Psalm 68:8-15
De psalmist, reden hebbende om God te danken voor de grote dingen, die Hij nu onlangs voor hem en Zijn volk gedaan heeft, neemt daar aanleiding uit om Hem ook te loven voor hetgeen Hij voor hun vaderen in de dagen vanouds gedaan heeft. Nieuwe zegeningen moeten ons de vorige zegeningen in herinnering brengen en er onze dankbare bewustheid van opwekken. Laat het nooit vergeten worden:
I. Dat God zelf Israëls gids was door de woestijn, toen Hij hen uitvoerde uit hun boeien heeft Hij hen niet in het dorre gelaten, maar is zelf voor hen heengegaan, daarhenen tredende in de woestijn, vers 8. Het was geen reis, maar een tocht, want zij togen voort als krijgslieden, als slagorden met banieren. De Egyptenaren vleiden zich dat de woestijn hen had ingesloten, maar zij vergisten zich, Gods Israël, Hem tot hun aanvoerder hebbende, toog door de woestijn, en is er niet in verdwaald. Als God Zijn volk in een woestijn brengt, dan zal Hij er gewis voor hun aangezicht heengaan en hen er uitvoeren, Hooglied 8:5.
II. Dat Hij Zijn heerlijke tegenwoordigheid onder hen openbaarde bij de berg Zion, vers 9. Nooit heeft een volk de heerlijkheid Gods gezien, noch Zijn stem gehoord, zoals Israël Deuteronomium 4:32, 33. Nooit was aan enig volk zo voortreffelijke wet gegeven, zo verklaard en zo krachtig gehandhaafd als aan Israël. Toen daverde de aarde, en de omliggende landen hebben waarschijnlijk de schok gevoeld. Er waren schrikkelijke donderslagen, ongetwijfeld vergezeld van onweersbuien, waarbij de hemel scheen te druipen, terwijl de Goddelijke leer "droop als de dauw," Deuteronomium 32:2. Zelfs de Sinaï, deze grote berg, deze lange bergketen was bewogen "voor de Heere, de God van Israël." Zie Richteren 5:4, 5, Deuteronomium 33, 2, Habakuk 3:3. Gelijk deze schrikkelijke openbaring van Gods majesteit hun vrees en ontzag voor Hem inboezemde, zo heeft zij ook hun geloof en hun vertrouwen op Hem aangemoedigd. Welke bergen van moeilijkheden hun ook in de weg lagen voor hun gelukkige vestiging, Hij, die zelfs de Sinaï kon bewegen, kon die moeilijkheden uit de weg ruimen, hen er overheen brengen.
III. Dat Hij beide in de woestijn en in Kanaän overvloedig voor hen voorzien heeft, vers 10,11. Gij hebt zeer milden regen doen druipen en hebt van Uw goedheid bereid voor de arme, vers 11. Dit kan zien op:
1. De proviandering van hun leger met manna in de woestijn, dat op hen regende, zoals ook de kwakkelen, Psalm 78:24, 27, en dit kon terecht een regen van de mildheden geroemd worden want het was een merkwaardig voorbeeld van de Goddelijke goedheid. Dit sterkte het leger van Israël (hier Gods erfenis genoemd omdat Hij hen had verkoren om Zijn bijzondere schat te wezen), toen ze mat, of vermoeid, was geworden, op het punt was van om te komen, dit sterkte hun geloof en was een bewijs van Gods goedheid en macht. Zelfs in de woestijn vond God een gerieflijke woning voor Israël, dat Zijn gemeente, Zijn vergadering was. Uw schare zette zich daarin neder vers 11. Of,
2. Op de voorziening voor hen gemaakt in Kanaän, het land vloeiende van melk en honing:, dat gezegd wordt water te drinken bij de regen van de hemel. Als dit vruchtbare land soms dreigde in dorheid verkeerd te worden, vanwege de ongerechtigheid dergenen, die er in woonden heeft God bij het oordeel toch ook gedacht aan Zijn genade en hun een overvloedige regen gezonden, die het wederom verkwikte en verfriste, zodat de vergadering Israëls daarin woonde, en er genoeg voorraad was om zelfs hun armen met brood te verzadigen. Dit ziet verder op de geestelijke voorziening gemaakt voor Gods Israël, de Geest van de genade en het Evangelie van de genade zijn de overvloedige regen door welke God Zijn erfenis sterkt, uit welke hun vrucht gevonden is. Christus zelf is de regen, Psalm 72:6." Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen."
IV. Dat Hij hun dikwijls de overwinning gaf over hun vijanden, heirscharen en koningen van de heirscharen trokken tegen hen op van hun eerste komst in Kanaän af, en aldoor in de tijd van de richteren, tot aan Davids dagen, maar vroeg of laat hebben zij toch tegen hen overmocht, vers 12, 13, 15.
Merk hier op:
1. Dat God hun opperbevelhebber was. De Heere gaf het woord, vers 12, als generaal van hun leger, Hij verwekte richteren voor hen gaf hun hun opdracht en instructies, en verzekerde hun voorspoed. God heeft gesproken in Zijn heiligheid, en toen was Gilead mijn.
2. Dat zij profeten hadden, als boden Gods, om hun Zijn wil bekend te maken. God gaf hun Zijn woord het woord des Heeren geschiedde tot hen en toen was het getal van de predikers ervan profeten en profetessen, groot, van de boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschare, want het woord is vrouwelijk. Als God boodschappen te zenden heeft, zal het Hem aan geen boodschappers ontbreken. Het kan ook zien op de vrouwen, die zich voegden bij de triomf als de overwinning behaald was, zoals zij dit plachten te doen, Exodus 15:20, 1 Samuël 18:7. S waarbij zij nota namen van het woord Gods, daarin evenzeer triomferende als in Zijn werken.
3. Dat hun vijanden verslagen en in verwarring werden gebracht. Koningen van de heirscharen vloden, vloden in allerijl en in de grootste ontsteltenis, zij streden niet maar vloden, trokken zich terug zonder slag te leveren, vloden zonder ooit weer terug te keren
4. Dat zij verrijkt werden met de buit van het slagveld. Zij, die thuis bleef, deelde de roof uit. Niet alleen de mannen, de krijgslieden die bij het gereedschap gebleven zijn, die volgens een inzetting en recht aangaande de verdeling in de buit moesten delen, 1 Samuël 30:24, maar zelfs de vrouwen, die thuis bleven, ontvingen er haar deel van, hetgeen aanduidt hoe groot de buit was, die zij hadden te verdelen.
5. Dat deze grote dingen, die God voor hen gedaan had, aan hen geheiligd waren, bijgedragen hebben tot hun verbetering, vers 15. Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide hen verstrooide voor haar, de kerk, werd zij sneeuwwit als op Zalmon, gezuiverd en gelouterd door de goedertierenheden Gods. Als het leger uittoog tegen de vijand, onthielden zij zich van iedere boze zaak, en zo keerde het leger als overwinnaar terug, en door de overwinning werd Israël bevestigd in zij n reinheid en Godsvrucht. Dit bericht van Israëls overwinningen is van toepassing op de overwinningen, behaald door de verhoogden Verlosser voor de Zijnen over dood en hel. Door de opstanding van Christus zijn onze geestelijke vijanden op de vlucht gedreven, hun macht was verbroken, en hun werd voor altijd de macht ontnomen om iemand van Gods volk te schaden. Van deze overwinning werd het eerst kennis gegeven door de vrouwen de verkondigsters, aan de discipelen, Mattheus 28:7, en door hen werd zij verkondigd aan geheel de wereld, terwijl de gelovigen, die thuis bleven, die niets er toe hadden bijgedragen, er het voordeel van genieten en de roof delen.
V. Dat zij van een geringe, geminachte staat bevorderd zijn tot pracht en voorspoed. Toen zij slaven waren in Egypte, en toen zij later, nu eens door deze dan weer door een andere machtige nabuur verdrukt werden, lagen zij, als het ware, tussen twee rijen van stenen, onder puin en afval, of zij waren als gebroken, verachte vaten, vaten, waar men geen lust toe heeft, zij waren zwart, en vuil, en ontkleurd. Maar God heeft hen eindelijk van de last op hun schouder ontheven, Psalm 81:7, en in David waren zij goed op weg om een van de voorspoedigste koninkrijken van de wereld te worden, schoon en lieflijk in de ogen van allen, die hen omringden, als vleugels van een duif, overdekt met zilver, vers 14. "En zo," zegt Dr. Hammond, zullen onder Christus' koninkrijk de heidense afgodendienaars, die tot de laagste en verachtelijkste toestand waren gebracht van alle schepselen, hout en steen, aanbiddende en verslaafd aan de langste lusten, uit die verachtelijke toestand opgeheven worden en bevorderd tot de dienst van Christus en de beoefening van Christelijke deugden, de grootste innerlijke schoonheid van de wereld." Het kan ook toegepast worden op de verlossing van de kerk uit haar lijdende toestand, en de vertroostingen van particuliere gelovigen na hun tijden van mismoedigheid.