2 Kronieken 20:1-13
In het vorige hoofdstuk verlieten wij Josafat zich bezighoudende met de hervorming van zijn rijk, zorgende voor een goede rechtsbedeling en voor bevordering van de Godsdienst, en wij verwachtten niet anders dan van de vrede en voorspoed van zijn regering te horen, maar nu vinden wij hem in benauwdheid, welke benauwdheid echter gevolgd werd door zo'n heerlijke uitredding, dat zij een overvloedige beloning voor zijn Godsvrucht geacht kan worden.
Als wij moeilijkheid en verdriet ontmoeten op de weg van onze plicht, dan kunnen wij geloven, dat het is opdat God de gelegenheid zou hebben om ons zoveel temeer Zijn wonderbaarlijke goedertierenheid te tonen. Wij hebben hier:
I. Een geduchte aanval op Josafats rijk door de Moabieten en Ammonieten met hun hulptroepen, vers 1.
Josafat werd verrast door het bericht ervan, toen de vijand reeds het land was binnengedrongen, vers 2.
Welk voorwendsel zij hadden om Josafat de oorlog aan te doen, blijkt niet, zij worden gezegd gekomen te zijn: "van de andere kant van de zee", bedoelende "de Dode Zee", waar Sodom had gestaan.
Zij schenen hun weg genomen te hebben door diegenen van de tien stammen, die aan de andere kant van de Jordaan woonden, en deze hadden hun vrijen doortocht verleend, zo ondankbaar waren zij aan Josafat, die hen had bijgestaan om Ramoth in Gilead te heroveren.
Onderscheiden volken hadden zich bij hen gevoegd in dit verbond, maar de voornaamsten waren de kinderen van Lot, die door de overigen geholpen werden, Psalm 83:7-9. De naburige volken hadden Josafat gevreesd, Hoofdstuk 17:10, maar zijn verwantschap met Achab had hem misschien doen dalen in hun achting, en zij droegen er enige kennis van, dat zijn God daarom misnoegd op hem was, wat, naar zij zich verbeeldden, hun de gelegenheid zou geven om zijn rijk tot hun prooi te maken.
II. De toebereidselen, die Josafat maakte tegen de aanvallers. Er wordt niet gezegd dat hij zijn strijdkrachten monsterde, hetgeen hij hoogstwaarschijnlijk toch gedaan heeft, want op God moet vertrouwd worden in het gebruik van de middelen. Maar zijn grote zorg was de gunst van God te verkrijgen, Hem aan zijn zijde te hebben, wat hij misschien te vuriger wenste, omdat hem onlangs gezegd was dat er van het aangezicht des Heeren grote toornigheid over hem was, Hoofdstuk 19:2.
Maar hij is van het gevoelen van zijn vader David, als wij getuchtigd moeten worden, "zo laat ons niet in de handen van de mensen vallen."
1. Hij vreesde. Bewustheid van schuld deed hem vrezen, zij, die de minste zonde hebben, zijn er zich het meest van bewust. Het onverwachte van oen aanval vermeerderde nog de vrees. Heilige vrees is een prikkel tot het gebed en tot toebereiding, Hebreeën 11:7. 2. Hij stelde zijn aangezicht om de HEERE te zoeken, en in de eerste plaats, Hem tot zijn vriend te hebben. Zij, die de Heere willen zoeken zo dat zij Hem vinden en gunst bij Hem vinden, moeten zich stellen om Hem te zoeken, moeten het doen met een vast voornemen des harten, met oprechtheid en er standvastig in zijn.
3. Hij riep een vasten uit in geheel Juda, stelde een dag vast voor verootmoediging en gebed, opdat zij zich met elkaar zouden verenigen om hun zonden te belijden en de Heere om hulp te vragen.
Vasten, het zich onthouden van spijs en drank bij die gelegenheden, is een teken dat wij onszelf veroordelen om de zonden die wij hebben bedreven, (wij erkennen dat wij het brood, dat wij eten, onwaardig zijn, en dat God het ons rechtvaardiglijk zou kunnen onthouden) en van zelfverloochening in de toekomst.
Het vasten om de zonde, geeft een besluit te kennen om er van te vasten, dat is zich er van te onthouden, al was zij ons ook lieflijk.
Magistraten moeten bij zulke gelegenheden het volk roepen tot hun plicht van vasten en bidden, opdat het een nationale daad zij, en aldus nationale zegeningen verkregen zullen worden.
4. Het volk heeft zich geredelijk uit alle steden van Juda bijeenverzameld in het voorhof van de tempel, om zich te verenigen tot gebed, vers 4,, en zij stonden voor het aangezicht des HEEREN, als bedelaars aan zijn deur, met hun vrouwen en kinderen. Zij en hun gezin waren in gevaar, en daarom brengen zij het met zich om de Heere te zoeken. "Heere, wij zijn inderdaad een tergend volk, wij verdienen overgelaten te worden aan het verderf, maar hier zijn onschuldige kinderkens, laat hen niet omkomen in de storm." Nineve werd gespaard om de wille van de kinderen, Jona 4:11.
De plaats waar zij samenkwamen was het huis des HEEREN, voor het nieuwe voorhof, dat misschien onlangs aan de vorige voorhoven was toegevoegd, en dat, naar sommigen denken, het voorhof van de vrouwen werd genoemd. Aldus kwamen zij binnen het bereik van die genaderijke belofte, door God gedaan in verhoring van Salomo's gebed, Hoofdstuk 7:15 :
"Nu zullen Mijn ogen open zijn en Mijn oren opmerkende op het gebed van deze plaats".
Josafat zelf was de mond van de gemeente tot God, en heeft dit werk niet aan de priesters of Levieten overgelaten. Hoewel het de koningen verboden was reukwerk te branden, was het hun toch wel toegestaan te bidden en te prediken, zoals Salomo, en hier Josafat.
Het gebed, dat Josafat bij die gelegenheid heeft gebeden is hier meegedeeld of tenminste een deel er van, en het is een voortreffelijk gebed.
A. Hij erkent de souvereine heerschappij van de Goddelijke voorzienigheid, hij geeft Gode de eer, en neemt er voor zich de vertroosting van vers 6. "Zijt Gij niet die God in de hemel? Ongetwijfeld zijt Gij het, maar geen van de goden van de heidenen is het, doe dit dan blijken. Is niet Uwe heerschappij oppermachtig over de koningen zelf, en over alle koninkrijken, zelfs over die van de heidenen, die U niet kennen? Bedwing dan deze heidenen, stel perken aan hun stoute, dreigende beledigingen. Is er niet in Uwe hand kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan? Heere oefen haar dan uit ten onze behoeve. Verheerlijk Uwe almacht."
B. Hij legt de hand op hun verbondsbetrekking tot God en hun deel in Hem. Gij, die God zijt in de hemel, zijt de God van onze vaderen, vers 6, en onze God, vers 7. Wien zouden wij zoeken, op wie zouden wij vertrouwen om hulp en verlichting te krijgen dan op de God, die wij verkoren en gediend hebben?
C. Hij wijst op het recht, dat zij hadden op het goede land in welks bezit zij nu waren, het was een onbetwistbaar recht. Gij hebt aan het zaad Abraham, Uws liefhebber, tot in eeuwigheid gegeven.
Hiernaar wordt verwezen in Jakobus 2:23, om de eer te tonen van Abraham, dat hij een vriend van God is geweest, wij zijn zijn zaad, en hopen bemind te zijn om des vaders wil, Romeinen 11:28, Deuteronomium 7:8, 9.
Wij houden dit land door een schenking van u. Heere, handhaaf Uw schenking en waarborg het tegenover alle onrechtmatige eisen. Laat niet toe dat wij uit Uw erve verdreven worden, wij zijn Uw knechten, de bewoners van Uw land, Gij zijt onze landheer, zult Gij het Uwe niet handhaven? vers 11.
Zij, die wat zij hebben voor God gebruiken, kunnen de vertroostende hoop hebben, dat Hij het hun verzekeren en bewaren zal.
D. Hij maakt melding van het heiligdom, de tempel, die zij hadden gebouwd voor Gods naam, vers 8, niet alsof zij daarmee iets van Gods hand verdienden, want zij hebben Hem gegeven van het Zijne, maar het was zo'n teken van Gods gunstrijke tegenwoordigheid onder hen, dat zij zich hadden voorgesteld dat God hen zal horen en helpen, als zij in hun benauwdheid voor dit huis staan en tot Hem roepen, vers 8, 9.
"Heere, toen het gebouwd werd, was het bestemd voor de aanmoediging van ons geloof in een tijd, zoals deze is. Hier is Uw naam, hier zijn wij, Heere, help ons tot heerlijkheid van Uwen naam."
E. Hij wijst op de ondankbaarheid en onrechtvaardigheid van zijn vijanden. Wij zijn de zodanigen, dat het U tot heerlijkheid zal zijn om voor ons te verschijnen, zij zijn de zodanigen, dat het U tot heerlijkheid zijn zal om tegen hen te verschijnen, want:
a. Zij vergelden ons zeer slecht onze oude vriendelijkheid jegens hen. "Gij hebt Israël niet toegelaten hen aan te vallen of te beangstigen, Deuteronomium 2:5, 9, 19.
Mengt u niet met de Edomieten, beangstigt Moab niet, mengt u niet met de kinderen Ammons, beangstigt hen niet, neen, al zouden zij u ook beledigen, maar zie, nu vallen zij ons aan. Wij kunnen ons met vertroosting op God beroepen tegen hen, die ons kwaad voor goed vergelden.
b. "Zij maken inbreuk op onze aloude rechten. Zij komen om ons uit onze bezitting te verdrijven, ons land voor henzelf te nemen. O onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? vers 12. Zult Gij geen vonnis over hen vellen en het aan hen volvoeren? Gods gerechtigheid is de toevlucht van hen, wie onrecht wordt aangedaan.
F. Hij belijdt zijn algehele afhankelijkheid van God voor redding en uitkomst, hoewel hij een groot en goed geoefend leger op de been had, zegt hij toch: In ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, geen zonder U, geen, waarvan wij iets kunnen verwachten zonder Uw bijzondere tegenwoordigheid en zegen, geen om op te roemen, geen om op te vertrouwen, maar onze ogen zijn op U, een oog van erkenning en nederige onderworpenheid, een oog van geloof en algehele afhankelijkheid, een oog van begeerte en hartgrondig gebed, een oog van hoop en geduldige verwachting. Op U, o God, vertrouwen wij, onze ziel wacht op Uw heil.