Psalm 50:7-15
God handelt hier met hen, die al hun godsdienstigheid stelden in het waarnemen van de ceremoniële wet, en dachten dat dit genoegzaam was.
I. Hij wijst op het oorspronkelijke contract tussen Hem en Israël, waarin zij Hem als hun God hadden erkend, en Hij hen erkend had als Zijn volk, en zo waren zij beide overeengekomen; hoor, Mijn volk, en Ik zal spreken, vers 7; Er wordt met recht verwacht dat, wat anderen ook mogen doen, Zijn volk zal horen als Hij spreekt; wie zou naar Hem horen als zij het niet doen? En wij kunnen met blijdschap verwachten dat God tot ons zal spreken, als wij bereid zijn om te horen wat Hij zegt, zelfs als Hij tegen ons getuigt in de bestraffingen en bedreigingen van Zijn woord en Zijn voorzienigheid. Wij moeten ijverig zijn om te horen wat Hij zegt, om zelfs de roede te horen, en wie haar besteld heeft.
II. Hij legt minachting op de wettische offeranden, vers 8 en verder.
1. Dit kan beschouwd worden als een terugzien op het gebruik er van onder de wet. God had een twist met de Joden, maar wat was de grond van die twist? Niet hun veronachtzaming van de ceremoniële inzettingen; neen, zij waren niet in gebreke gebleven die waar te nemen, hun brandoffers waren steeds voor God, zij waren er trots op en hoopten dat hun offeranden hun dispensatie zouden bezorgen voor hun lusten, evenals de overspelige vrouw, Spreuken 7:14 Zij dachten dat hun voortdurende offeranden hun veronachtzamen van de gewichtige zaken van de wet beide zouden verzoenen en verontschuldigen. Ja meer, indien zij deze inzettingen enigermate hadden veronachtzaamd, zou dat toch niet de oorzaak zijn geweest van Gods twist met hen, want het was slechts een kleine overtreding in vergelijking met de onzedelijkheid van hun wandel. Zij dachten dat God hun zeer verplicht was voor de vele offers, die zij op Zijn altaar brachten en dat zij Hem hierdoor zeer tot hun schuldenaar hadden gemaakt, alsof Hij zonder hun bijdragen Zijn talrijk gezin van priesters niet had kunnen onderhouden, maar God toont hun integendeel:
a. Dat Hij hun offers niet nodig had; welke behoefte had Hij aan hun stieren en bokken, die over alle dieren van het woud gebiedt, en over het vee op bergen rijk aan runderen, vers 9, Hij een onbetwistbaar eigendomsrecht erop heeft, en heerschappij er over, ze allen onder Zijn oog heeft en binnen Zijn bereik, en er het gebruik van kan maken, dat Hem behaagt? Zij allen wachten op Hem en zijn tot zijn beschikking, Psalm 104:27-29 Kunnen wij iets toevoegen tot Zijn voorraad, wiens al het gevogelte en het wild is, de wereld zelf en haar volheid? vers 11, 12 Gods oneindige zelfgenoegzaamheid bewijst onze volslagen ongenoegzaamheid om Hem iets te kunnen toevoegen.
b. Dat Hij door hun offeranden niet bevoordeeld kan worden. Hun goedheid van die aard kan bij geen mogelijkheid tot Hem raken; en al zouden zij hierin ook rechtvaardig zijn, welk voordeel leverde dit Hem op? Zou Ik stierenvlees eten? vers 13 Het is even ongerijmd om te denken dat hun offeranden in zichzelf er krachtens enigerlei innerlijke waarde iets konden toevoegen tot het genoegen of de lof van God, als het zijn zou om te menen dat een oneindige Geest onderhouden kan worden met spijs en drank, zoals ons lichaam er door onderhouden wordt. Wel wordt er van de demonen die door de heidenen werden aangebeden, gezegd dat zij "het ver van hun slachtoffers aten, en de wijn van hun drankoffers dronken," Deuteronomium 32:38, zij onthaalden zich op de hulde die zij de waren God ontroofden; maar kan de grote JHWH aldus onthaald worden? Neen gehoorzamen is beter dan slachtoffer, en God en onze naaste lief te hebben is beter dan alle brandoffers, zoveel beter, dat God hun dikwijls door Zijn profeten gezegd heeft dat hun offeranden Hem niet alleen niet aangenaam waren, maar Hem een verfoeisel waren zolang zij in de zonde leefden. In plaats dat Hij er een welbehagen in had, beschouwde Hij ze als een bespotting van Hem, en daarom een belediging, een terging van Hem, zie Spreuken 15:8; Jesaja 1:11 en verder. Jesaja 66:3, Jeremia 6:20; Amos 5:21 Daarom worden zij gewaarschuwd en vermaand om niet te rusten in deze Godsdienstige verrichtingen, maar zich in alle andere opzichten jegens God te gedragen als hun God.
2. Dit kan beschouwd worden als voorwaarts ziende naar de opheffing ervan door het Evangelie van Christus. Zo verstaat Dr. Hammond het. God zal het koninkrijk van de Messias oprichten, Hij zal de oude wijze van de Godsverering door brandoffer en slachtoffer teniet doen; Hij zal die niet meer steeds voor zich hebben, vers 8, Hij zal niet meer van Zijn aanbidders eisen om Hem hun varren en bokken te brengen, om op Zijn altaar verbrand te worden, vers 9 Want Hij heeft dit ook nooit voorgeschreven als iets, waaraan Hij behoefte had of waarin Hij enigerlei behagen had, want, behalve dat alles wat wij hebben reeds het Zijne is, heeft Hij veel meer beesten in het woud en op de bergen, waarvan wij niets weten, noch eigendomsrecht in hebben, dan wij in onze schaapskooien bezitten. Maar Hij heeft ze ingesteld, om de grote offerande af te schaduwen, die Zijn Zoon in de volheid des tijds brengen zal aan het kruis, om verzoening te doen voor de zonde, en al de andere geestelijke offeranden van dankerkentenis waarin God door Christus een welbehagen zei hebben.
III. Hij verwijst naar de beste offeranden van gebed en lofzegging als die, waaraan onder de wet de voorkeur werd gegeven boven alle brandoffers en slachtoffers, en waarop het meest werd aangedrongen, en die nu, onder het Evangelie, in de plaats komen van die vleselijke inzettingen, die opgelegd waren tot aan de tijd van de verbetering. Hij toont ons hier, vers 14,15, wat goed is, en wat de Heere onze God van ons eist, en zal aannemen, wanneer offeranden ter zijde gezet en vervangen zullen zijn.
1. Wij moeten een berouwvolle bekentenis doen van onze zonde, offer Gode belijdenis, aldus lezen het sommigen, en verstaan het van de belijdenis van zonde, ten einde Gode de eer te geven, en voor ons de beschaamdheid des aangezichts te nemen, opdat wij er nooit toe terugkeren. Een "verbroken en verslagen hart is de offerande, die God niet zal verachten," Psalm 51:19 Indien de zonde niet werd nagelaten, werd het zondoffer niet aangenomen.
2. Wij moeten Gode dankzeggen voor Zijn goedertierenheid jegens ons. Offer Gode dank iedere dag, dikwijls op iedere dag (zeven maal daags zal ik U loven), en bij bijzondere gelegenheden, en dit zal de Heere welgevallig zijn, als het voortkomt uit een nederig, dankbaar hart, dat vol is van liefde tot Hem en blijdschap in Hem, "het zal de Heere aangenamer zijn dan een os of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt," Psalm 69:3l, 32.
3. Wij moeten er een gewetenszaak van maken om ons verbond met Hem te houden; betaal de Allerhoogste uw geloften; laat af van uw zonden, doe beter uw plicht, volgens de plechtige beloften, die gij Hem hieromtrent gedaan hebt. Als wij God danken voor een zegen, die wij hebben ontvangen, dan moeten wij niet nalaten Hem de geloften te betalen, die wij gedaan hebben toen wij de zegen hebben gezocht, want anders zal onze dankzegging niet worden aangenomen. Dr. Hammond past dit toe op de grote Evangelie-inzetting van het Avondmaal, waarin wij (Gode dank moeten zeggen voor Zijn grote liefde in het zenden van Zijn Zoon om ons te verlossen en zalig te maken, en Hem onze geloften van liefde en gehoorzaamheid moeten betalen, en aalmoezen moeten geven. In plaats van al de Oud-Testamentische typen van een Christus, die komen moest) hebben wij de gezegende gedachtenis van een Christus, die reeds gekomen is.
4. In de dag van de benauwdheid moeten wij ons in gelovig en vurig gebed tot God wenden vers 15 Roep Mij aan in de dag van de benauwdheid, en niet een anderen god. Onze benauwdheden moeten ons, hoewel wij ze van Gods hand zien komen, tot Hem drijven, niet van Hem wegdrijven. Aldus moeten wij Hem kennen in al onze wegen, steunen op Zijn wijsheid, macht en goedheid, ons geheel aan Hem overgeven, en Hem aldus eer geven. Dit is een goedkoper, gemakkelijker manier om Zijn gunst te zoeken dan door een dankoffer, en toch is zij Hem meer welbehaaglijk.
5. Als Hij ons gebed verhoort en ons uitkomst geeft, gelijk Hij beloofd heeft te doen op zo'n wijze en zo'n tijd als Hij geschikt oordeelt, dan moeten wij Hem eren, niet alleen door een dankbare vermelding van Zijn gunst, maar door te leven tot Zijn lof. Zo moeten wij onze gemeenschap met God onderhouden, Hem ontmoeten met onze gebeden als Hij ons beproeft, en met onze lofzegging als Hij ons uitredding geeft.