Psalm 83:1-9
Het Israël Gods was nu in gevaar en vrees en in grote benauwdheid, en toch wordt hun gebed een lied, een psalm genoemd, want het zingen van psalmen is niet ontijdig, neen, zelfs niet als de harpen aan de wilgen worden gehangen.
I. De psalmist bidt God om te verschijnen ten behoeve van Zijn beledigd en bedreigd volk, vers 2. "O God, zwijg niet, maar doe uitspraak voor ons tegen hen, die ons zo blijkbaar onrecht doen." Aldus heeft Josafat gebeden bij gelegenheid van die inval, 2 Kronieken 20:11. "Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uwe erve, die Gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven." Soms schijnt God de ogen te sluiten voor de onrechtvaardige behandeling, die Zijn volk wordt aangedaan, Hij zwijgt alsof Hij het niet zag, niet opmerkte of er zich niet om bekommerde, Hij zwijgt alsof Hij zich strikt onzijdig wilde houden en wilde dat zij het maar samen zouden uitvechten, Hij is stil, verontrust de vijanden Zijns volks niet, biedt hun geen tegenstand, maar schijnt er bij te zitten als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen. Dan laat Hij ons toe om Hem aan te roepen, zoals hier: "O God, zwijg niet. Heere, spreek tot ons door Uwe profeten tot onze bemoediging, " (zoals Hij gedaan heeft bij gelegenheid van die inval 2 Kronieken 20:14 en verv.) Heere spreek tot ons door Uwe voorzienigheid, en spreek tegen onze vijanden, spreek verlossing voor ons, en teleurstelling voor hen." Gods spreken is Zijn handelen, want spreken en doen is voor Hem hetzelfde.
II. Hij geeft hier een bericht van het grote verbond van de naburige volken tegen Israël, en bidt God het te verbreken en er de plannen van te doen mislukken.
Merk hier nu op:
1. Tegen wie dit verbond gericht was, tegen het Israël Gods, en dus in werkelijkheid ook tegen de God Israëls. Zo draagt de psalmist er zorg voor om God belang te doen stellen in hun zaak, niet twijfelende, of, zo het bleek dat zij voor God waren, God zou doen blijken dat Hij voor hen was, en dan konden zij al hun vijanden trotseren, immers, wie zou dan nog tegen hen kunnen zijn? "Heere, zegt hij, Zij zijn Uwe vijanden, en zij haten U." Alle goddelozen zijn Gods vijanden het bedenken des vleses is vijandschap tegen God maar inzonderheid goddeloze vervolgers, zij haten de aanbidders van God, omdat zij Gods heilige Godsdienst haten en de aanbidding van Hem. Dit was het, dat Gods volk zo ijverig tegen hen maakte zij streden tegen God, zij hebben in het hart tezamen beraadslaagd, tegen U hebben zij een verbond gemaakt, vers 6. Indien het alleen onze belangen gold, zouden wij het beter kunnen dragen, maar als de vijandschap tegen God zelf gericht is, dan is het tijd om te roepen: Help, Heere, o God, zwijg niet. Hij bewijst dat zij zich tegen God verbonden hebben, want zij zijn het tegen het volk van God, dat Hem dierbaar is, Zijn zoon, Zijn eerstgeborene, Zijn deel, het snoer van Zijn erve. Hij kan in waarheid gezegd worden tegen mij te strijden, die poogt mijn kinderen te verderven, mijn gezin uit roeien, tracht mijn bezitting te gronde te richten. "Heere," zegt de psalmist, "zij zijn Uwe vijanden, want zij beraadslagen zich tegen Uwe verborgenen". Gods volk zijn Zijn verborgenen, verborgen, want "hun leven is met Christus verborgen in God, de wereld kent hen niet," indien zij hen kenden, zij zouden hen niet haten, zoals zij hen haten. Zij zijn ook Zijn verborgenen ten opzichte van hun veiligheid. God neemt hen onder Zijn bijzondere bescherming, verbergt hen in het holle van Zijn hand, en toch, in trotsering van God en Zijn macht en belofte om Zijn volk te beveiligen, willen zij beraadslagen om hen te verderven, en "hen van hun hoogheid te verstoten," Psalm 62:4, en aldus hen tot een prooi te maken, die God zich "heeft afgezonderd," Psalm 4:4. Zij besluiten hen te verderven, die God besloten heeft te bewaren.
2. Hoe dit verbond werkt. Op de bodem ervan is de duivel, en daarom:
a. Wordt met veel geweld tewerk gegaan. Uwe vijanden maken getier, vers 3. "De heidenen woeden" Psalm 2:1. "De volken waren toornig," Openbaring 11:18. Zij zijn zeer luid in hun geroep tegen het volk, dat zij hopen door hun luide lasteringen terneder te kunnen werpen. Dit wordt aangevoerd als een reden waarom God niet zou zwijgen. "De vijanden spreken groot, spreken veel, Heere, laat hen niet alleen spreken, maar spreek Gij tot hen in Uwen toorn," Psalm 2:5.
b. Met veel hoogmoed en onbeschoftheid. Zij steken het hoofd op, in vast vertrouwen op hun welslagen, zij zijn zo hoog opgeheven, alsof zij de Allerhoogste reeds ver te boven waren gekomen en de almachtige konden overweldigen.
c. Met zeer veel slimheid en overleg, zij maken listiglijk een heimelijke aanslag, vers 4. In hun wijze van handelen ontwaart men de list van de oude slang, en zij wenden alle middelen, hoe laag ook of hoe slecht, aan om hun doel te bereiken. Zij "verdiepen zich om te slachten,' Hosea 5:2, alsof zij de oneindige wijsheid konden verschalken.
d. Met grote eenstemmigheid. Welke tegenstrijdige belangen zij ook onder elkaar kunnen hebben, tegen het volk van God beraadslagen zij tezamen vers 6, dan is Satans koninkrijk niet tegen zichzelf verdeeld. Om deze onheilige krijg te kunnen voortzetten, leggen zij hun hoofden en hun hoornen bij elkaar en ook hun harten. "Fas est et ab hoste doceri, Zelfs een vijand kan onderrichten." Handelen de vijanden van de kerk met gemeen overleg om haar te vernietigen? Zijn de koningen van de aarde eens van zin om hun macht en eer aan het beest te geven? En zullen dan de vrienden van de kerk niet eensgezind zijn om haar belangen te dienen? Indien Herodes en Pilatus vrienden worden, teneinde zich te verenigen om Christus te kruisigen, dan voorzeker zullen Paulus en Barnabas, Paulus en Petrus spoedig vrienden worden, teneinde zich te verenigen om Christus te prediken.
3. Wat het is, waarop men het met dit bondgenootschap gemunt heeft. Zij beraadslagen, niet gelijk de Gibeonieten om een verbond met Israël te maken, teneinde zich door zo'n gewenst bondgenootschap te versterken, dat hun wijsheid zou geweest zijn. Zij beraadslagen, niet alleen om Israël te kortwieken, hun hun laatste veroveringen te ontrukken en de voortgang hunner zegevierende wapenen te stuiten, niet alleen om het evenwicht van de macht tussen hen en Israël in stand te houden, en te voorkomen dat hun macht al te groot wordt, dat is hun niet genoeg, zij bedoelen niets minder dan het algehele verderf van Israël, zij moeten met wortel en tak worden uitgeroeid, vers 5. "Komt, laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn, gelijk zij de zeven volken van Kanaän hebben uitgeroeid. Laat ons zorgen dat er wortel noch tak van hen overblijft, en laat ons hun land zo volkomen verwoesten, dat aan de naam Israëls niet meer gedacht worde) neen, zelfs niet in de geschiedenis," want met hen zullen zij ook al hun bijbels vernietigen, al hun registers en hun archieven verbranden. Zodanig is de vijandschap van het zaad van de slang tegen het zaad van de vrouw. Het is de geheime begeerte van de goddelozen, dat de kerk Gods niet bestaan zal in de wereld, dat er niet zo iets als godsdienst zij onder het mensdom, er het besef, het bewustzijn van uit hun eigen hart gebannen hebbende, wensen zij dat ook de gehele aarde ervan ontdaan zal zijn, dat al zijn wetten en inzettingen afgeschaft, al zijn bedwang, zijn verplichtingen, afgeschud zullen worden, en allen die hem prediken, belijden of beoefenen, gedood zullen worden. Daartoe zouden zij het gaarne brengen, indien het in hun macht ware, maar "die in de hemel woont zal lachen, de Heere zal hen bespotten."
4. Wie het waren, die dit bondgenootschap uitmaakten, de volken, die het gesloten hebben worden hier genoemd, vers 7-9 De Edomieten en Ismaelieten, beide volken afstammelingen van Abraham, staan vooraan, want de afvalligen van de kerk zijn haar bitterste en boosaardigste vijanden geweest, getuige Julianus. Dezen waren in den bloede aan Israël verwant, en toch in verbond tegen Israël. Gene banden van de natuur zijn zo sterk, of de geest van de vervolging heeft ze verbroken, de ene broeder zal de andere broeder overleveren tot de dood. Moab en Ammon waren de kinderen van de rechtvaardige Lot, maar als een bloedschender en dus een ontaard geslacht. De Filistijnen waren gedurende lange tijd een doorn in Israëls zijde geweest, en zeer kwellend voor hen. Hoe de inwoners van Tyrus die in Davids tijd Israëls standvastige bondgenoten zijn geweest, nu onder hun vijanden zijn gekomen, weet ik niet, maar dat Assur dat is: de Assyriërs, ook bij hen gevoegd zijn, is niet vreemd, of dat zij zoals de betekenis is van het woord de kinderen van Lot tot een arm geweest zijn. Zie hoe talrijk de vijanden van Gods kerk altijd geweest zijn, Heere, hoe zijn zij vermenigvuldigd, die haar benauwen! "Gods erfenis is een gesprenkelde vogel, de vogelen zijn rondom tegen haar," Jeremia 12:9, waardoor de macht van God grotelijks verheerlijkt wordt daar Hij zich een kerk in de wereld bewaart in weerwil van de verenigde machten van de aarde en van de hel.