Psalm 68:23-32
In deze verzen hebben wij drie dingen.
I. De genaderijke belofte, die God doet van de verlossing Zijns volks, en hun overwinning over Zijn en hun vijanden, vers 23, 24. De Heere heeft gezegd in Zijn eigen genaderijk voornemen en Zijn belofte: "Ik zal grote dingen doen voor Mijn volk als de God van hun heil," vers 21, de God van hun zaligheid. God zal de verwachting niet teleurstellen van hen die Hem in het geloof tot hun God aannemen. Er is beloofd,
1. Dat Hij hen in veiligheid zal stellen tegen gevaar, zoals Hij tevoren gedaan heeft: Ik zal terugbrengen uit de diepte van de zee, zoals Hij met Israël gedaan heeft, toen Hij hen uitgevoerd heeft uit de slavernij van Egypte en hen in de ruimte en de vrijheid van de woestijn gebracht heeft, en Ik zal wederbrengen uit Basan, zoals Hij met Israël gedaan heeft, toen Hij hen uit hun gebrek en hun omzwervingen in de woestijn in de overvloed en de gevestigden toestand van Kanaän gebracht heeft, want het land van Basan was aan de andere kant van de Jordaan, waar zij te strijden hadden tegen Sihon en Og, en vanwaar zij nu verder Kanaän binnentrokken. De vorige blijken van Gods macht en goedheid voor Zijn volk moeten hun geloof en hoop in Hem aanmoedigen voor het vervolg, dat Hij hetgeen Hij gedaan heeft weer zal doen. Hij zal "ten anderen dage Zijn hand opheffen om de rest van" "zijn volk los te kopen" Jesaja 11:11, en zal wellicht at de wonderen herhalen, waarvan onze vaders ons verteld hebben. Maar dit is niet alles.
2. Dat Hij hun de overwinning zal geven over hun vijanden, vers 24. Opdat gij in het voortgaan uw voet moogt baden in het bloed van de vijanden, dat in grote hoeveelheid vergoten was, en de tong van uw honden dit bloed zullen lekken. Honden hebben het bloed van Achab gelekt en bij de verdelging van het antichristelijk geslacht lezen wij van bloed, dat tot "aan de tomen van de paarden is gekomen," Openbaring 14:20. De overwinningen, waarmee God Davids krijgsmacht heeft gezegend over de vijanden van Israël, worden hier geprofeteerd, maar als typen van Christus overwinning over de dood en het graf voor Hemzelf en voor alle gelovigen, in Zijn opstanding, (en de hunne krachtens de zijne) uit de aarde, en van het verderf van de vijanden van Christus en Zijn kerk, aan wie bloed te drinken zal worden gegeven, want zij zijn het waardig.
II. Het welkome onthaal, dat Gods volk aan deze heerlijke ontdekkingen zal geven van Zijn genade, is in Zijn woord en in Zijn werken. Heeft God gesproken in Zijn heiligheid? Heeft Hij gezegd dat Hij weerbrengen zal van Basan? Wat wordt dan ter vergelding hiervan van ons geëist?
1. Dat wij letten op Zijn bewegingen, Zijn doen, vers 25. men ziet Uw feeststoet terwijl anderen geen acht slaan op het werk des Heeren, hebben zij de gangen van mijn God, mijn Koning, gezien in het heiligdom." Zie hier:
a. Hoe een werkzaam geloof zich God toeëigent, Hij is God en Koning, maar dat is niet alles, Hij is mijn God en mijn Koning. Zij, die Hem aldus als de hunne aannemen kunnen Hem in al Zijn gangen zien als hun God, als hun Koning, handelende tot hun welzijn en in verhoring van hun gebed.
b. Waar Gods merkwaardigste gangen zijn, namelijk in het heiligdom, in en door Zijn Woord en Zijn inzettingen en inzonderheid onder Zijn volk in de Evangeliekerk, in en waardoor de menigvuldige wijsheid Gods bekend wordt gemaakt. Deze Zijn gangen in het heiligdom overtreffen ver de uitgangen des morgens en des avonds en verkondigen luider Zijn eeuwige macht en Godheid.
c. Wat met betrekking tot deze gangen onze plicht is, namelijk er op te letten, ze te zien: Dit is de vinger Gods, in waarheid, God is met ons.
2. Dat wij Hem op de godvruchtigste en plechtigste wijze eer geven. Als wij Zijn gangen in het heiligdom zien:
A. Laat hen dan die in de onmiddellijke dienst van de tempel bezig zijn, Hem loven, vers 26. De Levieten, van wie sommigen zangers waren, anderen muziekinstrumenten het speelden, die Zijn gangen in het heiligdom het meest van nabij zagen, moesten voorgaan in het loven van God. En daar het een dag was van buitengewone vreugde en triomf, waren onder hen de trommelende maagden om het concert volledig te maken. "Aldus", zegt Dr. Hammond "zullen de apostelen, als Christus ten hemel vaart, het aan geheel de wereld met blijdschap verkondigen, en zelfs de vrouwen, die er getuigen van waren, zullen zich van harte met hen verenigen om het alom bekend te maken."
B. Laat geheel Israël in hun plechtige Godsdienstige vergaderingen Gode eer geven. Looft God, niet slechts in tempels, maar in de synagogen of de profetenscholen, of waar ook een vergadering is van hen, die uit de springader Israëls zijn, die van het zaad Jakobs zijn, laat hen instemmen met de lof van God. Openbare zegeningen, waarin wij allen delen, eisen openbare dankzegging, waarin allen zich moeten verenigen. "Aldus", zegt Dr. Hammond, "zullen alle Christenen verplicht zijn om plechtig de naam van Messias te loven, en te die einde dikwijls in vergaderingen bijeen te komen." En
C. Laat diegenen onder hen, die op enigerlei wijze de uitnemendsten van hen zijn, in het een of ander uitmunten, de anderen voorgaan in het loven van God, vers 28. Daar is Benjamin de kleine (dat was in Sauls tijd de koninklijke stam), die over hen heerste, de vorsten van Juda, (dat was de koninklijke stam in Davids tijd), met hun vergadering, hun raad, hun krijgsoversten en aanvoerders. In het begin van Davids regering was er een langdurige strijd tussen Juda en Benjamin, maar nu verenigen zij zich om God te loven voor hun voorspoed tegen de gemeenschappelijke vijand. Maar waarom wordt er inzonderheid van de stammen van Zebulon en Nafthali melding gemaakt? Misschien omdat die stammen, naar het noorden liggende, het meest blootgesteld waren aan de invallen van de Syriërs en andere naburen, die hun overlast deden, en zij dus zeer bijzonder dankbaar moesten wezen voor deze overwinningen over hen. Dr. Hammond heeft er een andere reden voor, namelijk dat deze de twee geleerde stammen waren, "Nafthali is een losgelaten hinde, hij laat schone woorden horen" Genesis 49:21, en Zebulon had degenen, die "de pen des schrijvers hanteren," Richteren 5:14. Deze, en inzonderheid hun vorsten, zullen zich verenigen in de lof van God. Het is zeer tot eer van God als zij, die boven anderen zijn in waardigheid, macht en vermaardheid, hen voorgaan in de aanbidding van God en zich beijveren om hun invloed aan te wenden ter bevordering van enigerlei dienst, die voor Hem gedaan moet worden. Dr. Hammond leidt hieruit af dat aan het koninkrijk van de Messias ten laatste alle potentaten en geleerden in de wereld onderworpen zullen worden.
3. Dat wij Hem zoeken en op Hem vertrouwen voor de voleinding van hetgeen Hij heeft begonnen, vers 29. In het eerste gedeelte van het vers spreekt de psalmist tot Israël. Uw God heeft uw sterkte geboden, wat er ook voor u gedaan moge worden, of welke kracht gij ook hebt om uzelf te helpen, het komt alles van God, van Zijn macht en genade, en het woord, dat Hij geboden heeft. Gij hebt geen reden om te vrezen, zolang gij sterkte hebt, die God geboden heeft." In het laatste gedeelte spreekt hij tot God, aangemoedigd door zijn ervaringen, "Sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt. Heere, bevestig wat Gij hebt geboden, volbreng wat Gij hebt beloofd, en breng het goede werk, dat Gij zo glorierijk hebt begonnen, tot een gelukkig einde." Wat God gewrocht heeft, zal Hij versterken, waar Hij ware genade heeft gegeven, zal Hij meer genade geven. Sommigen houden dit gehele vers voor de toespraak van een gelovige aan de Messias, die David God noemt, zoals hij dat in Psalm 45:7, 9 gedaan heeft. "Uw God, (God de Vader) heeft U sterkte geboden, heeft U sterk voor zich gemaakt, als de man van Zijn rechterhand," Psalm 80:18, heeft in U sterkte verzameld voor ons, daarom bidden wij dat Gij, o God (de Zoon) zult versterken wat Gij aan ons gewrocht hebt, Uw onderneming voor ons teneinde zult brengen, door Uw goed werk in ons te volbrengen."
III. De krachtige uitnodiging en aansporing, die hierdoor gegeven zouden worden aan hen, die buiten zijn, om zich bij de kerk te komen voegen, vers 30-32. Dit werd ten dele vervuld door de toetreding van vele proselieten tot de Joodsen Godsdienst van de dagen van David en Salomo, maar zijn volkomen vervulling zou het hebben in de bekering van de heidense volken tot het geloof van Christus en door hen tot medeërfgenamen te maken van hetzelfde lichaam met het zaad Israëls, Efeziers 3:6.
1. Sommigen zullen zich onderwerpen uit vrees, vers 31. "De troep van de spiesdragers", die aan Christus en Zijn Evangelie weerstand bieden, die niet willen dat Hij koning over hen zij, die de predikers en belijders van Zijn naam vervolgen, die even woedend en woest zijn als een troep stieren, vet en weelderig als de kalveren van de volken (hetgeen een beschrijving is van die Joden en heidenen, die het Evangelie van Christus tegenstonden en deden wat zij konden om de oprichting van Zijn koninkrijk in de wereld te beletten), "Heere, scheld hen, verneder hun hoogmoed, doe hun boosaardigheid bedaren, beschaam hun plannen en raadslagen totdat zij, overwonnen door de overtuiging van hun eigen geweten en de vele bestraffingen van de Voorzienigheid, ten laatste er toe gebracht worden om zich te onderwerpen met stukken zilver, verheugd zijnde om op elke voorwaarde vrede te sluiten met de kerk." Zelfs Judas onderwierp zich met stukken zilver, toen hij ze terugbracht met deze bekentenis: "ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed!" Zie ook Openbaring 3:9. Velen zijn door gescholden dat is bestraft, te worden, er gelukkig voor behoed om in het verderf te worden gestort. Maar wat hen betreft, die zich niettegenstaande deze bestraffingen toch niet willen onderwerpen hij bidt om hun verstrooiing, welk gebed gelijk staat met een profetie ervan. Verstrooi de volken, die lust hebben in oorlogen, die zo'n behagen scheppen in Christus tegen te staan dat zij nooit met Hem verzoend willen worden. Dit kan zien op de ongelovige Joden, die lust hadden om oorlog te voeren tegen het heilig zaad, en zich niet wilden onderwerpen, en daarom op de oppervlakte verstrooid zijn geworden David is zelf een krijgsman geweest, maar kon er zich op God voor beroepen, dat hij nooit lust heeft gehad in oorlog en bloedvergieten om ter wille van de zaak zelf. Wat nu hen betreft die daar wel lust in hebben, en zich daarom ook aan de billijkste vredesvoorwaarden niet wilden onderwerpen, hij twijfelt niet, of God zal hen verstrooien. Diegenen hebben alle heilige beginselen van menselijkheid, zowel als van het Christendom afgelegd, die lust kunnen hebben in oorlog, en behagen scheppen in twist. Laat hen verwachten dat zij er vroeg of laat genoeg van zullen hebben, Jesaja 33:1, Openbaring 13:10. 2. Anderen zullen zich gewillig onderwerpen, vers 30, 32. Om Uw tempels wil te Jeruzalem, ( dit zegt David in het geloof, want de tempel te Jeruzalem was in zijn tijd nog niet gebouwd, slechts waren er de materialen en het plan voor bereid), zullen U de koningen geschenken toebrengen, rijke geschenken zullen gebracht worden, dewelken, die het aan koningen betaamt te brengen. Zelfs koningen, die zeer sterk staan op het punt van eer en koninklijk kroonrecht, zullen om de gunst van Christus dingen, en zich grote onkosten getroosten om haar te verkrijgen. Er is in Gods tempel, in de schoonheid en weldadigheid van de dienst van God, in gemeenschapsoefening met Hem, en in het Evangelie van Christus, dat van Jeruzalem is uitgegaan, datgene, hetwelk genoeg is om zelfs koningen uit te lokken om Gode geschenken toe te brengen, zich aan Hem voor te stellen als levende offeranden en met henzelf ook hun beste diensten. Hij noemt Egypte en Morenland twee landen, uit welke onderdanen en smekelingen wel het minst te verwachten waren, vers 32. Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte om Gods gunst te zoeken en zich aan Hem te onderwerpen, en zij zullen aangenomen worden, want "de Heere van de heirscharen zal hen hierop zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars," Jesaja 19:25. Zelfs Morenland, dat tegen Gods Israël "was" opgetrokken, 2 Kronieken 14:9, "zal zich nu haasten zijn handen tot God uit te strekken" in gebed met geschenken en Hem aan te grijpen. Weest haastig welgezind jegens uw tegenpartij. Uit alle natiën zullen sommigen tot Christus vergaderd worden en door Hem worden erkend.