Handelingen 15:36-41
Wij hebben een ongelukkig geschil onder de broederen, dat van algemeen belang was, tot een goed einde zien komen, maar hier hebben wij een bijzonderen twist tussen twee leraren, gene minderen dan Paulus en Barnabas, die wel niet geschikt wordt, maar toch ook goed eindigt.
I. Hier is een goed voorstel, gedaan door Paulus aan Barnabas, om hun werk onder de Heidenen in ogenschouw te gaan nemen, en het te vernieuwen, ene rondreis te gaan doen onder de gemeenten, die zij hadden gesticht, en te zien, welken voortgang het Evangelie onder hen heeft gehad. Antiochië was nu ene veilige, rustige haven voor hen, zij hadden daar geen tegenstander of boze ontmoeting, maar Paulus herinnerde zich, dat zij daar slechts waren om uit te rusten en zich te verfrissen, en daarom begint hij er nu aan te denken om weer zee te kiezen, en daar zij nu lang genoeg de winterkwartieren hadden betrokken, is hij er voor om weer een veldtocht te ondernemen, en den heiligen oorlog tegen het rijk van Satan krachtig voort te zetten. Paulus gedenkt, dat het voor hem bestemde werk is ver onder de Heidenen, en daarom bepeinst hij een tweede reize onder hen om hetzelfde werk te gaan doen, al is het ook, dat hij er dezelfde moeilijkheden bij zal ontmoeten. En dat was reeds na enige dagen, want zijn werkzame geest kon het niet dragen lang van zijn arbeid weg te blijven, zijn kloekmoedig hart niet lang buiten gevaar blijven. Merk op:
1. Aan wie hij dit voorstel deed, aan Barnabas, zijn ouden vriend en mede-arbeider, hij wenst zijn gezelschap en zijne hulp bij het werk. Wij hebben behoefte aan elkaar, en kunnen op velerlei wijze elkaar van dienst zijn, en daarom moeten wij genegen zijn hulp te vragen en te verlenen. Twee zijn beter dan een. Iedere krijgsknecht heeft zijn krijgsmakker.
2. Voor wie het bezoek bestemd is. "Laat-ons niet terstond een nieuw werk beginnen, of nieuwen grond gaan ontginnen, maar laat ons de akkers gaan zien, die wij bezaaid hebben, Laat ons vroeg ons opmaken, laat ons zien of de wijnstok bloeit, Hooglied 7:12. Laat ons nu wederkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het woord des Heeren verkondigd hebben". Merk op: hij noemt al de Christenen, en niet slechts de leraren, broeders, want, hebben wij niet allen een Vader? Hij heeft zorge over hen in iedere stad, zelfs daar, waar de broederen het geringst in aantal en het armst waren, het meest vervolgd en ver acht, laat ons hen gaan bezoeken. Waar wij ook het woord des Heeren hebben verkondigd, laat ons heengaan om het gezaaide zaad te bewateren. Zij, die het Evangelie hebben gepredikt, moeten hen bezoeken, tot wie zij gepredikt hebben. Gelijk wij acht moeten geven op ons gebed, en horen moeten welk antwoord God er op geeft, zo moeten wij ook acht geven op onze prediking, en zien welken goeden uitslag zij heeft gehad. Getrouwe leraren kunnen niet anders dan ene bijzondere, tedere zorge hebben over hen, tot wie zij het Evangelie gepredikt hebben, opdat hun arbeid aan hen niet ijdel zal wezen. Zie 1 Thessalonicenzen 3:5, 6.
3. Wat beoogd werd met dit bezoek: "Laat ons zien, hoe zij het hebben", poos echousi hoe het met hen is. Het was gene blote beleefdheid, die hij op het oog had, noch heeft hij zulk ene reize ondernomen voor een gewoon: "Hoe gaat het u?" Neen, hij wilde hen bezoeken, om met hun toestand bekend te worden, en hun dan zulke geestelijke gaven toe te dienen, als voor dezen hun toestand gepast was, zoals de geneesheer zijn herstellenden patiënt bezoekt, ten einde voor te schrijven wat voor de voltooiing der genezing nodig is, en een weer instorten te voorkomen. Laat ons zien, hoe zij het hebben, dat is: a. Van welken geest zij zijn, hoe zij zich gedragen. Waarschijnlijk hebben zij dikwijls van hen gehoord, "maar laat ons gaan zien, of zij vasthouden aan hetgeen wij hun gepredikt hebben, en er naar leven, opdat, zo zij zijn afgedwaald, wij zullen pogen hen terug te brengen, en, zo zij wankelen, hen trachten te bevestigen, en zo wij hen standvastig vinden, hen zullen vertroosten."
b. In welken toestand zij zijn, of de gemeenten rust en vrijheid hebben, of in benauwdheid of moeilijkheid zijn, opdat wij, zo zij blijde zijn, ons met hen verblijden, en hen waarschuwen tegen valse gerustheid, of met hen wenen, indien zij wenen, en hen vertroosten onder het kruis, en des te beter mogen weten hoe voor hen te bidden.
II. Het geschil tussen Paulus en Barnabas wegens een helper. Het was geriefelijk een jongen man bij zich te hebben, om hun hulp en dienst te bewijzen, en een getuige te zijn van hun leer, hun leven en hun lijdzaamheid, en die tot verderen dienst opgeleid en bekwaam gemaakt zou worden, door nu en dan in den tegenwoordigen dienst te worden gebruikt.
1. Barnabas wenste daarom, dat zijn neef Johannes, die toegenaamd was Markus, hen zou vergezellen, vers 37. Hij besloot hem mede te nemen, omdat hij zijn bloedverwant was en waarschijnlijk door hem was opgevoed, en zo was hij hem zeer genegen, en ging hem zijn welzijn ter harte. Wij moeten op onze hoede zijn tegen partijdigheid bij het bevorderen onzer bloedverwanten.
2. Paulus verzette er zich tegen, vers 38.
Paulus achtte billijk, dat men dien niet zou medenemen, ouk exiou -hij achtte hem die ere niet waardig, en niet geschikt voor zulke dienst, die heimelijk, naar het scheen, zonder hun voorkennis, of eigenzinnig, zonder hun toestemming, hen van Pamfylië af verlaten had, Hoofdstuk 13:13, en met hen niet was gegaan tot het werk, hetzij omdat hij traag was, en zich de moeite niet wilde geven, die vereist werd, of lafhartig, en zich niet aan gevaar wilde blootstellen. Hij verliet het vaandel juist op het ogenblik toen de strijd werd aangevangen. Waarschijnlijk gaf hij nu wel alle hoop, dat hij zich hier niet weer aan schuldig zou maken, maar Paulus dacht, dat het niet billijk was hem aldus te eren, die zijne eer verbeurd had, noch in den dienst te gebruiken, die het in hem gestelde vertrouwen beschaamd had, ten minste niet, voordat hij langer op de proef was gesteld. Als iemand mij eens bedriegt, dan is dit zijne schuld, maar als hij het tweemaal doet, dan is het mijne schuld, daar ik hem wederom vertrouwd heb. Salomo zegt: Het vertrouwen op een trouweloze ten dage der benauwdheid is als een gebroken tand en een verstuikte voet, en die zal dus nauwelijks wederom gebruikt kunnen worden, Spreuken 25:19.
III. Het gevolg van dit geschil, dat zo hoog liep, dat zij er van elkaar om gescheiden zijn. De twist, het paroxysmus (dat is het woord, hier gebruikt), de aanval van hartstocht, waarin zij beiden geraakten, was zo hevig, dat zij van elkaar gescheiden zijn. Barnabas wilde beslist niet met Paulus gaan, tenzij zij Markus medenamen, Paulus was even beslist, dat hij niet wilde gaan, als Johannes medeging. Geen van beiden wilde toegeven, en daarom staat er niets anders op, dan dat zij scheiden. Dit nu is ene zaak, die zeer verontmoedigend is, en met recht betreurenswaardig, maar toch ook zeer leerrijk. Want wij zien:
1. Dat de beste mensen toch slechts mensen zijn, van gelijke bewegingen als wij, zoals deze twee Godvruchtige mannen dit ook van zich zelven verklaard hebben, Hoofdstuk 14:15, en nu bleek dit maar al te waar te zijn. Ik denk, dat er (zoals gewoonlijk bij zulke twisten) aan beide zijden schuld was. Paulus was misschien al te streng voor den jongen man, en heeft van zijne fout niet de verzachtende omstandigheden willen laten gelden, die er voor aangevoerd konden worden, hij heeft niet bedacht welk ene nuttige vrouw zijne moeder was te Jeruzalem, Hoofdstuk 12:12, en de inschikkelijkheid niet betoond, die hij had kunnen betonen voor Barnabas' natuurlijke genegenheid. Maar het was de schuld van Barnabas, dat hij die in aanmerking nam bij ene zaak, waarin de belangen van Christus, koninkrijk waren betrokken, en er te veel aan heeft toegegeven. En voorzeker hadden zij beiden schuld, door den twist zo hevig te laten worden, (het is te vrezen, dat zij elkaar harde woorden hebben toegevoegd) en zo hardnekkig waren, dat beiden op hun stuk bleven staan, en elkaar niets wilden toegeven. Het was te betreuren, dat zij met hun geschil niet naar een derden persoon gegaan zijn, of dat de een of andere vriend niet tussen beiden is getreden, ten einde te voorkomen, dat er ene openlijke breuk ontstond. Is er dan geen wijs man onder hen, om hun zijne goede diensten aan te bieden, en de zaak te schikken, hen er aan te herinneren dat de Kanaäniet en de Periziet nu in het land waren, en dat niet slechts Joden en Heidenen, maar ook de valse broederen onder hen zich de handen zullen warmen aan het vuur der twisting tussen Paulus en Barnabas? Wij moeten erkennen, dat het hun zwakheid was, en dat het vermeld is ter onzer waarschuwing, niet om onze eigene drift en hartstochtelijkheid te verontschuldigen, of er het scherpe van onze smart en schaamte over weg te nemen. Wij moeten niet zeggen: "Wat komt het er op aan, dat ik mij driftig gemaakt heb? Hebben Paulus en Barnabas het ook niet gedaan?" Neen, maar het moet ons afkeuren van anderen in toom houden en het matigen. Als vrome mensen in drift geraken, dan hebben wij hier ene lering uit te trekken, het was voor ene enkele maal de zwakheid van twee der beste mensen, die ooit op de wereld geweest zijn! Het berouw leert ons streng te zijn in ons beoordelen van ons zelven: maar de liefde leert ons billijk te zijn in ons beoordelen van anderen. Christus' voorbeeld alleen is een voorbeeld zonder vlek of gebrek.
2. Dat wij het niet vreemd moeten achten, als er eens geschil is tussen wijze en goede mannen. Er was ons te voren gezegd, dat er zulke ergernissen komen zouden, en hier is er een voorbeeld van. Zelfs zij, die verenigd zijn in dezelfden Jezus, en geheiligd zijn door dezelfden Geest, hebben verschillende opvattingen, verschillende meningen, verschillende zienswijzen, en verschillende gevoelens in zake van beleid. Zolang wij in dezen staat van duisternis en onvolmaaktheid zijn, zal dit altijd zo wezen. Wij zullen nooit allen van een zelfde gevoelen zijn voor wij in den hemel komen, waar licht en liefde volmaakt zijn. Dat is liefde, die nimmermeer vergaat.
3. Dat deze geschillen dikwijls zo zeer de overhand hebben, dat zij scheiding veroorzaken. Paulus en Barnabas, die niet gescheiden werden door de vervolging van de ongelovige Joden, noch door de aanmatigende willekeur van de gelovige Joden, werden nu toch gescheiden door ene ongelukkige onenigheid onder elkaar. O! hoe groot is het kwaad, dat zelfs de zwakke en armzalige overblijfselen van hoogmoed en hartstocht, die zelfs in Godvruchtige mensen gevonden worden, in de wereld en in de kerk veroorzaken! Geen wonder, dat, waar zij heersen, de gevolgen noodlottig zijn!
IV. Het goed, dat uit dit kwaad is voortgekomen. Spijze uit den eter, en zoetigheid uit den sterke. Het was verwonderlijk, dat zelfs het lijden der apostelen, Filippenzen 1:12, en nog veel meer verwonderlijk, dat zelfs de twist der apostelen gestrekt zou hebben tot bevordering van het Evangelie van Christus, maar toch is dit hier gebleken. God zou zulke dingen niet toelaten, indien Hij ze niet wist dienstbaar te maken aan Zijne voornemens en bedoelingen. 1. Hierdoor zijn meer plaatsen bezocht geworden. Barnabas ging een weg op, hij voer af naar Cyprus, vers 39, het vermaarde eiland, waar zij met hun werk waren begonnen, Hoofdstuk 13:4, en dat zijn vaderland was, Hoofdstuk 4:36. Paulus ging een anderen weg, naar Cilicië, dat zijn vaderland was, Hoofdstuk 21:39. Ieder hunner schijnt onder den invloed geweest te zijn van hun liefde voor den geboortegrond, zoals dat gewoonlijk het geval is, (Nescio quâ natale solum dulcedine cunctos ducit. -Er is iets, dat ons allen hecht aan onzen geboortegrond,) en toch heeft God Zijne eigene doeleinden er door tot stand gebracht, ter verspreiding van het licht des Evangelies.
2. Meer arbeiders werden er door gebruikt in den dienst van het Evangelie onder de Heidenen, want Johannes Markus, wordt niet verworpen, maar wederom gebruikt, tegen den zin van Paulus, en, voor zover wij weten, is hij nu gebleken getrouw en nuttig te zijn, hoewel velen denken, dat hij niet de Markus is, die het Evangelie geschreven heeft en de gemeente te Alexandrië heeft gesticht, en dien Petrus zijn zoon noemt, 1 Petrus 5:13. Silas, die een nieuwe arbeider was, en nog nooit in dat werk gebruikt was geworden, en er ook niet voor bestemd was, maar wel om terug te keren tot den dienst van de gemeente te Jeruzalem, indien God zijn zin en wil niet had veranderd, vers 33, 34, wordt nu ingeleid, om in dat edele werk gebruikt te worden. Verder kunnen wij opmerken: Ten eerste. Dat de gemeente te Antiochië Paulus scheen te steunen in hetgeen hij deed. Barnabas voer af met zijn neef naar Cyprus, en er wordt gene nota van hem genomen, noch hem een bene discessit - gene aanbeveling medegegeven. Zij, die bij hun dienen van de gemeente zich door bijzondere voorliefde o genegenheid laten leiden, verbeuren de openbare achting en eerbetoning. Maar toen Paulus vertrok, werd hij van de broederen der genade Gods bevolen. Zij dachten, dat hij gelijk had in zijne weigering om van de diensten van Johannes Markus gebruik te maken, en konden niet anders dan het in Barnabas afkeuren, dat hij er op aandrong, hoewel hij iemand was, die zich zeer verdienstelijk had gemaakt bij de gemeente, Hoofdstuk 11:22, voordat zij nog met Paulus bekend was geworden. Daarom hebben zij in het openbaar voor Paulus gebeden en voor den voorspoed op zijn arbeid, hem bemoedigd om voort te gaan met zijn werk, en hoewel zij zelven niets konden doen om hem te helpen of voorspoedig te maken, hebben zij de zaak overgedragen aan de genade Gods, beide om in hem en met hem te werken. Diegenen zijn ten allen tijde gelukkig, maar inzonderheid in tijden van onenigheid en twist, die bekwaam zijn gemaakt, om zich zo te gedragen, dat zij de belangstelling, de liefde en het gebed van Godvruchtige mensen niet verbeuren.
Ten tweede. Dat Paulus later evenwel, ofschoon niet bij nader bedenken, maar bij nadere op de proefstelling, betere gedachten omtrent Johannes Markus heeft gekoesterd dan hij nu had, want hij schrijft aan Timotheus, 2 Timotheus 4:11 :Neem Markus mede, en breng hem met u, want hij is mij zeer nut tot den dienst, en hij schrijft aan de Colossenzen betreffende Markus, den neef van Barnabas, dat, zo hij tot hen komt, zij hem moeten ontvangen, hem welkom moeten heten, en in den dienst gebruiken, Colossenzen 4:10. En dat leert ons,
a. Dat wij, zelfs diegenen, die wij terecht veroordelen, toch met gematigdheid moeten veroordelen, omdat wij niet weten, of wij later gene reden zullen hebben om betere gedachten omtrent hen te koes- teren, gebruik van hen zullen maken en hen tot onze vrienden zullen hebben, en zo moeten wij dan onze gevoeligheid op zulk ene gematigde wijze tonen, dat wij er ons later niet over behoeven te schamen. b. Dat wij zelfs hen, die wij terecht hebben veroordeeld, indien zij later blijken geven van meer trouw, blijmoedig moeten aannemen, vergeven moeten en vergeten, hun vertrouwen moeten betonen, en, als de gelegenheid er zich toe voordoet, een goed woord moeten geven.
Ten derde. Dat Paulus, hoewel hij zijn ouden vriend en metgezel in het koninkrijk en de lijdzaamheid van Jezus Christus miste, toch goedsmoeds voortging met zijn arbeid, vers 41. Hij doorreisde Syrië en Cilicië, landstreken, die om Antiochië lagen, versterkende de gemeenten. Wij kunnen wel andere collega's krijgen, maar geen anderen President. Merk hier op, dat Evangeliedienaren goed werk verrichten, en daarmee ook tevreden moeten zijn, als zij gebruikt worden om diegenen te bevestigen, die geloven, even goed als wanneer zij diegenen, die niet geloven, tot bekering leiden.