Spreuken 27:8
1. Er zijn velen, die niet weten wanneer zij het goed hebben, maar ontevreden zijn met hun tegenwoordige toestand, en naar verandering haken. God heeft hun in Zijn voorzienigheid een plaats toegewezen, die geschikt voor hen is, en haar aangenaam en gerieflijk voor hen gemaakt, maar zij houden van onbestendigheid, van rond te dwalen, zij zijn blij met een voorwendsel om naar het buitensland te gaan, blijven niet graag lang aan eenzelfde plaats, verwijderen zich onnodig van hun eigen werk en van hetgeen hun zorg moest zijn, en bemoeien zich met hetgeen hun niet aangaat.
2. Zij, die aldus de post verlaten, die hun is toegewezen, zijn als een vogel, die uit zijn nest omdoolt. Het is een blijk van hun dwaasheid, zij zijn als een domme vogel, zij zijn besluiteloos, zoals de ronddolende vogel, die van tak op tak huppelt, en nergens blijft rusten. Het is onveilig, de vogel, die omdoolt, is aan gevaar blootgesteld, eens mans plaats is zijn kasteel, die haar verlaat maakt zich tot een gemakkelijke prooi van de vogelaar, als de vogel van zijn nest wegdwaalt, worden er de eitjes en de jongen veronachtzaamd. Zij, die graag buitenshuis zijn, laten hun werk thuis ongedaan. Een ieder blijve in die beroeping waarin hij geroepen is, blijve erin met God.