Psalm 96:1-9
Deze verzen zullen het best verklaard worden door vrome genegenheden, die in onze ziel voor God werken, met diepe eerbied voor Zijn majesteit en alles-overtreffende uitnemendheid. De oproep, die hier tot ons komt om God te loven, is zeer levendig, de uitdrukkingen zijn verheven en worden herhaald, en behoren in een dankbaar hart weerklank te vinden. Er wordt hier van ons geëist God te eren:
I. Met liederen, vers 1, 2. Drie maal worden wij opgeroepen om de Heere te zingen, zingt de Vader, de Zoon en de Heiligen Geest, zoals het in de beginne was, toen de morgensterren tezamen vrolijk zongen, zo is het nu in de strijdende kerk, en zo zal het altijd zijn in de triomferende kerk. Wij hebben reden om het dikwijls te doen, en wij hebben het nodig om er dikwijls aan herinnerd te worden, en er toe te worden opgewekt. Zingt de Heere, dat is: Looft Zijn naam, spreekt goed van Hem, opdat gij er anderen toe brengt om goed van Hem te denken.
1. Zingt een nieuw lied, een voortreffelijk lied, het voortbrengsel van nieuwe genegenheden, in het kleed van nieuwe uitdrukkingen. Wij spreken met minachting van een oud in de zin van een afgezaagd lied, maar het nieuwe van een lied is er een aanbeveling voor, want dan verwachten wij iets verrassends, iets treffends. Een nieuw lied is een lied voor nieuwe gunstbewijzen, voor de goedertierenheden, die elke morgen nieuw zijn. Een nieuw lied is een Nieuwtestamentisch lied, een loflied voor het nieuwe verbond en de kostelijke voorrechten van dat verbond. Een nieuw lied is een lied, dat altijd nieuw zal blijven, nooit oud zal worden en verdwijnen, het is een eeuwig lied, dat nooit verouderd zal zijn.
2. Laat geheel de aarde dit lied zingen, niet alleen de Joden, aan wie tot nu toe de dienst van God was toegewezen, die geen lied des Heeren konden zingen in (het niet wilden zingen voor) een vreemd land, maar laat de gehele aarde allen die van de aarde gekocht zijn, dit lied leren en het zingen, Openbaring 1-4:3. Dit is een profetie van de roeping van de heidenen, aan allen op aarde zal dit nieuwe lied in de mond worden gegeven, zij zullen beide reden en roeping hebben om het te zingen.
3. Laat het onderwerp van dit lied Zijn heil zijn, de grote verlossing, die door de Heere Jezus gewerkt moest worden, die moet verkondigd worden als de oorzaak van deze blijdschap en lof.
4. Laat deze liederen voortdurend worden gezongen, niet alleen op de tijden, bestemd voor de plechtige feesten, maar van dag tot dag, het is een onderwerp, dat nooit uitgeput kan raken. Laat de dag aan de dag deze spraak overvloedig uitstorten, opdat wij onder de invloed van Evangelische Godsverering het voorbeeld van een Evangelische wandel mogen geven.
II. Door prediking, vers 3. Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.
1. Van het heil, de verlossing door Christus wordt hier gesproken als van een wonderwerk, waarin de heerlijkheid Gods schittert met heldere glans- door die eer te vertellen verkondigen wij Gods heerlijkheid, zoals zij schittert in het aangezicht van Jezus Christus. 2. Dit heil was in Oud-Testamentische tijden zoals thans de gelukzaligheid van de hemel, een heerlijkheid, die geopenbaard moest worden, maar in de volheid des tijds werd datgene ten volle geopenbaard, zelfs aan kinderkens, hetwelk koningen en profeten begeerd hebben te zien, maar niet gezien hebben.
3. Wat toen geopenbaard was, werd alleen onder de Joden verteld, maar nu wordt het verteld onder de heidenen, onder alle volken, de volken, die lang in duisternis hebben gezeten zien nu dit grote licht. De opdracht aan de apostelen om het Evangelie te prediken aan alle creaturen is hier een afschrift van: Vertelt onder de heidenen Zijn eer
III. Met erediensten en aanbidding, vers 7-9. Hoewel in allen volke zij, die God vreesden en gerechtigheid werkten, Hem aangenaam waren, waren toch totnutoe de verordineerde inzettingen alleen aan de joden bekend gemaakt, maar in Evangelietijden zullen de geslachten van de volken uitgenodigd worden en toegelaten tot de dienst van God, en even welkom wezen als de Joden. Het voorhof van de heidenen zal niet langer een buitenste voorhof zijn, maar in gemeenschap wezen met het voorhof van Israël. De gehele aarde wordt hier opgeroepen om voor het aangezicht des Heeren te vrezen, Hem te aanbidden naar de door Hem verordineerde wijze. "Aan alle plaats zal Zijn naam reukwerk toegebracht worden," Maleachi 1:11, Zacheria 14, 17, Jesaja 66:23. Dit sprak nu wel van vernedering voor de Joden, maar het opende het vooruitzicht op hetgeen zeer tot eer van God zou strekken en tot geluk van de mensheid.
Let er nu op hoe de handelingen van de Godsvrucht hier beschreven worden.
1. Wij moeten de Heere geven. Niet alsof Gods iets nodig had, of iets van ons of van enig schepsel zou of kon ontvangen, wat niet reeds het Zijne was, nog veel minder er door bevoordeeld kon worden, maar wij moeten in onze aanbidding en dienst Hem wedergeven wat wij van Hem hebben ontvangen, en het vrijwillig doen, als hetgeen wij geven, want God heeft de blijmoedige gever lief. Het is een schuld, een rente, een schatting, het is hetgeen betaald moet worden, en zo het niet betaald wordt, toch ingevorderd zal worden, maar als het uit heilige liefde voorkomt, behaagt het God om het als een gave van ons aan te nemen.
2. Wij moeten God erkennen als de soevereine Heere, en Hem dienovereenkomstig hulde brengen, vers 7. Geeft de Heere ere en sterkte, ere en heerschappij zoals sommigen het lezen. Als Koning is Hij bekleed met het gewaad van de heerlijkheid en omgord met de gordel van de macht, en die beide moeten wij Hem toekennen. Uw is het koninkrijk, en daarom is Uwe de kracht en de heerlijkheid. Geeft de eer aan God, neemt haar niet voor uzelf, en geeft haar ook aan geen schepsel.
3. Wij moeten de Heere de eer geven Zijns naams, dat is van de openbaring, die het Hem behaagd heeft van zichzelf te doen aan de kinderen van de mensen. In al de daden en handelingen van de Godsverering is dit het, dat wij op het oog moeten hebben: God te eren, Hem iets van de eerbied te betonen, die wij Hem verschuldigd zijn, als het beste van alle wezens en als de bron van ons bestaan.
4. Wij moeten offer brengen in Zijn voorhoven. In de eerste plaats moeten wij onszelf brengen, "de offerande van de heidenen," Romeinen 15:16. Wij moeten altijd een offerande des lofs opofferen, Hebreeën 13:15, moeten dikwijls in de openbare Godsverering voor Gods aangezicht verschijnen, en nooit ledig tot Hem komen.
5. Wij moeten Hem aanbidden in de schoonheid van de heiligheid, vers 9, in de plechtige vergadering, waar de Goddelijke inzettingen worden waargenomen, waarvan de schoonheid haar heiligheid is, dat is: haar overeenstemming met de regel, wij moeten Hem aanbidden met een heilig hart, geheiligd door Gods genade, toegewijd aan de eer van God, gereinigd van de besmetting van de zonde.
6. Wij moeten vrezen voor Zijn aangezicht, al de handelingen van de aanbidding moeten verricht worden uit het beginsel van de vreze Gods, met heilig ontzag en eerbied.
Temidden van al die oproepen om God te loven en Hem de eer te geven van Zijn naam worden hier heerlijke dingen van Hem gezegd beide als beweegredenen om te loven en als stof biedende voor Zijn lof.
De Heere is groot, en daarom zeer te prijzen, vers 4, en te vrezen, groot en heerlijk voor Zijn dienaren, groot en vreeslijk voor Zijn tegenstanders. Zelfs het nieuwe lied maakt God bekend als groot zowel als goed want Zijn goedheid is Zijn heerlijkheid, en als het eeuwig Evangelie gepredikt wordt, dan is het dit: "Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid," Openbaring 14:6, 7.
A. Hij is groot in Zijn heerschappij over allen, die voorwenden goden te zijn. Niemand durft met Hem wedijveren. Hij is vreeslijk boven alle goden, alle vorsten, die dikwijls na hun dood tot goden verheven werden, en zelfs bij hun leven als halfgoden vereerd werden, of liever, alle afgoden, de goden van de volken, vers 5. De gehele aarde opgeroepen zijnde, om het nieuwe lied te zingen, moeten zij er van overtuigd zijn, dat de Heere Jehovah, tot wiens eer zij het moeten zingen, de enig levende en ware God is, oneindig ver boven alle mededingers, Hij is groot, en zij zijn klein, Hij is alles, en zij zijn niets, dat is de betekenis van het woord, dat voor afgoden gebruikt is, want wij weten, dat "een afgod niets is in de wereld," 1 Corinthiers 8:4.
B. Hij is groot in Zijn recht, zelfs ten opzichte van het edelste deel van de schepping, want het is Zijn eigen werk en ontleent aan Hem zijn bestaan. De Heere heeft de hemelen gemaakt, en al hun heir, zij zijn het werk van Zijn vingeren, Psalm 8:4, zo keurig, zo kunstig zijn zij gemaakt. De goden van de volken waren allen gemaakte goden, de schepselen van der mensen verbeelding, maar onze God is de Schepper van de zijnen, de maan en de sterren, die lichten des hemels, die zij zich verbeeldden goden te zijn en die zij als zodanig aanbeden.
C. Hij is groot in de openbaring van Zijn heerlijkheid, beide in de boven- en in de benedenwereld, onder Zijn engelen in de hemel, en onder Zijn heiligen op aarde, vers 6. Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, in Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid hierboven waar de engelen hun aangezicht bedekken, niet instaat zijnde om de verblindende glans van Zijn heerlijkheid te verduren. Sterkte en schoonheid zijn in Zijn heiligdom, beide in Zijn heiligdom hierboven en hierbeneden. In God is alles wat ontzaglijk is, en toch alles wat lieflijk is. Als wij tot Hem gaan in Zijn heiligdom, zullen wij Zijn schoonheid aanschouwen want God is liefde, en Zijn sterkte ervaren, want Hij is onze rotssteen. Laat ons dan uitgaan in Zijn kracht en ons verlustigen in Zijn schoonheid.