Psalm 84:1-8
De psalmist, door geweld weerhouden zijnde om Gods openbare inzettingen bij te wonen, is door het gemis er van meer dan ooit tot het besef gekomen van de waardij ervan. Let op:
I. De verwonderlijke schoonheid, die hij zag in deze. heilige inzettingen, vers 2. Hoe lieflijk zijn Uwe woningen, o Heere van de heirscharen! Sommigen denken dat hij God hier Heere van de heirscharen noemt, dat is, in bijzondere zin van de engelen, de hemelse heirscharen, vanwege de tegenwoordigheid van de engelen in Gods heiligdom, zij vergezelden de Shechina, en werden (naar sommigen denken) aangeduid door de cherubim. God is de Heere van deze heirscharen en Zijner is de tabernakel. Er wordt van gesproken in het meervoud, Uwe woningen, Uwe tabernakelen, omdat er onderscheidene voorhoven aan waren, waar het volk de dienst bij woonde, en omdat de tabernakel zelf bestond uit het heilige en het heilige van de heiligen. Hoe beminnelijk zijn deze. Hoe lieflijk is het heiligdom in de ogen van allen, die in waarheid geheiligd zijn! Godvruchtige zielen zijn een verwonderlijke, onuitsprekelijke schoonheid in heiligheid en in heilig werk. Een tabernakel was een geringe woning, maar het nadeel van uitwendige omstandigheden maakt er heilige inzettingen volstrekt niet minder lieflijk om want de schoonheid van de heiligheid is geestelijk, en haar heerlijkheid is inwendig.
II. Het verlangen van zijn hart om weer tot het genot van de openbare inzettingen te komen, of liever tot God in die inzettingen, vers 3. Het was een algeheel verlangen, lichaam, ziel en geest deelden er in, hij was zich niet bewust van een gedachte, die hiermede in strijd was, het was een innig, vurig verlangen, als de begeerte van een eerzuchtige, of een geldgierige, of een wellustige. Hij verlangde, bezweek van verlangen, zijn hart en zijn vlees riepen met aandrang om weer een plaats te hebben in Gods voorhoven, hij was schier ongeduldig onder het uitstel. Maar het waren toch niet zozeer de voorhoven des Heeren, waarnaar hij zo verlangde, het was de levende God zelf, naar wie hij riep in het gebed. O dat ik Hem mocht kennen, wederom met Hem in gemeenschap mocht zijn! 1 Johannes 1:3. Inzettingen zijn ledige dingen, indien wij er God niet in ontmoeten.
III. Hoe hij de vogelkens hun geluk benijdt, die hun nest maken in de gebouwen, die belendden aan Gods altaren, vers 4. Dit is een sierlijke en verrassende uitdrukking van zijn genegenheid voor Gods altaren. Zelfs vindt de mus een huis en de zwaluw een nest voor zich. Door het natuurlijk instinct geleid voorzien deze vogeltjes zich van woningen in huizen, zoals andere vogels in bossen, zowel om er zelf in te rusten, als om er hun jongen in neer te leggen. David onderstelde dat sommigen van deze in de gebouwen waren rondom de voorhoven van Gods huis, en hij wenste zich onder hen te bevinden. Hij wilde liever in een vogelnest nabij Gods altaren wonen, dan in een paleis op een afstand ervan. Soms heeft hij gewenst "vleugelen te hebben als van een duif, om heen te vliegen naar de woestijn," Psalm 55:7, hier wenst hij de vleugelen te hebben van een mus, ten einde zonder ontdekt te worden naar Gods voorhoven te vliegen. En ofschoon te waken als een eenzame mus op het dak, de beschrijving is van een zeer treurige gemoedstoestand, Psalm 102:8, zou David toch blijde geweest zijn zo dit zijn lot mocht zijn, mits het in de nabijheid van Gods altaren was. Het is beter God te dienen in de eenzaamheid, dan de zonde te dienen onder een grote menigte. Het woord voor mus betekent een klein vogeltje, en (indien ik een gissing mag wagen) misschien werden in Davids tijd, toen zoveel muziek, vocale en instrumentale, in de eredienst werd ingevoerd, zangvogels in kooien rondom de voorhoven van de tabernakel opgehangen, om de harmonie te voltooien, (want wij bevinden dat er van het zingen van vogels ter ere Gods nota wordt genomen, Psalm 104:12), en David benijdt deze hun geluk en zou gaarne van plaats met hen geruild hebben.
Merk op: David benijdt het geluk niet van de vogels, die over de altaren heenvlogen en slechts een vluchtige blik hadden op Gods voorhoven, maar van die, welke er zich nesten hadden gemaakt. David acht het niet genoeg om in Gods huis te verwijlen als een reiziger, die er ingaat om er de nacht door te brengen, maar het moet zijn rust, zijn tehuis zijn, waar hij wil wonen. En hij neemt er nota van, dat deze vogels daar niet alleen nesten voor zich hebben, maar dat zij er hun jongen leggen, want zij, die zelf een plaats hebben in Gods voorhoven kunnen niet anders dan begeren dat ook hun kinderen in Gods huis en binnen Zijn muren een plaats en een naam zullen hebben, "dat zij hun geiten mogen weiden bij de woningen van de herders." Sommigen geven een anderen zin aan dit vers, "Heere, door Uw voorzienigheid hebt Gij de vogelen nesten en rustplaatsen gegeven in overeenstemming met hun natuur, en zij kunnen er vrijelijk heengaan, maar tot Uw altaar, dat mijn nest, mijn rustplaats is, waarnaar ik even verlangend ben als ooit een zwervende vogel naar zijn nest verlangd heeft, heb ik geen toegang. Heere, zult Gij dan beter voor Uw vogelen dan voor Uw kinderen voorzien? Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, zo ben ik! nu ik omdool van de plaats van Gods altaren, want dat is mijn plaats, Spreuken 27:8. Nooit zal ik rust hebben voordat ik tot mijn plaats ben wedergekeerd. Zij, wier zielen tehuis en in rust zijn in God, kunnen niet anders dan een vestiging begeren in de nabijheid van Zijn inzettingen. Er waren twee altaren, het een voor brandoffers en het andere voor reukwerk, en in zijn begeerte naar een plaats in Gods voorhoven heeft David het oog op beide, zoals wij in ons gaan tot God het oog moeten hebben op de verzoening en de voorbidding van Christus.
Eindelijk, merk op hoe hij God beschouwt in zijn gebed: Gij zijt de Heere van de heirscharen, mijn Koning en mijn God. Waar zal een arm in benauwdheid verkerend onderdaan anders bescherming zoeken dan bij zijn koning? "En zal een volk zijn God niet zoeken?" Jesaja 8:19. Mijn Koning, mijn God, is Heere van de heirscharen, laat mij bij Hem en Zijn altaren leven en sterven.
IV. Hoe hij het geluk erkent van de bedienaren van de Godsdienst en van het volk in hun vrije toegang tot Gods altaren. "Welgelukzalig zijn zij o wanneer zal ik wederkeren om mee van die zaligheid te genieten?"
1. Welgelukzalig de bedienaren van de Godsdienst, de priesters en de Levieten, die hun woning hebben bij de tabernakel en er beurtelings dienst in doen, vers 5. Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen, die er tehuis zijn, en wier werk daar is. Het is zo verre van hem om hen te beklagen wijl zij daar voortdurend bezig moesten zijn en tot voortdurende ernst verplicht waren, dat hij eerder hen dan de grootste vorsten van de wereld zou benijden. Er zijn zodanigen, die de gierigaard zegenen, maar hij zegent de Godsdienstige. Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen niet omdat zij een goed loon hebben, namelijk een deel van elk offer, waardoor zij instaat zijn een goede tafel te houden, maar omdat zij goed werk hebben, zij prijzen U gestadiglijk, en als er een hemel op aarde is, dan bestaat hij in het prijzen van God, in het voortdurend loven van Hem. Pas dit toe op Zijn huis hierboven, Welgelukzalig zijn zij, die daar wonen, engelen en verheerlijkte heiligen, want zij hebben geen rust dag en nacht van God te loven. Laat ons dus zoveel van onze tijd als wij kunnen doorbrengen met dat gezegende werk, waarmee wij een blijde, zalige eeuwigheid hopen door te brengen. 2. Zalig het volk, de inwoners des lands, die wel niet gestadig in Gods huis wonen, zoals de priesters, maar er toch vrije toegang hebben, op de bestemde tijden van hun plechtige feesten, waarop alle mannen verplicht waren tegenwoordig te zijn, Deuteronomium 16:16. Het was zo ver van David om dit als een zware last te beschouwen, die hun opgelegd was, dat hij het geluk benijdt van hen, die ze aldus konden bijwonen, vers 6-8.
De personen, die hij welgelukzalig noemt, worden hier beschreven.
A. Het zijn dezulken, die in de Godsdienst handelen naar een vastgeworteld beginsel van vertrouwen op God en van aanhankelijkheid aan Hem. Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, die U tot zijn sterkte maakt en sterk op U steunt, die Uwen naam tot zijn sterke toren maakt, waar hij henenloopt om er veilig te zijn, Spreuken 18:10. "Welgelukzalig is de man, die de Heere tot zijn vertrouwen stelt," Psalm 40:5, 146:5. Diegenen zijn in waarheid welgelukzalig, die in de beoefening van de Godsdienst uitgaan en voortgaan, niet in hun eigen kracht want dan zal het werk zeer zeker verkeerd gaan maar in de kracht van de genade van Jezus Christus, uit wie onze bekwaamheid is.. David wenste tot Gods tabernakelen terug te keren, ten einde zich daar in de Heere zijn God te versterken tot dienen en tot lijden,
B. Het zijn dezulken, die liefde hebben voor heilige inzettingen, in wier hart de wegen ervan zijn, vers 6, dat is: die, hun zaligheid gesteld hebbende in God als hun doel, zich verblijden in al de wegen, die naar dat doel heenleiden, in al de middelen, door welke hun genade wordt versterkt en hun gemeenschap met God in stand wordt gehouden. Zij wandelen niet slechts in die wegen, zij hebben ze in hun hart, zij nemen ze ter harte, geen zorg of belang, geen genot of genoegen ligt hun nader aan het hart dan deze. Zij, die het nieuwe Jeruzalem in het oog hebben, moeten de wegen, die er heenleiden, in hun hart hebben, moeten er acht op slaan, hun ogen moeten er op gericht zijn, zij moeten de paden ervan overdenken en bevreesd zijn om er ter rechter of ter linkerhand van af te wijken. Als wij Gods belofte tot onze sterkte maken dan moeten wij ons Gods Woord ten regel stellen en er naar wandelen.
C. Het zijn dezulken, die over alle moeilijkheden en bezwaren heenkomen om tot God te gaan in Zijn heilige inzettingen, vers 7. Als zij van uit het land opgaan om te aanbidden op de heilige feestdagen, dan gaat hun weg door menig dor en zandig dal (zeggen sommigen), waar zij schier omkomen van dorst, maar om dit ongerief te voorkomen, graven zij kleine kuilen om er het regenwater in te vergaderen en te bewaren, dat daar dan gereed ligt om hen en anderen te verkwikken. Als zij de kuilen maken, zal de regen van de hemel ze vullen, als wij bereid zijn om de genade van God te ontvangen, dan zal die genade ons niet worden onthouden, maar ten allen tijde genoeg voor ons wezen. Hun weg liep door menig tranendal, want dat is volgens sommigen de betekenis van het woord "bacha'" of wel waterachtige dalen, die in nat weer, als de regen de poelen vult, hetzij door het stijgen van het water of vanwege het modderige van de weg, onbegaanbaar waren, maar door de wateren naar sloten of kanalen te doen afvloeien, maakten zij er een weg doorheen ten gerieve van hen, die opgingen naar Jeruzalem. Er moet zorg worden gedragen om de wegen in goede staat te houden, die heenleiden naar de kerk zowel als die welke heenvoeren naar de markt. Maar dit alles heeft ten doel om aan te tonen:
a. Dat zij de reis gaarne deden. Als zij de plechtige feesten te Jeruzalem moesten bijwonen dan lieten zij zich door geen ongunstig weer terughouden, noch door slechte wegen, zij hebben dit alles niet als een verontschuldiging gehouden, of aangevoerd om tehuis te blijven. Moeilijkheden op de weg van onze plicht zijn bedoeld om onze vastberadenheid op de proef te stellen, en hij, "die op de wind achtgeeft, zal niet zaaien."
b. Dat zij zich zo goed zij konden een weg baanden naar Zion, waar die weg slecht was gaven zij zich moeite om hem beter te maken, en de moeilijkheden en ongemakken die niet weggenomen konden worden, hebben zij zo goed zij konden gedragen. Onze weg naar de hemel loopt door een dal van Baca, een tranendal, maar zelfs die weg kan tot een fontein worden gesteld, zo wij een goed gebruik maken van de gerieflijkheden, die God voorzien heeft voor de pelgrims naar de hemelse stad.
D. Het zijn de zodanigen, die steeds voorwaarts gaan, totdat zij aan het einde hunner reis gekomen zijn en niet achterblijven, vers 8. Zij gaan van kracht lot kracht. Hun gezelschap neemt toe, doordat zich uit iedere stad, door welke zij heentrokken, meerderen bij hen voegden, totdat zij zeer talrijk werden. Zij, die dichtbij waren, wachtten totdat zij, die verder weg woonden tot hen kwamen, zeggende: Komt, "wij zullen in het huis des Heeren gaan," Psalm 122:1, opdat zij gezamenlijk zouden optrekken ten teken van hun liefde voor elkaar. Of wel, inplaats dat de eenzame afzonderlijke personen vermoeid waren van de bezwaren en het vervelende van hun reis, waren zij levendiger en opgewekter hoe meer zij Jeruzalem naderden, en zo werden zij dan al sterker en sterker Job 17:9. Zo is ook beloofd dat zij, "die de Heere verwachten, de kracht zullen vernieuwen," Jesaja 40:31. Zelfs als zij zwak zijn, zijn zij daar sterk. Zij gaan van deugd lot deugd, ( zo lezen het sommigen), het is hetzelfde woord, dat gebruikt is voor de deugdzame huisvrouw, zij, die voorwaarts streven in hun Christelijke loopbaan. zullen bevinden dat God aan hun genade nog genade toevoegt, Johannes 1:16. Zij zullen veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, 2 Corinthiers 3:18, van de ene graad van heerlijke genade naar een andere, totdat eindelijk een ieder van hen zal verschijnen voor God in Zion, om Hem eer te geven en van Hem zegeningen te ontvangen. Zij, die toenemen in genade, zullen ten laatste volkomen zich in heerlijkheid. De Chaldeer geeft de lezing: Zij gaan van het huis des heiligdoms naar het huis van de leer, en de moeite, die zij zich gegeven hebben omtrent de wet, zal voor God komen, wiens majesteit in Zion woont. Wij moeten van de ene plicht tot de andere gaan, van het gebed naar het Woord, van het beoefenen van hetgeen wij geleerd hebben naar nog meer leren. Indien wij dit doen, dan zal het voordeel ervan gezien worden tot Gods eer en onze eeuwige vertroosting.