2 Corinthiërs 9:6-15
Hier hebben wij:
I. Duidelijke aanwijzingen, die in acht te nemen zijn omtrent de rechte en aangename wijze van het oefenen van weldadigheid. Het is van groot belang, dat wij niet alleen doen hetgeen van ons geëist wordt, maar ook dat we het doen gelijk ons bevolen werd. Omtrent de wijze, waarop de apostel wilde dat de Corinthiërs zouden geven, merken wij op:
1. Het moest in zegening (met ruime hand) zijn. In vers 5 was reeds aangeduid dat er verwacht werd een ruime bijdrage, een zegen, niet een vrekkigheid, en nu geeft hij hun te overwegen dat zij, die een goeden oogst verlangen, niet zuinig en spaarzaam met het zaad zijn, want de oogst staat in verhouding tot het zaaisel, vers 6.
2. Het moet wèl overlegd zijn. Een iegelijk doe gelijk hij in zijn hart voorneemt, vers 7. Werken van liefdadigheid, gelijk alle andere goede werken, moeten niet verricht worden zonder nagedachte of deugdelijk plan, zodat men alleen toevallig goeddoet. Die haastig, uit medelijden met het ongeluk van anderen, geeft zonder behoorlijk plan, heeft wellicht later berouw omdat hij meer gaf dan hij bedoelde. Of misschien ziet hij later, dat hij, alles wel overwogen, meer had moeten doen. Goed overleg, zowel ten aanzien van onze eigen omstandigheden als van die dergenen, die we helpen willen, zal ons zeer nuttig zijn bij de bepaling van de hoegrootheid onzer bijdragen voor liefdadige doeleinden.
3. Het moet, hetzij we veel of weinig geven, vrijwillig zijn. Niet uit droefheid of uit nooddwang, maar gewillig, vers 7. Sommigen geven alleen om in het ongeluk hen te helpen, die hun liefdadigheid inroepen, en wat zij geven is hun in zekeren zin afgebedeld of afgedwongen, en die onwillige aalmoezen zijn al wat zij doen. Wij moeten vrijwilliger geven dan de bescheidenheid van sommige behoeftigen hen toelaat te vragen, wij moeten niet slechts brood uitdelen, maar onze ziel openen voor den hongerige, Jesaja 58:10. Wij moeten geven mild, met open hand, en vriendelijk, met open gelaat, verblijd zijnde over het vermogen èn over de gelegenheid om milddadig te zijn.
II. Goede aanmoediging om het werk der goeddadigheid op de voorgeschreven wijze te verrichten. De apostel zegt aan de Corinthiërs:
1. Dat zij niet zullen verliezen door hetgeen zij uit liefde geven. Dit moge dienen ter bestrijding van een bezwaar in het hart van menigeen tegen zulk goed werk, die denkt dat hij missen zal hetgeen hij weggeeft. Dezulken mogen bedenken dat hetgeen op de rechte wijze aan de armen gegeven werd, niet verloren is, het is evenmin verloren als het kostelijke zaad, dat in den grond verborgen wordt, ofschoon het tijdelijk begraven is, zal het ontkiemen en vruchten dragen, de zaaier zal het in zegeningen terug ontvangen, vers 6. Even goeden oogst mogen zij verwachten, die vrijwillig en ruim in liefdadigheid geven. Want:
A. God heeft den blijmoedigen gever lief, vers 7, en waarop mogen zij al niet hopen, die de voorwerpen der goddelijke liefde zijn! Kan iemand iets verliezen door te doen hetgeen God behaagt? Kan hij niet veel meer er zeker van zijn dat hij op de een of andere wijze er bij winnen zal? Ja, zijn niet de liefde en de gunst Gods beter dan alle andere dingen, beter dan het leven zelf? B. God is machtig om onze weldadigheid tot ons voordeel te doen strekken, vers 8. Wij hebben geen reden om Gods goedheid te wantrouwen, en wij hebben zeker geen reden om Zijn macht te betwijfelen. Hij is machtig alle genade overvloedig te doen zijn jegens ons, en ze ons te verlenen, en ons te geven een groten overvloed van geestelijke en tijdelijke goede dingen. Hij kan maken dat wij voldoende heb- ben van alles, dat wij tevreden zijn met hetgeen wij hebben, dat wij ons opmaken om te geven en instaat zijn om nog meer te geven, gelijk over den weldadige geschreven staat in Psalm 112:9 : Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven: zijne gerechtigheid blijft in der eeuwigheid. De eer daarvan is blijvend, de beloning eeuwig, en hij blijft instaat zelf behoorlijk te leven en mild aan anderen te geven.
C. De apostel zendt een voorbede tot God op, dat zij de winners en niet de verliezers mogen zijn, vers 10, 11. Let hier op Hem aan wie de bede gericht is-God, die het zaad den zaaier verleent, en die door Zijne voorzienigheid zulk ene vermeerdering van de vruchten der aarde geeft, dat wij niet alleen brood genoeg hebben om dit jaar van te leven, maar nog zaad genoeg overhouden voor een volgenden voorraad. Dus: God geeft ons niet alleen een genoegzaam deel voor ons zelven, maar ook nog zoveel dat wij in de behoeften van anderen voorzien kunnen, en dat is als zaad om te zaaien. Waar om gebeden wordt: Er zijn verscheidene dingen, die hij voor hen begeert, namelijk: dat ze mogen hebben brood tot spijze, hun eigen genoegzaam deel, hun voldoende voedsel, en dat God vermenigvuldige hun gezaaisel, dat zij steeds meer gelegenheid mogen hebben om goed te doen, -en dat er moge zijn vermeerdering van de vruchten hunner gerechtigheid, dat zij zelf rijkelijk mogen oogsten, en de beste en geschiktste vergelding van hun weldadigheid ontvangen, opdat zij in alles rijk worden tot alle goeddadigheid, dat ze ten slotte ondervinden mogen dat zij de winners, en niet de verliezers zijn. Werken van liefdadigheid zijn er zo ver van af dat ze ons verarmen zouden, dat ze juist de rechte middelen zijn om ons te verrijken, waarlijk rijk te maken.
2. Terwijl zij geen verliezers zouden wezen, zouden de arme beproefde heiligen de winners zijn, want deze dienst vervult hun gebrek, vers 12. Wanneer wij bedenken dat zij heiligen zijn, die wij als huisgenoten des geloofs mogen beschouwen, wier behoeften zo groot zijn, hoe bereid zullen wij dan zijn om hun wel te doen! Onze goedheid kan niet tot God reiken, maar wel tot de heiligen, die op de aarde zijn, en wie wij dus kunnen tonen dat tot hen al onze lust is.
3. Dit zal ook strekken tot dank en prijs aan God. Veler dankzegging zal daarvoor aan God gebracht worden, door den apostel en door hen, die tot dezen dienst uitgezonden waren, vers 11. Zij zouden God er voor zegenen, dat Hij hen als werktuigen in zulk een heerlijken dienst gebruikt en voorspoedig gemaakt had. Maar buitendien zouden nog anderen dankbaar zijn, de armen, in wier behoeften voorzien was, zouden zeker zeer dankbaar aan God zijn en Hem er voor zegenen, en allen die het Evangelie liefhadden zouden God verheerlijken over de onderwerping hunner belijdenis onder het Evangelie van Christus en hun ware liefde jegens allen, vers 13. Waarachtig Christendom is onderwerping aan het Evangelie en ons zelven onderwerpen aan den bevelenden invloed van zijn wetten en instellingen. Wij moeten de oprechtheid van onze onderwerping aan het Evangelie bewijzen door werken van goeddadigheid. Deze zullen strekken tot aanbeveling van onze belijdenis en tot prijs en heerlijkheid van God.
4. Zij, wier behoeften voorzien waren, zouden de beste wedervergelding doen door vele gebeden tot God voor hen, die ondersteuning gezonden hadden, vers 14. En daardoor moeten wij de vriendelijkheid, die ons bewezen wordt, vergelden, wanneer wij niet in de gelegenheid zijn om het op andere wijze te doen, dat is de enige vergelding, waartoe armen instaat zijn en het geeft dikwijls groot voordeel aan de rijken.
Ten slotte. De apostel stapt van dit onderwerp af met deze lofverheffing: Gode zij dank voor Zijne onuitsprekelijke gave, vers 15. Sommigen menen dat hij met deze onuitsprekelijke gave bedoelt de gave van genade aan de gemeenten geschonken, om hen instaat te stellen en gewillig te maken om in de behoeften der heiligen te voorzien, welke een onuitsprekelijk voorrecht beide voor gevers en ontvangers kan genoemd worden. Maar het schijnt veelmeer dat hij bedoelt Jezus Christus, die inderdaad de onuitsprekelijke gave Gods aan de wereld is, een gave waarvoor wij nooit dankbaar genoeg kunnen zijn.