Deuteronomium 23:15-25
Er zijn hier orders gegeven voor vijf onderscheidene dingen, die niet met elkaar in betrekking staan.
I. Het land Israëls wordt hier tot toevluchtsoord, of vrijplaats, gesteld voor dienstknechten die door hun meesters verongelijkt en mishandeld werden, en uit naburige landen hier een toevlucht zochten, vers 15, 16. Wij kunnen niet veronderstellen, dat deze wet hen verplichtte, om aan alle beginselloze mannen, die uit hun dienst wegliepen, gastvrijheid te verlenen, Israël behoefde niet (zoals Rome in het begin) op die wijze bevolkt te worden. Maar
1. Zij moeten de sidderende dienstknecht niet aan zijn woedende meester uitleveren voor het, na onderzoek, is gebleken, dat de knecht zijn meester verongelijkt heeft, en terecht aan straf onderhevig was. Het is eervol om de zwakken te beschutten en te beschermen mits zij niet slecht zijn. God vergunt aan Zijn volk de verdrukten voor te staan. De engel gebood aan Hagar tot haar meesteres terug te keren, en Paulus heeft Onesimus aan zijn meester Filemon teruggezonden, omdat geen van beide reden hadden om weg te lopen uit hun dienst, en hun terugkeer stelde hen ook niet aan gevaar bloot. Maar de dienstknecht, die hier verondersteld wordt ontkomen te zijn, dat is: om zijns levens wil te zijn gevlucht naar het volk van Israël, waarvan hij gehoord had dat zij barmhartige lieden waren (zoals Benhadad van de koningen van Israël had gehoord, 1 Koningen 20:31,) ten einde zich te redden van de woede van een tiran. Hem uit te leveren in zo'n geval, is een lam in de bek van een leeuws te werpen.
2. Indien het bleek dat de knecht mishandeld was, dan moesten zij hem niet alleen beschermen, maar hem, zo hij bereid is hun Godsdienst aan te nemen. zoveel mogelijk aanmoedigen om zich onder hen te vestigen. Er wordt zorg gedragen, dat hij vrij zal blijven om zijn woonplaats onder hen te kiezen waar het goed voor hem is, en dat hij de een harde meester niet voor een andere zal verruilen gij zult hem niet verdrukkken. Aldus zal hij spoedig een aangenaam verschil ontwaren tussen het land Israëls en andere landen, en het voor altijd voor het zijne verkiezen. Zij, die tot de waarheid bekeerd worden, moeten met grote tederheid behandeld worden, opdat zij niet in verzoeking zijn terug te keren.
II. Het land Israëls zal geen schuilplaats wezen voor de onreinen, aan geen hoeren geen schandjongen mag toegelaten worden onder hen te wonen, vers 17, 18, geen hoer en geen pooier. Geen huizen van ontucht mogen, hetzij door man of vrouw, gehouden worden. Hier is:
1. Een goede reden aangeduid, waarom zo'n goddeloosheid niet onder hen geduld mag worden: zij waren Israëlieten. Daarop schijnt de nadruk gelegd. Als een dochter Israëls een hoer is, of een zoon Israëls een pooier, dan doen zij de stam, waaruit zij zijn voortgekomen, smaadheid aan, het volk waartoe zij behoren, de God die zij aanbidden. Het is slecht, in wie het ook zij, maar het slechtst in Israëlieten, een heilig volk, 2 Samuël 13:12.
2. Een rechtvaardig merk van ongenoegen op deze goddeloosheid geplaatst, dat van hoerenloon, dat is: het geld dat zij verkrijgt door haar hoererij, en van de prijs van een hond, dat is: van de schandjongen, koppelaar of pooier (aldus versta ik dit, want dezulken worden honden genoemd, Openbaring 22, 15) het geld, dat hij door deze ontuchtige, schandelijke handelingen verkrijgt, geen deel in het huis des Heeren mag gebracht worden (gelijk de prostituees onder de heidenen gewoonlijk deden) voor enigerlei geloffe. Dit geeft te kennen: a. Dat God van zulke slechte lieden in het geheel geen offer wil aannemen, zij hadden niets waarvan zij een offer konden brengen, dan hetgeen zij door hun slechtheid verkregen, en daarom kon hun offer niet anders dan de Heere een gruwel zijn Spreuken 15:8.
b. Dat zij niet moeten denken door geloften te doen en te betalen en offers te brengen aan de Heere, verlof te zullen krijgen om met deze zonde voort te gaan, zoals sommigen, die dat beroep uitoefenden, zich schenen voor te spiegelen, Spreuken 7:14, 15. Ik heb heden mijn geloften betaald, daarom ben ik uitgegaan u tegemoet. Niets kon aangenomen worden of welbehaaglijk zijn in de plaats van boete en berouw.
c. Dat wij God met ons goed niet kunnen eren, tenzij wij er eerlijk aan gekomen zijn en op eerbare wijze. Er moet niet alleen aangemerkt worden wat wij geven maar ook hoe wij er aan gekomen zijn. God haat de roof in het brandoffer, en ook evenzeer onreinheid.
III. De zaak van de woeker is hier geregeld en vastgesteld, vers 19, 20. a. Aan een Israëliet moeten zij niet op woeker lenen. Zij hadden en hielden hun bezittingen onmiddellijk van en onder God, die, omdat Hij hen van alle andere volken had onderscheiden, hun, indien Hem dit had behaagd, had kunnen bevelen alle goederen gemeen te hebben onder zich, maar in plaats hiervan, en ten teken van hun gezamenlijk deel en belang in het goede land, dat Hij hun heeft gegeven, hun slechts voorschreef om, als het nodig was, te lenen zonder interest, hetgeen onder hen, weinig of geen verlies zou opleveren voor hem, die te leen gaf, omdat hun land zó verdeeld was, en hun bezittingen zó klein waren, en er zó weinig handel onder hen werd gedreven, dat zij zelden of nooit grote sommen behoefden te lenen, behalve voor het onderhoud van hun gezin, als de opbrengst van hun land schade had geleden of om een andere, dergelijke reden, en om in zo'n geval voor zo klein een zaak interest te eisen, zou wreed geweest zijn. Als hij, die ontleent, winst er mee behaalt, of hoopt winst er mee te behalen, dan is het recht, dat hij, die ter leen geeft, deelt in de winst, maar aan hem, die ontleent voor zijn noodzakelijk voedsel, moet medelijden betoond worden, aan hem moeten wij als wij het hebben, lenen zonder iets weer te hopen, Lukas 6:35. Aan een vreemdeling mochten zij lenen op woeker dat is: op interest, want hij werd verondersteld van de handel te leven, en dus winst te behalen met hetgeen hij ontleende, en dat hij onder hen kwam in de hoop van winst te kunnen behalen. Hieruit blijkt dat woeker, dat is interest of rente, op zichzelf niet verdrukkend is, want zij mochten de vreemdeling niet verdrukken, maar mochten toch wel interest van hem nemen.
IV. Hier wordt geëist dat wij de geloften, waarmee wij onze ziel verbonden hebben, zullen betalen, en dat behoort tot de wet van de natuur, vers 21-23. a. Er wordt ons vrijheid gelaten om al of niet geloften te doen. Als gij nalaat te beloven (de een of andere bijzondere offerande, boven die welke door de wet geboden waren) zo zal het geen zonde in u zijn. God had reeds Zijn bereidwilligheid te kennen gegeven, om een aldus beloofde vrijwillige offerande aan te nemen, al bestond zij ook slechts in een handvol meelbloem, Leviticus 2:4 en verv, hetgeen een aanmoediging was aan hen, die daartoe geneigd waren. Maar opdat de priesters, die het grootste deel van deze vrijwillige offeranden voor zich ontvingen, het volk niet zouden uitzuigen, door het hun ten plicht te stellen zulke geloften te doen, boven hun vermogen en tegen hun neiging, wordt hun hier uitdrukkelijk gezegd dat het geen zonde in hen zou zijn, als zij zulke geloften niet deden, zoals het zonde in hen zou zijn, indien zij nalieten enigerlei offer te brengen dat God bijzonder geëist had. Want (gelijk bisschop Patrick zeer juist opmerkt) God wilde dat de mensen ongedwongen zijn in Zijn dienst, en dat al hun offeren vrij en blijmoedig zal geschieden. b. Maar als wij een gelofte gedaan hebben, wordt het ons als hoogste plicht gesteld haar te vervullen, en dat wel spoedig. Gij zult niet vertragen die te betalen, opdat zij na de eerste gelegenheid uitgesteld zijnde, de ijver er voor niet zal afnemen, de gelofte vergeten worde, of er iets gebeure. waardoor het u onmogelijk wordt haar te betalen. Wat uit uw lippen gaat als een plechtige en wel overwogen gelofte, moet niet herroepen worden, zult gij houden en doen stipt en ten volle. De regel van het Evangelie gaat nog iets verder 2 Corinthiërs 9:7. Een ieder doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt, al is het ook nog niet uit zijn lippen gegaan. Hier is een goede reden, waarom wij onze geloften moeten betalen, namelijk dat God, indien wij het niet doen, het zeker van ons zal eisen, zeker en streng met ons zal afrekenen, niet alleen voor ons liegen, maar het ondernemen Hem te bespotten, met wie niet gespot kan worden. Zie Prediker 5:4.
V. Er wordt hier vergunning gegeven om, als zij door een korenveld, of door een wijngaard gaan, koren of druiven, die langs de weg groeiden, te plukken en te eten, hetzij uit noodzakelijkheid of voor vermaak, maar zij mogen er niets van medenemen, vers 24, 25. Daarom werden Christus' discipelen er niet om gelaakt, dat zij aren plukten (het was genoegzaam bekend dat de wet dit toeliet) maar omdat zij het op de sabbatdag deden, hetgeen door de inzetting van de ouden verboden was.
1. Deze wet nu gaf hun te kennen, welk een grote overvloed van koren en wijn zij in Kanaän zullen hebben, zodat een weinigje van hun vruchten niet gemist zou worden, zij zullen genoeg hebben voor zichzelf en voor al hun vrienden.
2. Zij voorzag in hulp en ondersteuning voor arme reizigers, om verlichting te bieden voor de vermoeienis van hun reis, en zij leert ons vriendelijk te zijn voor de zodanigen. De Joden zeggen: "Deze wet was voornamelijk bedoeld ten gunste van de arbeiders, die gebruikt werden voor de inzameling van hun koren-en wijnoogst, hun mond moet evenmin gemuilband worden als die van de dorsende ossen."
3. Zij leert ons niet op ons recht van eigendom te staan in kleinigheden, waarvan het gemakkelijk is te zeggen: Wat is dit tussen u en mij? Het is waar, de druiven, die de voorbijganger at, behoorden hem niet, en de eigenaar heeft ze hem niet gegeven, maar zij waren van zo luttel waarde, dat hij reden had te denken, dat hij ze hem niet zou weigeren, als hij daar tegenwoordig was, evenmin als hij zelf een soortgelijke beleefdheid zou weigeren te bewijzen, en daarom was het geen diefstal ze te nemen.
4. Zij gewende hen aan gastvrijheid, en leert ons mededeelzaam te zijn, en niet alles als verloren te beschouwen wat wordt weggegeven Maar:
Eindelijk. Zij verbiedt ons van de vriendelijkheid van onze vrienden misbruik te maken en uit de ons redelijk toegestane inschikkelijkheid aanleiding te nemen om op onredelijke wijze inbreuk te maken op eens anders rechten. Als men ons een vinger geeft, moeten wij niet de gehele hand nemen. Zij mogen van de druiven van hun naaste eten, maar hieruit volgt niet dat zij ze mogen medenemen.