Psalm 98:4-9
De oprichting van het koninkrijk van Christus wordt hier voorgesteld als een zaak van vreugde en lofzegging.
1. Laat al de kinderen van de mensen er zich in verblijden, want allen hebben zij er voordeel van, of kunnen het hebben. Telkens en nogmaals worden wij hier opgeroepen om op allerlei wijze onze vreugde er over uit te drukken, en er God de lof voor te geven. Juicht, zoals tevoren, Psalm 95:1, 2, roept uit van vreugde, als degenen, die aangedaan zijn door deze blijde tijdingen, en wensen dat ook anderen er door aangedaan zullen worden. Juicht en zingt vrolijk, Psalmzingt zingt Hosanna, Mattheus 21:9, zingt Hallelujah, Openbaring 19:6. Laat Hem welkom wezen op de troon, zoals nieuwe koningen verwelkomd worden, met luid gejuich, met vreugdekreten totdat de aarde er van weerklinkt, zoals toen Salomo tot koning werd uitgeroepen, I Koningen 1:40. En laat het gejuich van de menigte begeleid worden door de zangers en speellieden Psalm 87:7, 68:26, zoals gebruikelijk is bij zulke plechtigheden.
a. Laat heilige liederen de nieuwe Koning worden toegezongen: "Psalmzingt de Heere met de harp, met de harp en met de stem des gezangs. Geeft uitdrukking aan uw vreugde, maakt haar aldus bekend, wekt haar aldus nog meer op, en verbreidt haar onder anderen."
b. Laat die lofliederen ondersteund worden door gewijde muziek, niet slechts door de zachte, lieflijke melodie van de harp, maar, daar het een zegevierend Koning is, wiens eer en roem bezorgen worden, en die uitgaat overwinnende en opdat Hij overwonne, zo laat Hem uitgeroepen worden onder de tonen van de krijgsmuziek, van trompetten en bazuingeklank, vers 6. Laat al die vreugde Gode gewijd zijn, en laat er uiting aan worden gegeven op een plechtige, Godsdienstige wijze, juicht de Heere, vers 4, Psalmzingt de Heere, vers 5, doet het voor het aangezicht des Konings, des Heeren, vers 6. Vleselijke vrolijkheid is vijandig aan deze heilige blijdschap. Toen David huppelde voor de ark, zei hij dat het "was voor het aangezicht des Heeren," en de Godsvrucht van de bedoeling rechtvaardigde niet slechts wat hij deed, maar prees het aan. Telkenmale als wij voor het aangezicht des Heeren verschijnen, moeten wij ons in Hem verblijden, Deuteronomium 12:12, ons verblijden voor het aangezicht van de Heere Jezus, en voor Hem, niet alleen als de Heiland, maar als de Koning, de Koning van de koningen, de Koning van de kerk, en onze Koning.
2. Laat de mindere schepselen er zich in verblijden, vers 7-9. Dit is van gelijke strekking met hetgeen wij tevoren hadden, Psalm 96:11 13. De zee bruise, en laat dit niet, zoals het wel eens placht, een schrikwekkend geluid genoemd worden, maar een vreugdevol geluid, want de komst van Christus en het heil door Hem gewerkt hebben de eigenschap van de moeilijkheden en verschrikkingen van deze wereld geheel en al veranderd, zodat, als de rivieren haar bruisen verheffen, haar golven verheffen, wij dit niet moeten beschouwen of uitleggen als een aandruisen van de zee tegen ons, maar veeleer als een zich verheugen met ons. Dat de rivieren haar vreugde uiten, zoals de mensen het doen als zij in de handen klappen, en laat de bergen, die beefden van vrees voor het aangezicht Gods, toen Hij nederkwam op de berg Sinaï om de wet te geven vreugde bedrijven voor Zijn aangezicht als het Evangelie gepredikt wordt, en dat woord des Heeren uitgaat van Zion op zachte lieflijke wijze. Dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven voor het aangezicht des Heeren. Dit geeft te kennen dat het koninkrijk van Christus een zegen zal wezen voor geheel de schepping, en gelijk de mindere schepselen de eer verkondigen van de Schepper, Psalm 19:1, zo verkondigen zij ook de eer van de Verlosser, want door Hem zijn niet slechts alle dingen in wezen, maar bestaan ook in hun orde. Het geeft mee te kennen dat de kinderen van de mensen achterlijk zullen wezen in het bewijzen van hun eerbied aan de Verlosser, en dat Hij er daarom voor moet uitzien naar de zee en de rivieren die de stompzinnigheid en ondankbaarheid van het mensdom zullen beschamen. En misschien moet hier gedacht worden aan de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, die wij, naar Zijn belofte verwachten, 2 Petrus 3:13, en deze tweede vermelding van Zijn komst, evenals in Psalm 96, kan wel in de eerste plaats betrekking hebben op Zijn wederkomst, wanneer al deze dingen gelouterd zullen zijn, dan zal Hij komen om de wereld te richten in gerechtigheid. In het vooruitzicht van die dag verheugen zich allen die geheiligd zijn, en zelfs de zee, de rivieren en de bergen zouden zich verblijden, indien zij het konden. Men zou denken dat Vergilius het oog had op deze psalmen, zowel als op de orakelen van de Cumeaanse Sibylle, in zijn vierde eclogue, als hij daar of uit onwetendheid of met moedwillige onjuistheid op Asinius Pollio de aloude profetieën toepast, welker vervulling in die tijd verwacht werd, want hij leefde onder de regering van keizer Augustus even voor de geboorte van onze Heiland. Hij erkent dat zij de geboorte verwachtten van een kind van de hemel, dat een grote zegen zou wezen voor de wereld en de gouden eeuw zou herstellen:
"Jam nova progenies caelo demittitur alto Een nieuw geslacht daalt van de hemel neer, "
En dat zou de zonde wegnemen,
"Te duce, si qua manent sceleris vestigia nostra, Irrita perpetua solvent formidine terras Uw invloed zal iedere smet van bederf uitwissen, en de wereld bevrijden van verschrikking."
Vele andere dingen zegt hij van dit langverwachte kind, die Ludovicus Vives in zijn aantekeningen op deze eclogue toepasselijk acht op Christus, en, evenals de psalmist hier, besluit hij met een vooruitzicht op het zich verblijden van geheel de schepping hierin:
"Aspice, venturo laetentur utomnia saeclo. Zie, hoe deze beloofde eeuw allen doet juichen."
En zo allen juichen en zich verblijden, waarom dan niet ook wij?