Psalm 95:1-7
Hier, gelijk ook dikwijls elders, wekt de psalmist zichzelf en anderen op om God te loven want het is een plicht, die met liefde volbracht moet worden, en het is ons zeer nodig om er toe opgewekt te worden, want dikwijls zijn wij er zeer in ten achter, zijn we er koud in.
Merk op:
I. Hoe God geloofd moet worden.
1. Met heilige vreugde en zielsverlustiging in Hem. Het loflied moet een juichen zijn, vers 1, en wederom, in vers 2. Geestelijke blijdschap is het hart en de ziel van dankbare lof. Het is de wil van God zo nederbuigend is Zijn genade dat wij, als wij Hem eer geven als een oneindig volmaakt en volzalig wezen, terzelfder tijd ons in Hem zullen verblijden als onze Vader en Koning, en een God in verbond met ons.
2. Met nederigen eerbied en een heilig ontzag voor Hem, vers 6. "Laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor de Heere, zoals het hun betaamt, die weten welk een oneindige afstand er is tussen ons en God, hoezeer wij in gevaar zijn van Zijn toorn, en behoefte hebben aan Zijn genade." Hoewel de lichamelijke oefening alleen tot weinig nut is, is het toch voorzeker onze plicht om God te eren met ons lichaam door de uitwendige tekenen van eerbied, ernst en ootmoed bij onze godsdienstige verrichtingen.
3. Wij moeten God loven met onze stem uit de overvloed van een hart, dat vervuld is van liefde, blijdschap en dankbaarheid moeten wij Zijn lof uitspreken en zingen: Laat ons de Heere vrolijk zingen, laat ons juichen, als degenen, die zelf diep getroffen zijn door Zijn grootheid en goedheid, dit gaarne erkennen, en verlangen dat ook anderen er door getroffen zullen worden, gaarne het werktuig zouden willen zijn om ook in anderen hetzelfde liefdevuur te doen ontbranden.
4. Wij moeten God loven in samenstemming met anderen, in de plechtige vergaderingen: Komt, laat ons zingen, laat ons ons verenigen om de Heere te zingen, niet anderen zonder mij, noch ik alleen, maar anderen met mij. Laat ons samenkomen voor Zijn aangezicht, in de voorhoven van Zijn huis, waar Zijn volk tot Hem pleegt te komen in de verwachting dat Hij zich aan hen zal openbaren. Wanneer wij ook in Gods tegenwoordigheid komen, altijd moeten wij komen met dankzegging voor het voorrecht, dat wij hiertoe toegelaten worden en wanneer wij ook dankzegging te doen hebben, altijd moeten wij er mee voor Gods aangezicht komen, ons stellen voor Zijn aangezicht, ons Hem voorstellen in de inzettingen, die Hij verordineerd heeft.
II. Waarom God geloofd moet worden, en wat het onderwerp van onze lof moet zijn. De stof ontbreekt ons niet, hoe goed zou het zijn als ons ook het hart er niet toe ontbrak. Wij moeten God loven:
1. Omdat Hij een groot God is, een soevereine Heer over allen, vers 3. Hij is groot, en daarom grotelijks te prijzen. Hij is oneindig, en in Hem zijn alle volmaaktheden. a. Hij heeft grote macht: Hij is een groot Koning boven alle goden, boven alle magistraten, tot wie Hij gezegd heeft: Gij zijt goden, Hij bestuurt hen allen, dient door hen Zijn eigen doeleinden, en aan Hem zijn zij allen verantwoordelijk, boven alle nagemaakte, voorgewende goden, Hij kan doen wat geen hunner doen kan, Hij kan en zal hen allen tenonder brengen.
b. Hij heeft grote bezittingen. Inzonderheid wordt hier deze lagere wereld gespecificeerd. Wij achten hen groot, die grote grondbezittingen hebben, die zij tegenover de gehele wereld de hunne noemen, en die toch slechts een zeer onbeduidend deel zijn van het heelal. Hoe groot is dan niet die God, wiens de gehele aarde is met haar volheid, die niet alleen onder Zijn voeten is, daar Hij een onbetwistbare heerschappij heeft over alle de schepselen, hen in eigendom bezit, maar die in Zijn hand is daar Hij haar bestuurt en er over beschikt naar Zijn welgevallen vers 4. Zelfs de diepste plaatsen van de aarde, die buiten ons gezicht zijn, onderaardse bronnen en mijnen, zijn in Zijn hand, en de hoogten van de bergen, die buiten ons bereik zijn, met alles wat er op groeit en weidt, zijn Zijne. Dit kan in overdrachtelijke zin genomen worden: de geringsten van de mensenkinderen, die als de lage plaatsen van de aarde zijn, zijn niet beneden Zijn aandacht, Zijn kennisneming, en de grootsten, die als de hoogten van de bergen zijn, zijn niet boven Zijn toezicht. Alle kracht, die in enig schepsel gevonden wordt, is ontleend aan God, en wordt gebruikt voor Hem, vers 5. Wiens ook de zee is, en alles wat er in is, de golven volbrengen Zijn woord, zij is Zijne, want Hij heeft ze gemaakt, heeft haar wateren vergaderd en haar oevers vastgesteld, het droge, hoewel het aan de kinderen van de mensen is gegeven, is ook Zijne, want de eigendom ervan heeft Hij zich voorbehouden, het is Zijne, want Zijn handen hebben het geformeerd, toen Zijn woord het droge tevoorschijn deed komen. Daar Hij de Schepper is van alles, is Hij ook de onbetwistbare eigenaar van alles. Daar dit een Evangeliepsalm is, kunnen wij zeer goed onderstellen dat het de Heere Jezus is, die wij hier geleerd worden te loven, Hij is een groot God, sterke God is een van Zijn titels, en God boven allen te prijzen tot in eeuwigheid. Als Middelaar is Hij een groot Koning boven alle goden, door Hem regeren de koningen, engelen, overheden en machten zijn Hem onderworpen, door Hem, als het Eeuwige Woord, zijn alle dingen gemaakt, Johannes 1:3, en het was voegzaam dat Hij de hersteller en verzoeker van alles zou wezen, die de Schepper was van alles, Colossenzen 1:16, 20. Aan Hem is alle macht gegeven in hemel en op aarde, en in Zijn hand zijn alle dingen overgegeven. Hij is het, die Zijn rechtervoet zet op de zee en de linker op de aarde, als soeverein Heer van beide, Openbaring 10:2, en daarom moeten wij Hem onze lofliederen zingen, en voor Hem moeten wij ons nederbukken, Hem moeten wij aanbidden.
2. Omdat Hij onze God is, Hij heeft niet slechts heerschappij over ons, zoals over alle schepselen, maar Hij staat in een bijzondere betrekking tot ons, vers 7. Hij is onze God en daarom wordt van ons verwacht dat wij Hem zullen loven, wie zal Hem loven zo wij het niet doen? Waar heeft Hij ons anders voor gemaakt, dan om Hem tot een naam en tot lof te zijn?
A. Hij is onze Schepper en de oorsprong van ons bestaan. Wij moeten knielen voor de Heere, die ons gemaakt heeft, vers 6. Afgodendienaars knielen voor goden, die zij zelf gemaakt hebben, wij knielen voor een God, die ons en geheel de wereld gemaakt heeft, en die derhalve onze rechtmatige eigenaar is, want van Hem zijn wij, wij zijn niet van onszelf, behoren onszelf niet toe.
B. Hij is onze Heiland en de werker van onze zaligheid. Hij wordt hier de rotssteen onzes heils genoemd, vers 1, niet alleen de grondlegger, maar de grondslag zelf van dat wonderwerk, waarop het gebouwd is. De rotssteen is Christus, Hem moeten wij daarom onze lofliederen zingen, Hem, die op de troon zit en het Lam.
C. Daarom zijn wij de Zijnen, en onder alle mogelijke verplichtingen aan Hem, wij zijn het volk van Zijn weide en de schapen van Zijn hand, al de kinderen der mensen zijn dit, zij worden gevoed en geleid door Zijn voorzienigheid, die voor hen zorgt, hen leidt en bestuurt, zoals de herder de schapen. Wij moeten Hem loven, niet alleen omdat Hij ons gemaakt heeft maar omdat Hij ons bewaart en onderhoudt, onze adem en onze wegen zijn in Zijn hand. Al de kinderen van de kerk zijn dit in zeer bijzondere zin, Israël is het volk van Zijn weide, zij zijn de schapen van Zijn hand, en daarom eist Hij hun hulde op bijzondere wijze. De Evangeliekerk is Zijn kudde, Christus is er de grote en goede Herder van, wij, als Christenen, worden door Zijn hand in de grazige weiden geleid, door Hem worden wij beschermd en goed verzorgd, aan Zijn dienst en eer zijn wij als een bijzonder volk geheel en al toegewijd, en daarom moet Hem de heerlijkheid zijn in de gemeente (hetzij al of niet in de wereld) tot alle eeuwigheid.