Psalm 104:19-30
Hier wordt ons geleerd om God te loven en groot te maken:
I. Voor de regelmatige omwentelingen en opvolging van dag en nacht, en de heerschappij van zon en maan er over. De heidenen waren zo getroffen door het licht en de invloed van zon en maan, en haar nuttigheid voor de aarde, dat zij ze als godheden aanbaden, en daarom neemt de Schrift alle gelegenheden te baat om te tonen, dat de goden, die zij aanbaden, de schepselen en dienaren zijn van de ware God, vers 19. Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, ter afmeting van de maanden, de regeling van de seizoenen voor het bedrijf van de landman, en van het getij. Nieuwe maan en volle maan, het wassen en afnemen van de maan, het geschiedt alles nauwkeurig naar de ordening Gods, zo is het ook met de zon want zij houdt zich even stipt aan de tijd en de plaats van haar op- en ondergang alsof zij een met rede begaafd wezen was en wist wat zij deed.
Hierin gaat God te rade met het welzijn van de mens.
1. De schaduwen van de avond bevorderen de rust van de nacht, vers 20. Gij beschikt de duisternis en het wordt nacht, die, hoewel hij zwart is, toch bijdraagt tot de schoonheid van de natuur, en als tegenhanger dient voor het licht van de dag. En onder de bescherming van de nacht treedt al het gedierte des wouds uit, om voedsel te zoeken, dat zij overdag niet durven, want God had "al het gedierte van de aarde onder de vrees en verschrikking van de mens gesteld, Genesis 9:2, hetgeen evenzeer bijdraagt tot de veiligheid van de mens als tot zijn eer. Zie hoe na verwant diegenen zijn aan de aard van de wilde dieren, die de schemering waarnemen, Job 24:15, en gemeenschap hebben met de onvruchtbare werken van de duisternis, en vergelijk hiermede het gevaar van onwetendheid en droefgeestigheid, die beide als duisternis zijn voor de ziel. Als het vanwege een van deze twee toestanden nacht is, dan treedt al het gedierte des wouds uit, dan zullen Satans verzoekingen ons aanvallen, en het voordeel over ons hebben. Dan briesen de jonge leeuwen om een roof, en de natuurkundigen zeggen dat hun brullen de vreesachtige dieren verschrikt, zodat zij kracht noch moed hebben om voor hen te vluchten, dat zij anders wel zouden kunnen, en zo worden zij hun dan ten prooi. Zij worden gezegd hun spijs van God te zoeken, omdat zij hun niet door de zorg des mensen wordt bereid, maar onmiddellijk door de voorzienigheid Gods. Het briesen van de jonge leeuwen, evenals het roepen van de jonge raven, is, overgezet zijnde, hun spijs van God te vragen. Geeft God deze verklaring aan de taal van de natuur, zelfs van venijnige dieren en zal Hij dan niet veel meer een gunstige verklaring geven aan de taal van de genade in Zijn eigen volk, al bestaat zij dan ook slechts in onuitsprekelijke zuchtingen?
2. Het morgenlicht begunstigt het werk van de dag, vers 22, 23. De zon gaat op, ( want, Gode zij dank, gelijk zij haar ondergang weet, zo weet zij ook haar opgang) en dan begeven de wilde dieren zich ter rust, zelfs onder hen is nog enige gezelligheid, want zij vergaderen zich tezamen en liggen neer in hun holen, vers 22, hetgeen een grote zegen is voor de mensen, die tussen zonsopgang en zonsondergang uit zijn, zoals het eerzame reizigers betaamt, er zorg voor gedragen is dat zij door geen wilde dieren worden aangevallen, want dan zijn zij weg van het veld, en de luiaard zal geen voorwendsel hebben om zich van het werk van de dag vrij te stellen, door te zeggen: er is een leeuw op de weg. Daarom gaat de mens dan uit tot zijn werk en naar zijn arbeid, de roofdieren kruipen naar buiten met vrees, de mens gaat vrijmoedig, onbeschroomd uit, als heerschappij voerende. De dieren kruipen steelsgewijze naar buiten op roof uitgaande en om kwaad te doen, de mens gaat uit om te arbeiden en om goed te doen. Er is het dagelijkse werk, dat gedaan moet worden op zijn eigen dag, waartoe de mens zich iedere morgen begeeft, want de lichten zijn voor ons ontstoken om er bij te werken, niet om er bij te spelen, en wij moeten eraan blijven tot aan de avond, het zal tijd genoeg zijn om te rusten als de nacht komt, waarin niemand werken kan.
II. Voor het vullen van de oceaan, vers 25, 26. Gelijk de aarde vol is van Gods schatten, wel voorzien van dieren, die goed verzorgd zijn, zodat slechts zelden een schepsel sterft van honger, zo is het ook met de zee, die groot en wijd van ruimte is, die een nutteloos deel schijnt te zijn van de aardbol, of tenminste niet beantwoordt aan de ruimte, die zij inneemt, maar God heeft haar haar plaats aangewezen en haar dienstbaar gemaakt aan de mens, beide voor de scheepvaart, (daar wandelen de schepen, waarin goederen naar ver verwijderde landen gebracht worden, snel, en veel goedkoper dan wanneer zij over land vervoerd worden, en ook om zijn voorraadschuur te zijn voor vis. God heeft de zee niet tevergeefs geschapen, evenmin als de aarde, Hij maakte haar om in bezit genomen te worden, want daarin is het wremelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote, die tot uitgezochte spijs dienen voor de mens. In de geschiedenis van de schepping wordt inzonderheid de walvis genoemd, Genesis 1:21, die hier, evenals in Job 40:20, leviathan genoemd wordt. Hij is gemaakt om in de zee te spelen, hij heeft niets te doen, zoals de mens, die uitgaat tot zijn werk, hij heeft niets te vrezen, zoals de dieren des velds, die nederliggen in hun holen, en daarom speelt hij met de wateren. Het is jammer dat sommigen van de kinderen van de mensen, die edeler vermogens hebben en tot edeler doeleinden geschapen zijn, leven alsof zij in de wereld gezonden waren, zoals de leviathan in de wateren, om er te spelen, al hun tijd doorbrengende in tijdverdrijf. De leviathan wordt gezegd in de wateren te spelen, omdat hij zo goed gewapend is tegen alle aanvallen, dat hij ze trotseert, en "de drilling van de lans belacht", Job 41:20.
III. Voor de tijdige en overvloedige voorziening, die voor alle schepselen gemaakt is, vers 27, 28.
1. God is een milddadige weldoener voor hen, Hij geeft hun hun spijs, Hij doet Zijn hand open, zij worden met goed verzadigd. Hij onderhoudt het heir beide van de hemel en van de aarde, zelfs de geringste schepselen zijn niet beneden Zijn aandacht. Hij is mild in de gaven van Zijn goedheid, en is een groot en goed huishouder, die zo groot een gezin van het nodige voorziet.
2. Zij allen wachten op Hem, naar het natuurlijk instinct, dat God in hen gelegd heeft, zoeken ze hun voedsel, en op de geschikte tijd er voor, en willen geen ander voedsel en op geen andere tijd, dan de natuur het hun verordineert. Zij doen het hunne om het te verkrijgen, wat God hun geeft vergaderen zij en verwachten niet dat de voorzienigheid het hun in de mond zal leggen, en met hetgeen zij vergaderen zijn zij tevreden, zij worden met goed verzadigd, zij begeren niet meer dan hetgeen God geschikt voor hen vindt, hetgeen ons murmureren en onze ontevredenheid kan beschamen.
IV. Voor de volstrekte macht en soevereine heerschappij, die Hij heeft over alle schepselen waardoor de soort van ieder in wezen blijft, ofschoon de individuen van iedere soort dagelijks sterven. Zie hier:
1. Al de schepselen omkomende, vers 29. Gij verbergt Uw aangezicht, houdt Uw onderhoudende kracht terug, Uw in alles voorziende milddadigheid, en terstond worden zij verschrikt. leder schepsel is even afhankelijk van Gods gunst, als ieder heilige weet er afhankelijk van te zijn, en daarom met David zegt: "Toen Gij Uw aangezicht verbergdet, werd ik verschrikt," Psalm 30:8. Gods misnoegen tegen deze lagere wereld om de zonde des mensen is de oorzaak van al de ijdelheid en al de last waaronder de gehele schepping zucht. Gif neemt hun adem weg, hun adem, die in Uwe hand is, en dan, maar niet eerder, sterven zij, en keren weer tot hun stof, tot hun eerste beginselen. De geest van het dier, die afwaarts gaat, staat onder Gods bevel, zowel als de geest des mensen, die opwaarts gaat. Het sterven van vee was een van de plagen van Egypte en er wordt bijzonder nota van genomen bij de ondergang van de wereld door de zondvloed.
2. Allen desniettemin behouden in een opvolging, vers 30. Gij zendt Uwen Geest uit zij worden geschapen. Dezelfde Geest, dezelfde Goddelijke wil en kracht, waardoor zij allen in den beginne werden geschapen, houdt nog de onderscheidene soorten van schepselen in wezen, op hun plaats en voor hun gebruik, hun nuttigheid zodat, hoewel het ene geslacht er van gaat, een ander komt, en van tijd tot tijd worden zij allen geschapen, nieuwe staan op in de plaats van de oude, en dit is een voortdurende schepping. Aldus wordt van dag tot dag het gelaat des aardrijks vernieuwd door het licht van de zon, die het iedere morgen opnieuw versiert, van jaar tot jaar door de voortbrengselen ervan, die het in elke lente verrijken, en er een geheel ander aanzien aan geven dan het in de winter had. De wereld is zo vol van schepselen, alsof geen ervan stierf, want de plaats van die gestorven zijn is weer ingenomen. Dit moet (zeggen de Joden) toegepast worden op de opstanding, waarvan iedere lente een zinnebeeld is, als een nieuwe verrijst uit de as van de oude.
In het midden van zijn rede roept de psalmist in vervoering van bewondering van de werken Gods uit: Hoe menigvuldig zijn Uwe werken, o Heere! vers 24. Zij zijn talrijk, zij zijn verschillend, van velerlei soort en van iedere soort, en toch hebt Gij ze alle met wijsheid gemaakt. Als mensen vele werken ondernemen en van verschillende soort, dan zullen gewoonlijk sommigen ervan veronachtzaamd zijn, niet gedaan zijn met dezelfde zorg, maar Gods werken, hoewel zij vele zijn, en van zeer verschillende soorten, zijn alle met wijsheid gemaakt, en met de grootste nauwkeurigheid, er is niet het minste gebrek aan. Hoe nauwkeuriger men werken van kunst door een microscoop beziet, hoe grover zij schijnen, de werken van de natuur, door deze zelfde glazen beschouwd, schijnen fijner en nauwkeuriger. Zij zijn allen met wijsheid gemaakt, want zij zijn allen gemaakt om te beantwoorden aan het doel waarvoor zij ten goede van het heelal bestemd werden, tot heerlijkheid van de monarch van het heelal.