18. En de volken verachtten de rijkdom van Uw goedheid, geduld en lankmoedigheid en, in plaats van zich daardoor tot bekering te laten leiden, lieten zij zich hoe langer hoe meer in de netten van satan verstrikken (
Hoofdstuk 12:12). Zij waren toornig geworden 1)
Hoofdstuk 16:10,
13,
20:8 v.) en uw toorn is die overeenkomstig gekomen (
Hoofdstuk 16:1-
19:21 20:9) en de tijd van de doden, om geoordeeld te worden (
Hoofdstuk 20:11) en om het loon te geven aan Uw dienstknechten, de profeten en de heiligen en degenen, die uw naam vrezen, de kleine en de grote 2) (
Hoofdstuk 21:1-
22:5 en om te verderven degenen, die de aarde verdorven 3) (
Hoofdstuk 19:2 Genesis 6:11-
131) Het wordt ervaren, dat het ongeloof afkeer van Christus en van Zijn hele zaak, ja fanatieke boosheid tegen Hem in het menselijk hart opwekt en als deze boosheid eenmaal komt tot algemene heerschappij, dan is ook de toorn van de Heere gekomen en met deze de juiste door God bepaalde tijd van vergelding. Deze vergelding zien de 24 oudsten in haar hele omvang vooruit, niet alleen, zoals zij begint in het gericht over de antichristen, maar zoals zij ten laatste dage volkomen wordt als alle doden worden geoordeeld.
2) De dankzegging blijft het langst bij de getrouwen van de Heere, die zich over Zijn komst mogen verheugen. Zij heten "dienstknechten" van God, omdat zij in Zijn dienst met gehoorzaamheid volhard hebben tot aan het einde; profeten, omdat zij de geest van de profetie hebben en daarom de tekenen van de tijd in het licht van Zijn getuigenis verstaan; "heiligen", omdat zij van Babel afgezonderd zijn en zich de Heere gewijd hebben tot gewillig navolgen op de kruisweg; "die uw naam vrezen", omdat zij midden in de pantheïstische en materialistische ontkerstening van de wereld aan het eeuwig Evangelie van de heilige God van de schepping hebben vastgehouden; "kleinen en groten", geringen en verhevenen, nederige en voorname lieden, omdat voor God geen aanzien des persoons is en die in het minste getrouw geweest is, in Zijn rijk over veel wordt gesteld.
3) De titel "dienstknechten" zullen wij zeker wel niet alleen aan de profeten met uitzondering van de anderen mogen toekennen; het meest voor de hand ligt het, de dienstknechten uit de drie volgende klassen samen te laten blijven. Dan krijgen wij een afdalende ladder: ten eerste worden "de profeten" genoemd, de uitverkoren werktuigen, die God voor anderen dienen, vervolgens de "heiligen", waaronder wij de hele schare van gelovigen moeten verstaan; en eindelijk de "godvrezende", waaronder wij volgens Nieuw-Testamentische spraakgebruik hen moeten verstaan, die in een verhouding van proselieten tot de gemeente van God stonden (Handelingen 10:2;). Wij hebben hier niet alleen een samenvatting van de gemeente van God, wat de leden aangaat, die op de hoogste trap staan (profeten), maar ook de leden zelf (heiligen); zelfs zullen zij niet vergeten worden bij de verdeling van het loon, die in een vriendschappelijke verhouding tot de gemeenten stonden, het werk van God in haar erkenden en het door haar bewaarde woord hun licht lieten zijn, al waren zij ook niet zo ver gekomen, om zich in haar gemeenschap te laten opnemen. Ook hun geeft God hun loon daarvoor, dat zij hun hart van de wereld afkeerden en op Hem stelden; en voor zoveel hun kracht en kennis toeliet, ernstig streefden Zijn wil te doen. De woorden "de kleinen en de groten" zien nu natuurlijk niet alleen op de godvruchtigen, maar op de dienstknechten in het algemeen; ook zullen wij daarbij niet aan de kleinen en groten volgens ouderdom en stand mogen denken, maar degenen zijn bedoeld, die als "dienstknechten. klein of groot zijn, d. i. God veel of weinig hebben kunnen dienen. God geeft aan allen, ook aan de minste van Zijn knechten, hun loon. Ook in Mattheus 10:41, 42 maakt de mond van Christus zelf onderscheid tussen profeten, rechtvaardigen en kleinen. Er is bij de onderscheiding van deze drie klassen een schat van nieuwe ideeën, die even kostbaar zijn voor de herders, die met de leiding van de zielen belast zijn, als voor elke gelovige.
De aarde wordt verdorven door de grote hoer en haar hoererij inzonderheid, maar ook weer door openlijke boosheid en haat tegen al wat goed is, door nodeloze oorlogen en later ontstane verwoesting en vernietiging, door zulke wetten en inrichtingen, waarbij veel goeds wordt verhinderd, veel overtreding en jammer wordt veroorzaakt, door algemene ergernissen, waardoor voor alle verkeerdheid en ongerechtigheid deuren en poorten geopend worden, door misbruik van werelds en geestelijk geweld, door verkeerde leringen en voorstellingen, door gewetensdwang en vervolging, door ten hemel schreiende zonden, waardoor God zelf wordt getart om plagen over het land te zenden.
De zonde heeft de aarde verdorven door de vloek, die zij zich heeft berokkend. Nadat echter de zonde is weggedaan en overwonnen en de hele aarde weer een schouwplaats van God is geworden, moeten zij van de aarde weg, die haar door hun zonden hebben verdorven.