Genesis 14:13-16
Wij hebben hier een bericht van de enige militaire handeling, waarin wij Abraham ooit betrokken vinden, en tot deze krijgsverrichting werd hij gedrongen, niet door gierigheid of eerzucht, maar zuiver en alleen door een beginsel van naastenliefde, hij deed het niet om zich te verrijken, maar om zijn vriend te helpen. Nooit werd een krijgstocht meer eervol ondernomen en ten einde gebracht dan deze krijgstocht van Abram. Hier is:
I. De tijding, die hem gebracht werd van het ongeluk, dat zijn bloedverwant was overkomen. Gods voorzienigheid had het zo geleid, dat hij zich thans niet veraf bevond, zodat hij een dadelijke hulp kon wezen.
1. Hij wordt hier Abram de Hebreeër genoemd dat is: de zoon en volgeling van Heber, in wiens geslacht de belijdenis van de ware godsdienst in deze ontaarde tijd bewaard was gebleven. Abram handelde hierin als een Hebreeër-op een wijze, niet onwaardig de naam en de hoedanigheid van een belijder van de godsdienst.
2. De tijding werd hem gebracht door iemand die ontkomen was. Waarschijnlijk was hij een Sodomiet, en even slecht als de slechtste van hen, maar Abrams betrekking tot Lot kennende en zijn zorg over hem, smeekt hij hem om hulp, en hoopt op een goede uitslag om Lots wil. De slechtste mensen zullen in de dag van hun benauwdheid gaarne aanspraak maken op bekendheid met hen, die wijs en goed zijn, om aldus hun belangstelling te verkrijgen. De rijke man in de hel noemde Abram "vader' en de dwaze maagden richtten een vriendelijk verzoek aan de wijze maagden om een deel van haar olie.
II. Zijn toebereidselen voor deze krijgstocht. De zaak was blijkbaar goed, zijn roeping om er zich in te mengen duidelijk, en daarom wapende hij in allerijl zijn geoefende dienstknechten, die niet alleen onderwezen waren in de krijgskunst, welke toen bij lange na nog niet tot de volkomenheid gebracht was, waartoe zij in later en slechter tijden was opgevoerd maar ook onderwezen in de beginselen van de godsdienst, want Abram heeft zijn huis bevolen de weg van de Heer te houden. Dit toont aan dat Abram:
1. Een groot, aanzienlijk man was, die vele dienstknechten had, die van hem afhankelijk waren en door hem gebruikt werden, hetgeen niet slechts zijn kracht en zijn eer was, maar hem ruime gelegenheid gaf om goed te doen hetgeen alles is dat werkelijk schatbaar en begerenswaardig is in grote bezittingen.
2. Een goed man was, die niet alleen zelf God diende, maar allen, die hem omringden, in de dienst van God onderwees. Zij, die aan het hoofd staan van een groot gezin, hebben niet slechts voor vele lichamen te zorgen, maar ook voor vele zielen. Zij, die bevonden willen worden, volgelingen van Abram te zijn, moeten er voor zorgen, dat hun dienstboden onderwezen zijn in de godsdienst.
3. Een wijs man was, want hoewel hij een man van vrede was, heeft hij toch zijn dienstknechten onderricht voor de oorlog, niet wetende hoe nodig het hem zou zijn om hen op de een of andere tijd daarvoor te gebruiken. Hoewel onze heilige godsdienst ons leert vóór vrede te wezen, verbiedt hij ons toch niet om voor de krijg te voorzien. III. Zijn bondgenoten, die met hem uittogen. Hij bewoog zijn naburen Aner, Eskol en Mamre (met wie hij goede gemeenschap onderhield) om met hem op te trekken. Het was verstandig van hem om aldus zijn eigen troepenmacht door hulptroepen te versterken, en waarschijnlijk achtten zij het voor hen van belang om met hem tegen deze geduchte macht op te rukken, omdat het anders weldra hun beurt zou zijn om tenonder gebracht te worden. Het is onze wijsheid en onze plicht om ons met zoveel achting en welwillendheid jegens anderen te gedragen, dat zij, wanneer de gelegenheid er zich toe voordoet, ook gaarne bereid zijn ons een dienst te bewijzen. Zij, die zich afhankelijk weten van Gods hulp, behoren toch in tijden van nood gebruik te maken van de hulp van mensen als Gods voorzienigheid hun die hulp beschikt, want anders verzoeken zij God.
IV. Zijn kloekmoedigheid en zijn gedrag waren zeer opmerkelijk. De onderneming zelf toonde bijzondere dapperheid, in aanmerking genomen de nadelige positie, waarin hij zich bevond. Wat kon een enkel gezin van landbouwers en schaapherders uitrichten tegen de legerscharen van vier vorsten, die zoeven een grote overwinning behaald hadden? Het was geen overwonnen, maar een zegevierend leger, dat hij ging vervolgen. En het was niet door eigen nood gedrongen, dat hij die stoutmoedige poging waagde, neen, hij werd er toe bewogen door zuivere edelmoedigheid, zodat het, alles wel overwogen, voorzover ik weet, een even groot voorbeeld was van ware dapperheid of kloekmoedigheid, als waarvoor ooit Alexander of Cesar beroemd zijn geworden. De godsdienst strekt om de mensen niet lafhartig, maar waarlijk moedig te maken. De rechtvaardige is stoutmoedig als een leeuw. De ware Christen is de ware held.
Er was veel beleid in de leiding van de veldtocht. Abram was geen vreemdeling voor krijgslisten. Hij verdeelde zich, evenals Gideon met zijn kleine bende gedaan heeft, Richteren 7:16, om de vijand van verschillende zijden tegelijk aan te vallen, en aldus zijn weinige manschappen het aanzien te geven van een groot leger. Hij viel hen des nachts aan ten einde hen te verrassen. Een eerlijk beleid is dienstig zowel voor onze eigen veiligheid, als voor onze nuttigheid. Het slangenhoofd (mits het niets met de oude slang van doen heeft) kan zeer goed passen bij het lichaam van een christen, inzonderheid als er het oog van de duif in is, Mattheus 10:16.
V. Hij had een aanmerkelijk succes, vers 15, 16. Hij versloeg zijn vijanden en redde zijn vrienden, en wij bevinden niet dat hij van zijn kant enig verlies had geleden. Zij, die zich met een kloekmoedig hart in een goede zaak wagen, zijn onder de bijzondere bescherming van een goede God, en hebben reden om op een goede uitslag te hopen. Bij "de Heer is geen verhindering om te verlossen door velen of door weinigen," 1 Samuël 14:6. Merk op:
1. Hij redde zijn bloedverwant, tweemaal wordt deze hier Lot zijn broeder, genoemd. De herinnering aan de betrekking tussen hen, beide van nature en door genade, deed hem de kleine twist vergeten, die er tussen hen geweest was, en waarin Lot alles behalve wel met Abram had gehandeld. Met recht zou Abram Lot zijn dwaasheid van met hem te twisten hebben kunnen verwijten, en zijn dwaasheid ook om van hem weg te gaan. Hij zou hem hebben kunnen zeggen, dat hij nu had wat hij verdiend heeft, en het had moeten weten, toen het hem goed ging, opdat het hem zou blijven goed gaan, maar in het liefderijk gemoed van de vrome Abram huist geen wrok, alles is vergeven en vergeten, en hij grijpt deze gelegenheid aan om een sprekend bewijs te leveren van de oprechtheid van zijn verzoening. Wij behoren, als wij de macht er toe hebben, steeds bereid te zijn om hun te hulp te komen, die in nood of benauwdheid zijn inzonderheid onze bloedverwanten en vrienden. "Een broeder wordt in de benauwdheid geboren," Spreuken 17:17. Een vriend in de nood is een ware vriend. Hoewel anderen in hun plicht jegens ons tekort zijn gekomen, moeten wij daarom toch niet weigeren onze plicht aan hen te doen. Sommigen hebben gezegd, dat het hun lichter valt hun vijanden te vergeven dan hun vrienden, maar wij zullen bevinden dat wij verplicht zijn beiden te vergeven, als wij bedenken, niet alleen dat onze God ons, toen wij nog vijanden waren, verzoend heeft, maar ook dat Hij "de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat,' Micha 7:18.
2. Om Lots wil heeft hij ook de overige gevangenen bevrijd, hoewel zij vreemdelingen voor hem waren, aan wie hij generlei verplichting had, ja hoewel zij Sodomieten waren en grote zondaars tegen de Here, en hij waarschijnlijk Lot alleen door een rantsoen had kunnen bevrijden, heeft hij toch ook de vrouwen, het volk en hun have teruggebracht, vers 16. Als wij er de gelegenheid toe hebben moeten wij goed doen aan alle mensen. Onze liefdadigheid moet uitgebreid zijn, naar de gelegenheid er toe zich voordoet. Overal waar God leven geeft, moeten wij zonder morren of tegenzin zoveel wij kunnen onze hulp verlenen om het te onderhouden. God doet wel aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen Mattheus 5:45, en dat moeten ook wij. Naar deze overwinning, die Abram behaalde over de koningen, schijnt de profeet te verwijzen, Jesaja 41:2. "Wie heeft van den opgang (dat is: van het oosten) die rechtvaardige verwekt, en gemaakt dat hij over koningen heerste?" En sommigen opperen het denkbeeld, dat hij, gelijk hij tevoren reeds recht had op dit land door schenking, er nu ook recht op had door verovering.