruchtig gezin in tenten wonen op de kale bergen.
4. Als de ongerechtigheid op het hoogst is is het verderf niet ver meer. Overvloedige zonden zijn stellige voortekenen van naderende oordelen. Nu kan Lots komst om onder de Sodomieten te wonen beschouwd worden:
a. Als een grote zegen voor hen en een middel, dat hen tot bekering kan brengen, want nu hadden zij een profeet in hun midden en een prediker van de gerechtigheid. Indien zij naar hem geluisterd hadden, zij zouden hun leven verbeterd hebben, en zo zou hun verderf zijn voorkomen. God zendt predikers, eer Hij verwoesters zendt, want Hij wil niet dat enigen verloren gaan.
b. Als een grote beproeving voor Lot, die niet slechts bedroefd was door hun boosheid te zien, 2 Petrus 2:7,8, maar gekweld en vervolgd werd door hen, omdat hij niet wilde doen zoals zij deden. Het is dikwijls het verdrietige lot geweest van Godvruchtige mensen, om onder slechte naburen te moeten leven, "een vreemdeling te zijn in Mesech," Psalm 120:5, en kan niet anders, of het is nog zoveel verdrietiger, indien zij, zoals Lot hier, dit zelf door een onberaden keus over zich hebben gebracht.