1 Koningen 4:20-28
Zulk een koninkrijk en zo'n hof als dat van Salomo was volgens de beschrijving, die er hier van gegeven is, heeft voorzeker nooit een ander vorst gehad.
I. Zulk een koninkrijk. Nooit heeft de kroon Israëls geschitterd met zo'n luister, als toen Salomo haar droeg, nooit in de dagen zijns vaders, en nooit in de dagen van een van zijn opvolgers, en nooit ook is dat koninkrijk zo heerlijk een type geweest van het koninkrijk van de Messias, als het toen geweest is. Het bericht, dat er hier van gegeven wordt, beantwoordt volkomen aan de profetieën, die wij er van hebben in Psalm 72, die een psalm is voor Salomo, maar met betrekking tot Christus.
1. Het grondgebied van zijn rijk was groot, en zijn schatplichtigen velen, aldus was voorzegd, dat hij zou heersen van zee tot zee, Psalm 72:8, 11. Salomo regeerde niet alleen over geheel Israël, die zijn onderdanen waren door keus, maar over al de naburige koninkrijken, die zijn onderdanen waren door dwang. Al de vorsten, van de Eufraat in het noordoosten, tot aan de grens van Egypte in het zuidwesten, droegen niet slechts bij tot zijn eer door hem hulde te doen en hun kronen van hem te houden, maar vermeerderden ook zijn rijkdom door hem te dienen en hem geschenken te brengen, vers 21. David heeft hen door zijn voorspoedig gevoerde oorlogen tot die onderwerping gebracht, en Salomo heeft haar door zijn bewonderenswaardige wijsheid licht en redelijk gemaakt, want het is voegzaam, dat de dwaas een knecht is desgenen, die wijs van hart is. Gaven zij hem geschenken, hij gaf hun onderricht, en leerde het volk nog wetenschap, niet alleen zijn eigen volk maar ook andere natiën, en: wijsheid is beter dan goud. Hij had vrede van alle zijden rondom, vers 24. Geen van de volken, die hem onderworpen waren, heeft het beproefd zijn juk af te werpen of hem enigerlei moeite te veroorzaken, zij achtten zich veeleer gelukkig in hun afhankelijkheid van hem. Hierin was zijn koninkrijk een type van het koninkrijk van de Messias want Hem is beloofd, dat Hij "de heidenen zal hebben tot Zijn erfdeel,' en dat vorsten zich voor Hem zullen huigen, Jesaja 49:6, 7.
2. De onderdanen van Zijn koninkrijk en zijn inwoners waren talrijk en goedsmoeds.
a. Zij waren talrijk: het land was zeer volkrijk, vers 20. Juda en Israël waren velen, en dat goede land kon hen allen onderhouden. Zij waren als het zand, dat aan de zee is in menigte. Nu was de belofte vervuld, gedaan aan Abraham, betreffende de vermenigvuldiging van zijn zaad, Genesis 22:17, zowel als die betreffende de uitgestrektheid van hun heerschappij, Genesis 15:18. Dit was hun kracht en hun schoonheid, de eer van hun vorst, de schrik hunner vijanden, en een bevordering van de rijkdom des volks. Als zij zo talrijk werden, dat de plaats ergens te eng voor hen werd, dan konden zij met voordeel verhuizen naar de landen, die hen onderworpen waren. Gods geestelijk Israël zijn velen, dat zullen zij tenminste zijn als zij allen samen zullen komen, Openbaring 7:9
b. Zij waren gerust, zij woonden veilig, of met vertrouwen en verzekerdheid, vers 25, niet naijverig op hun koning, of op zijn beambten, niet ontevreden op hem, of op elkaar, noch onder enigerlei vrees voor gevaar van vijanden, van buiten of van binnen. Zij waren gelukkig, en wisten het, hadden er de bewustheid van. Zij woonden een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom. Salomo maakte op niemands bezitting inbreuk, nam niemands wijngaard of olijfgaard, zoals soms de wijze des konings was, 1 Samuël 8:14, wat zij hadden konden zij hun eigendom noemen, hij beschermde ieder in de bezitting en het genot van zijn goed. Zij, die wijnstokken en vijgebomen hadden, aten zelf de vruchten er van, en zo groot was de vrede des lands, dat zij, indien het hun behaagde, even veilig onder hun schaduw konden wonen, als binnen de muren van een stad. Of, omdat zij gewoonlijk wijnstokken aan de zijden van hun huis hadden, Psalm 128:3, worden zij hier gezegd onder hun wijnstok te wonen.
c. Zij waren blijmoedig in het gebruik van hun overvloed, etende en drinkende, en blijde zijnde, vers 20. Salomo heeft niet alleen zelf een goede tafel gehouden, maar al zijn onderdanen in staat gesteld om, overeenkomstig hun rang, hetzelfde te doen, en hen geleerd dat God hun hun overvloed heeft gegeven om er met soberheid en aangenaamheid gebruik van te maken, niet om hem op te hopen. "Het is goed voor de mens dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid," Prediker 2:24, en dat wel "met vreugde en van goeder harte," Prediker 9:7. Zijn vader had in zijn psalmen het volk geleid in de vertroostende genietingen van gemeenschap met God, en nu leidde hij -Salomo-hen in het aangename gebruiken van de goede dingen dezes levens. Deze aangename toestand van Israël strekte zich uit van Dan tot Berseba, geen deel van het land was aan enigerlei gevaar blootgesteld, of, om wat het ook zij, ontrust, en hij hield lang aan, gedurende al de dagen van Salomo zonder een onderbreking van enige betekenis. Ga heen waar gij wilt, overal kunt gij de tekenen bespeuren van overvloed, vrede en tevredenheid. De geestelijke blijdschap, vrede en heilige gerustheid van al de getrouwe onderdanen van de Here Jezus zijn hierdoor afgeschaduwd. Het koninkrijk Gods is niet, zoals dat van Salomo geweest is, spijs en drank, maar, wat oneindig beter is, rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest.
II. Salomo hield een hof, dat nauwelijks geëvenaard kon worden. Wij kunnen ons van het ontzaglijk groot aantal van zijn dienaren en van de gestadige toeloop tot hem enig denkbeeld vormen naar de dagelijkse provisie voor zijn tafel. Men heeft berekend dat het meelbloem en het meel ruim voldoende waren voor het bereiden van brood voor drie duizend man, (Carellus berekent het voor meer dan acht en veertig honderd man) en de voorraad vlees, vers 23, is naar verhouding nog groter. Welke ontzaglijke hoeveelheden had men hier van rundvlees, schapevlees, en wild, en de keur van al het gemeste, zoals sommigen de woorden lezen, die wij vertalen door gemeste vogelen. Ahasveros heeft eens gedurende zijn regering "een maaltijd gemaakt om de rijkdom van de heerlijkheid zijns rijks te vertonen," Esther 1:3, 4. Maar het was veel meer de heerlijkheid van Salomo, dat hij voortdurend open tafel hield, rijk voorzien, niet van lekkernijen en een leugenachtig brood-hij zelf heeft daartegen getuigd, Spreuken 23:3 maar van degelijke spijzen, om hen te onthalen, die kwamen om zijn wijsheid te horen. Aldus heeft Christus hen, die Hij onderwees, gevoed, vijf duizend op eenmaal, meer dan Salomo's tafel ooit tegelijk onthalen kon, alle gelovigen hebben in Hem een voortdurend feestmaal. Hierin overtreft Hij Salomo zeer ver, dat Hij al Zijn onderdanen voedt, niet met de spijs, die vergaat, maar met de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven.
Het droeg zeer veel bij tot de sterkte en heerlijkheid van Salomo's koninkrijk, dat hij zoveel paarden had, veertig duizend voor wagenen, en twaalf duizend voor zijn troepen, duizend ruiters misschien in elke stam om de openbare orde te bewaren, vers 26. God had geboden dat hun koning de paarden niet voor zich zou vermenigvuldigen, Deuteronomium 17:16, en naar het bericht dat hier gegeven wordt, in aanmerking genomen de uitgestrektheid en de rijkdom van Salomo's koninkrijk, heeft hij, in evenredigheid met zijn naburen, de paarden ook niet vermenigvuldigd, want wij bevinden dat zelfs de Filistijnen nog dertig duizend wagenen te velde hebben gebracht, 1 Samuël 13:5, en de Syriërs tenminste veertig duizend ruiteren, 2 Samuël 10:18. Dezelfde beambten, die zijn huis verzorgden, verzorgden ook zijn tafel, vers 27, 28. Ieder kende zijn plaats, zijn werk en zijn tijd, en zo werd dit grote hof gehouden zonder wanorde of stoornis. Salomo die zeer ruime inkomsten had, leefde met grote onkosten, en misschien heeft hij met toepassing op zichzelf geschreven wat wij lezen in Prediker 5:10-11, "waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten, wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan dan het gezicht hunner ogen," tenzij zij daarbij de voldoening smaken van er goed mee te doen?