Richteren 11:29-40
Wie zien hier hoe Jeftha een glorierijke overwinning behaalt, maar die als door een bitteren druppel in de beker van zijn vreugde, vergald werd door de gevolgen van zijn onbedachtzame gelofte.
I. Jeftha's overwinning was onbetwistbaar en zeer glorierijk, beide tot zijn eer en tot eer van God, de zijne in zijn strijden voor, en die van God in Zijn handhaven van, een rechtvaardige zaak.
1. God gaf hem een voortreffelijken geest en hij gebruikte hem kloekmoedig, vers 29. Toen het volk hem eenstemmig tot hun overste had verkoren, en hieruit bleek dat hij zo duidelijk tot de strijd was geroepen, en toen de koning van Ammon zo hardnekkig doof bleef voor zijn voorstellen om tot een schikking te komen, en hieruit bleek dat hij voor zo rechtvaardig een zaak had te strijden, toen kwam de Geest des Heeren op hem, en heeft zijn natuurlijke bekwaamheden zeer verhoogd, hem begiftigende met kracht van boven, en hem stoutmoediger en verstandiger makende dan hij ooit geweest is, en meer aangevuurd met heilige ijver tegen de vijanden van zijn volk. Hierdoor bevestigde God hem in zijn ambt, en verzekerde Hij hem van wèl te zullen slagen in zijn onderneming. Aldus bezield zijnde verliest hij geen tijd, maar trekt onversaagd en vastberaden te velde. Er wordt bijzondere nota genomen van de wijze, waarop hij naar het leger van de vijand voorttrok, waarschijnlijk omdat de keus daarvan een blijk was van de buitengewone leiding, die de Geest Gods hem had gegeven, want zij die in oprechtheid de Geest nawandelen, zullen door Hem op de rechte weg geleid worden.
2. God schonk hem uitnemender voorspoed en ook daarvan heeft hij een kloekmoedig gebruik gemaakt, vers 32. De Heere gaf ze in zijn hand, en deed aldus uitspraak in het beroep ten gunste van de rechtvaardige zaak, en deed de kracht van de strijd gevoelen aan hen, die voor de kracht van de rede niet wilden wijken, want Hij heeft hun recht en hun rechtszaak afgedaan. "Hij zat op Zijn troon en richtte rechtvaardig," Psalm 9:5. Jeftha liet het voordeel, dat hem gegeven werd niet teloor gaan, maar volgde zijn overwinning op en voltooide haar. Hun krijgsmacht te velde verslagen hebbende, joeg hij hen na tot in hun steden, waar hij allen over de kling joeg, die hij vond met de wapens in de hand, zodat hij hun in een keer de macht ontnam om Israël te kwellen of overlast aan te doen, vers 33. Maar het blijkt niet dat hij het volk in een keer heeft uitgeroeid zoals Jozua de aan de vloek gewijde volken heeft uitgeroeid, of dat hij een poging deed om zich meester te maken van hun land, hoewel de aanspraken, die zij voorgaven te hebben op het land van Israël, er hem wel een schijn van reden voor gegeven konden hebben, alleenlijk droeg hij er zorg voor dat zij volkomen ten onder gebracht zouden zijn. Hoewel de poging van anderen om ons onrecht te doen ons rechtvaardigt in de verdediging van ons recht, zal zij ons toch niet machtigen hun onrecht te doen.
II. Jeftha's gelofte is duister, in nevelen gehuld. Toen hij zijn eigen huis verliet om op deze hachelijke onderneming uit te gaan, heeft hij in zijn gebed tot God om Zijn tegenwoordigheid, een geheime, maar plechtige gelofte gedaan aan God, dat zo God hem als overwinnaar wederbracht, wie of wat hem uit zijn huis het eerst tegemoet zou komen, Gode gewijd zou zijn, Hem als brandoffer geofferd zou worden. Toen nu bij zijn terugkomst de tijding van zijn overwinning hem vooruit was gegaan, ging zijn eigen dochter, zijn enig kind, hem tegemoet met gepast vreugdebetoon. Dit brengt hem in de grootst mogelijke ontsteltenis, maar de zaak is niet te verhelpen, nadat zij enige tijd had doorgebracht met haar ongelukkig lot te bewenen, onderwerpt zij zich goedsmoeds aan de volbrenging van zijn gelofte. 1. Er zijn veel goede leringen te trekken uit deze geschiedenis.
a. Dat er zelfs in het hart van oprechte en grote gelovigen nog twijfel en wantrouwen kan zijn overgebleven. Jeftha had reden genoeg om te vertrouwen dat hij voorspoed zou hebben, inzonderheid toen hij bevond dat de Geest des Heeren op hem was en toch, nu het tot de beslissing komen zal schijnt hij te weifelen, vers 30. "Indien Gij de kinderen Ammons volledig in mijn hand zult geven, dan zal ik zo en zo doen." En misschien was de strik, waarin hij door zijn gelofte geraakt is, bestemd om de zwakheid van zijn geloof te bestraffen, en zijn dwaze waan dat hij zich de overwinning niet kon beloven, of hij moest er God iets groots voor in de plaats aanbieden.
b. Dat het toch zeer goed is om, als wij een zegen begeren of verwachten, aan God de gelofte te doen van iets te doen, dat Hem welbehaaglijk is, niet om de begeerde gunst er mee te kopen of te betalen, maar als een uitdrukking van dankbaarheid aan Hem, en in het diep besef van onze verplichting om de weldaad te vergelden, die ons bewezen is. Wat in zo'n gelofte beloofd wordt, Leviticus 27:2, moet iets wezen, dat een duidelijke strekking heeft hetzij om de eer van God te bevorderen, en de belangen van Zijn koninkrijk onder de mensen, of wel ons toenemen in Zijn dienst, en in hetgeen reeds vroeger onze plicht was.
c. Dat het ons nodig is zeer voorzichtig te zijn in het doen van zulke gelofte, opdat wij niet door toe te geven aan een opkomende gemoedsbeweging, een opwelling, zelfs van vrome ijver, ons geweten verstrikken, ons niet in moeilijkheden brengen, zodat wij ten slotte genoodzaakt zouden zijn te zeggen voor het aangezicht van de engel, "dat het een dwaling was," Prediker 5:3-5. `Het is een strik van de mensen, dat hij het heilige verslindt," zonder behoorlijk nadenken (quid valeant humeri quid ferre recusent-wat wij kunnen of niet kunnen doen) en zonder het nodige voorbehoud er aan toe te voegen, dat de verstrikking zou kunnen voorkomen, om dan, nadat de gelofte gedaan is, het onderzoek in te stellen, dat tevoren ingesteld had moeten worden, Spreuken 20:25. Laat Jeftha's leed ons een waarschuwing zijn in deze zaak. Zie Deuteronomium 23:22.
d. Dat hetgeen wij Gode in een plechtige gelofte gewijd hebben, stipt en nauwkeurig door ons betaald of volbracht moet worden, indien het mogelijk en geoorloofd is, al zou het dan ook nog zo moeilijk en smartelijk voor ons zijn. Jeftha's besef van het sterk verplichtende van zijn gelofte moet ook steeds het onze zijn, vers 35. Ik heb mijn mond opengedaan tot de Heere in een plechtige gelofte, en ik zal niet kunnen teruggaan, dat is: "Ik kan zelf mijn gelofte niet herroepen, daar is het te laat voor, en geen macht op aarde kan er mij van ontheffen. De zaak was van mij, in mijn macht, Handelingen 5:4, maar nu is zij dit niet." "Doet gelofte en betaalt ze," Psalm 76:12. Wij dwalen als wij denken God te kunnen bespotten. Als wij dit toepassen op onze toestemming, die wij in onze sacramentele geloften gegeven hebben aan het verbond van de genade, met arme zonderen aangegaan in Christus, welk een krachtig argument zal dit dan zijn tegen de zonden, die wij door deze geloften op ons hebben genomen te bestrijden en welk een krachtige beweegreden om de plichten te volbrengen, die wij door deze geloften op ons genomen hebben, en welk een gereed antwoord op iedere verzoeking: ik heb mijn mond opengedaan tot de Heere, en ik zal niet kunnen teruggaan, ik moet dus voorwaarts gaan, ik heb gezworen, en ik moet het zal het volbrengen. Laat mij het niet wagen onstandvastig te zijn voor God".
e. Dat het kinderen betaamt zich gehoorzaam en blijmoedig aan hun ouders te onderwerpen in de Heere, inzonderheid om te berusten in hun Godvruchtige besluiten tot eer van God en ter handhaving van de Godsdienst in hun gezin, al zijn die dan ook hard of streng, zoals de Rechabieten, die gedurende vele eeuwen in hun geslachten nauwgezet de bevelen hebben opgevolgd van Jonadab, hun stamvader, om zich van wijn te onthouden, en Jeftha's dochter, die ter bevrediging van haar vaders geweten en tot eer van God en van haarland, zich overgaf als de Heere gewijd te zijn, vers 36, "doe mij gelijk uit uw mond gegaan is, ik weet dat ik u dierbaar ben, maar ik ben er wel mee tevreden, dat God u nog dierbaarder is." Een vader kon een gelofte, gedaan door een dochter, vernietigen, Numeri 30:5. , maar een dochter kon een gelofte, gedaan door haar vader niet breken of tenietdoen, neen, zelfs niet zo'n gelofte als deze was. Dit verheerlijkt de wet van het vijfde gebod.
f. Dat de smart van onze vrienden ook ons een smart moet wezen. Toen zij heenging om haar hard lot te bewenen, gingen de maagden, haar gezellinnen, met haar, om met haar in te stemmen in haar klacht vers 38. Met die van haar eigen sekse en leeftijd had zij zich vergezeld, en deze hebben ongetwijfeld gedacht, dat zij, nu haar vader plotseling tot zo hoog aanzien was gekomen, na zijn terugkeer spoedig op haar bruiloft zouden dansen, maar werden zeer teleurgesteld, toen zij geroepen werden om met haar in afzondering te gaan op de bergen en te delen in haar smart. Diegenen zijn de naam van vriend onwaardig, die zich alleen maar met ons willen verblijden, maar niet met ons willen wenen.
g. Deze heldhaftige ijver voor de eer van God en Israël, hoewel vermengd met zwakheid en onvoorzichtigheid, is waardig om in eeuwige gedachtenis te worden gehouden. Wèl betaamde het van de dochters van Israël, om door een jaarlijkse plechtigheid de eervolle gedachtenis te bewaren aan Jeftha's dochter, die, als een edele heldin, zelfs haar eigen leven licht geacht heeft, toen God wraak had gedaan aan Israëls vijanden, vers 36. Zulk een zeldzaam voorbeeld van iemand, die het openbare belang stelde zelfs boven het leven, moest nooit worden vergeten. Haar sekse liet niet toe dat zij mee uittoog ten strijde, om aldus haar leven te wagen, en inplaats daarvan brengt zij het nog veel meer in gevaar, en misschien heeft zij dit wel beseft, als zij enige kennis droeg van zijn gelofte, en het met voorbedachte rade gedaan, want hij zegt haar, vers 35, gij hebt mij ganselijk neergebogen, om zijn zegetocht op te luisteren. Zij was in zo'n vervoering van blijdschap over de overwinning, als een zegen en weldaad voor allen, dat zij bereid is zelf als een dankoffer aan God er voor geofferd te worden, en zij achtte haar leven wèl besteed, als zij het voor zo'nbijzondere gelegenheid overgaf. Zij acht het een eer te sterven, niet als een zoenoffer voor de zonden van het volk, (die eer was alleen voor Christus weggelegd) maar als een offer van dank erkentenis voor de zegeningen van het volk.
h. Uit Jeftha's kommer bij deze gelegenheid moeten wij leren het niet vreemd te achten, als de dag van onze triomf in deze wereld om de een of andere reden de dag van onze smart blijkt te wezen, en daarom moeten wij ons verheugen met beving! Wij hopen op een dag van triomf hiernamaals, die tevens een dag van onvermengde blijdschap zal wezen.
2. Er zijn echter moeilijkheden in deze geschiedenis, om welke op te lossen de pennen van vele geleerden gebruikt zijn. Ik zal er slechts weinig van zeggen, omdat Ds. Poole ze in zijn aantekeningen uitvoerig behandeld heeft.
A. Het is moeilijk te zeggen wat Jeftha, ter nakoming van zijn gelofte, aan zijn dochter eigenlijk gedaan heeft. a. Sommigen denken dat hij haar alleen de ongehuwde staat heeft opgelegd, en dat het, een deel van zijn gelofte ongeoorloofd zijnde, namelijk haar als een brandoffer te offeren, hij haar overeenkomstig het andere deel van zijn gelofte (want deze uitleggers scheiden aldus de gelofte in twee delen) de Heere gewijd heeft, dat is haar geheel en al van de zaken van deze wereld heeft afgezonderd bijgevolg haar van het huwelijk heeft buitengesloten, om dan haar verdere leven in daden en oefeningen van de Godsvrucht door te brengen. Hetgeen deze mening steunt is, dat zij gezegd wordt haar maagdom te bewenen, vers 37, 38, en dat zij geen man heeft bekend, vers 39. Maar indien hij haar heeft geofferd, dan was het wel gepast voor haar, om niet haar dood te bewenen, want die was bedoeld ter eer van God, en dus zal zij hem blijmoedig ondergaan, maar de ongelukkige omstandigheid er van, die het voor haar smartelijker maakte dan voor iemand anders, omdat zij het enige kind was van haar vader, in wie hij hoopte dat zijn naam en geslacht opgebouwd zou worden, dat zij ongehuwd was, en dus geen kinderen naliet om haars vaders eer en bezitting te erven, daarom is het, dat er zo bijzonder nota van genomen wordt, vers 34, dat hij, behalve haar, geen zoon of dochter had. Maar wat mij doet denken dat Jeftha niet getracht heeft op die wijze zijn gelofte na te komen, of liever haar te ontduiken is, dat wij nergens in geheel het Oude Testament enigerlei wet of gebruik vinden, waar de ongehuwde staat als een stuk van de Godsdienst werd aangemerkt, of dat iemand hetzij man of vrouw, als heiliger beschouwd werd, meer des Heeren, of Hem meer toegewijd omdat hij of zij ongehuwd leefde. Het was geen wet, noch voor de priesters, noch voor de nazireërs. Van Debora en Hulda, die beide profetessen waren, wordt bijzonder nota genomen als zijnde gehuwde vrouwen. Daarenboven, indien zij slechts tot de ongehuwde staat was verwezen, dan zou zij niet om die twee maanden gevraagd hebben, om hem te bewenen, dan zou zij dit in geheel haar volgend leven hebben kunnen doen, indien zij er reden toe vond. Dan had zij ook zo'n droevig afscheid niet behoeven te nemen van haar gezellinnen, want zij, die van deze mening zijn, verstaan hetgeen in vers 40 gezegd is, van haar komen vier dagen in het jaar om haar aan te spreken, of met haar te spreken.
b. Daarom schijnt het meer waarschijnlijk te zijn, dat hij haar geofferd heeft overeenkomstig de letter van zijn gelofte, in misbegrip van de wet, die van personen spreekt als van het gebannene door de vloek van God, alsof dit toegepast moest worden op dezulken, die door een gelofte van mensen gewijd waren, Leviticus 27:29, "al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden, het zal zeker gedood worden, " niet beter ingelicht zijnde nopens de macht, die de wet hem gaf in dit geval om haar te lossen. Abrahams poging om Izak te offeren heeft hem wellicht aangemoedigd, en hem doen denken dat, indien God dit zijn offer niet wilde aannemen, dat hij in gelofte beloofd had, Hij een engel zou zenden om zijn hand te weerhouden, zoals Hij Abrahams hand weerhouden heeft. Indien zij hem voorbedachtelijk tegemoet was gegaan, teneinde geofferd te worden-en wie weet of zij dij niet gedaan heeft? -dan dacht hij misschien, dat dit de zaak eenvoudiger en duidelijker zou maken, "Volenti non sit injuria-aan iemand, die gewillig is voor een zaak, wordt door die zaak geen onrecht gedaan," Hij verbeeldde zich misschien ook dat, waar noch toorn, noch kwaadwilligheid was, ook geen moord was, en dat zijn goede bedoeling deze slechte daad zou heiligen, en daar hij nu deze gelofte gedaan had, achtte hij het beter zijn dochter te doden dan zijn gelofte te breken, en zo drage de Voorzienigheid dan de schuld, die haar deed uitgaan om hem te ontmoeten.
B. Maar gesteld nu, dat Jeftha zijn dochter geofferd heeft, dan is het de vraag of hij er wèl aan gedaan heeft? a. Sommigen rechtvaardigen hem er in, en denken dat hij er wel aan gedaan heeft, en zoals het betaamde aan iemand, die de eer van God stelde boven hetgeen hem het dierbaarst was op aarde. Hij wordt genoemd onder de geloofshelden, die door het geloof grote dingen gedaan hebben, Hebreeën 11:32. En dit was een van de grote dingen, die hij gedaan heeft, het werd gedaan met voorbedachten rade, nadat hij er twee maanden lang over heeft kunnen nadenken en beraadslagen. Door geen van de door Gods Geest gedreven schrijvers is hij er om gelaakt. Hoewel dit nu het vaderlijk gezag zeer verheft, kan het toch niemand rechtvaardigen om hetzelfde te doen, hij was een buitengewoon persoon, de Geest des Heeren kwam op hem, veel omstandigheden, die ons nu onbekend zijn, zouden dit geheel en al tot iets buitengewoons kunnen maken en het rechtvaardigen, hoewel niet zo, dat het nu nog iets dergelijks zou rechtvaardigen. Sommige geleerden hebben dit offer als een type van Christus genomen, het grote offer. Hij was rein en onbevlekt, Hij werd door Zijn Vader de dood gewijd, en aldus een vloek, een anathema (wijgeschenk) gemaakt voor ons, evenals zij heeft Hij zich onderworpen aan de wil van Zijn Vader-"Niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt." Maar:
b. de meesten veroordelen Jeftha, hij heeft verkeerd gedaan met zo roekeloos een gelofte te doen, en nog veel verkeerder met haar na te komen. Hij kon door zijn gelofte niet verplicht worden om te doen wat God heeft verboden door de letter van het zesde gebod: Gij zult niet doodslaan. God had mensenoffers verboden, zodat dit-zegt Dr. Lightfoot-inderdaad een offer aan Moloch is geweest. En de reden, waarom de gewijde schrijver het zo onzeker heeft gelaten of hij haar al of niet geofferd heeft, was waarschijnlijk, opdat zij, die later hun kinderen geofferd hebben, in dit voorbeeld geen aanmoediging zouden vinden. Betreffende deze en andere dergelijke passages in de gewijde geschiedenis waarover de geleerden in het duister zijn, en waarover zij van elkaar verschillen in gevoelen en in twijfel zijn, behoeven wij ons niet te ontrusten, wat voor onze zaligheid nodig is, is, Gode zij dank, duidelijk genoeg.