Spreuken 15:8
Goddeloze mensen, wier hart boosaardig en wier leven schadelijk is, worden zo door God gehaat, dat zelfs hun offer Hem een gruwel is. Er worden aan God offers gebracht, zelfs door goddeloze mensen, om hun geweten de mond te stoppen en hun reputatie voor de wereld op te houden, gelijk boosdoeners tot het heiligdom komen, niet omdat het een heilige plaats is, maar omdat het hen beschut tegen de gerechtigheid. Maar hun offers, al zijn die ook nog zo kostbaar, worden niet aangenomen, omdat zij niet in oprechtheid worden aangeboden noch uit een goed beginsel. Zij veinzen bij God, en hun wandel logenstraft hun vroomheid, en om die reden zijn zij Hem een gruwel, dat zij tot een dekmantel worden gebruikt voor de zonde. Hoofdst. 7:14. Zie Jesaja 1:11.
God heeft zo'n liefde voor oprecht Godvruchtige mensen, dat, hoewel zij de onkosten niet doen van een offer te brengen, Hij zelf heeft daarin voorzien, hun gebed zijn welgevallen is. De genade des gebeds is Zijn eigen gave, het werk van Zijn Geest in hen waarin Hij een welbehagen heeft. Hij verhoort niet slechts hun gebeden, maar verlustigt zich er in en in hun goed te doen.