Prediker 5:3-7
In deze verzen worden wij vermaand tot vier dingen:
I. Om nauwgezet te zijn in het betalen van onze geloften. Een gelofte is een verbintenis van de ziel, Numeri 30:2, waarmee wij ons plechtig de verplichting opleggen, niet alleen in het algemeen, om datgene te doen, waartoe wij reeds gehouden en verplicht zijn, maar om in een bijzonder geval, een bijzondere zaak, te doen hetgeen, waartoe wij vroeger niet verplicht waren, hetzij met betrekking tot het eren van God, of om de belangen te dienen van Zijn koninkrijk onder de mensen. Als gij onder het gevoel van de één of andere beproeving, Psalm 66:15, of bij de begeerte naar een zegen, 1 Samuël 1:11, zo'n gelofte aan God gedaan hebt, zo weet dat gij uw mond voor de Heer hebt opengedaan, en dat gij niet terug kunt gaan. En daarom:
1. Betaal haar, volbreng wat gij hebt beloofd, breng tot God wat gij Hem toegewijd hebt, betaal uw gelofte, betaal haar ten volle, en houd niets terug van de prijs, betaal haar in soort, verander er niets aan, zo eiste het de wet, Leviticus 27:10. Hebben wij de gelofte gedaan om onszelf aan de Heer te geven? Laat ons dan ons woord gestand doen, arbeiden in Zijn dienst, tot Zijn eer, en ons niet heiligschennend vervreemden.
2. Stel niet uit dezelve te betalen als het in uw macht is dezelve nog heden te betalen, wacht er dan niet mee tot morgen, vraag om geen dag ten einde het uit te stellen tot een meer gelegen tijd: Door uitstel zal het besef van de verplichting vernauwen, en het is in gevaar van geheel uit te slijten, hierin ontdekken wij een weerzin en achterlijkheid om onze geloften te betalen, en die er heden niet toe geneigd is zal er morgen een tegenzin aan hebben. Hoe langer het uitgesteld wordt, hoe moeilijker het zijn zal om ons er toe te brengen. De dood kan niet slechts de betaling voorkomen, maar u naar het gericht brengen onder de schuld van een verbroken gelofte.
Er worden hier twee redenen gegeven, waarom wij spoedig en blijmoedig onze geloften moeten betalen.
a. Omdat wij anders God beledigen. Wij spotten met Hem, stellen ons aan alsof wij zochten Hem te misleiden, en God heeft geen last van de zotten er ligt hier meer in opgesloten dan uitgedrukt is de bedoeling is, Hij verafschuwt zulke zotten en zulke zotte handelingen. Heeft Hij aan zotten gebrek? Neen. Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten, maar zal gewis zeer streng afrekenen met hen die onstandvastig met Hem zijn.
b. Omdat wij anders onrecht doen aan onszelf, wij verliezen het voordeel van het doen van de gelofte, ja wij belopen de straf voor het verbreken ervan, zodat het veel beter zou geweest zijn niet te hebben betoogt, het zou veiliger en meer in ons voordeel zijn geweest, dan te beloven en niet te betalen. Niet te hebben beloofd zou slechts een verzuim, een nalaten zijn geweest maar te beloven en niet te betalen stelt bloot aan de schuld van verraad en meineed, het is Gode te liegen, Handelingen 5:4.
II. Om voorzichtig te zijn in het doen van geloften, dit is nodig opdat wij nauwgezet kunnen zijn in het betalen ervan, vers 6. 1. Wij moeten ons wachten om ooit iets te beloven, dat zondig is, of een aanleiding kan zijn tot zonde, want zo'n gelofte is slecht en moet verbroken worden. Laat uw mond niet toe dat hij door zo'n gelofte uw vlees zou doen zondigen, zoals Herodes' roekeloze belofte hem het hoofd van Johannes de Doper heeft doen afslaan.
2. Wij moeten niet beloven wat wij vanwege de zwakheid van ons vlees reden hebben te vrezen, dat wij het niet kunnen betalen, zoals degenen die de gelofte doen van ongehuwd te zullen blijven, en toch niet weten hoe zij hun belofte kunnen houden. Hierdoor:
a. Maken zij zichzelf te schande, want zij zijn genoodzaakt om voor het aangezicht van de engel te zeggen, dat het een dwaling was, dat zij het of niet gemeend hebben, of niet overwogen hebben wat zij zeiden, en hoe men het nu ook opvat, het is altijd nog erg genoeg. "Als gij een gelofte gedaan hebt, zoek haar dan niet te ontwijken, noch verontschuldigingen te vinden om er aan te ontkomen, zeg niet voor het aangezicht van de priester, die de engel genoemd wordt, of de bode van de Heer der heerscharen, dat gij bij nader bedenken van gevoelen veranderd zijt, en vrijgesteld wenst te worden van de verplichting om uw gelofte na te komen, maar blijft er bij en zoek geen gat, waar gij doorheen kunt kruipen, om er vanaf te komen." Sommigen verstaan door de engel de beschermengel, die, naar zij veronderstellen, iedere mens vergezelt en waarneemt wat hij doet. Anderen verstaan het van Christus, de engel van het verbond, die tegenwoordig is onder Zijn volk in hun vergaderingen, die het hart doorgrondt, en niet misleid of bedrogen kan worden, verbitter hem niet, want Gods naam is in het binnenste van hem, Exodus 23:20, 21.
b. Stellen zij zich bloot aan de toorn Gods, want Hij toornt om de stem van hen, die Hem aldus liegen met hun mond en vleien met hun tong, en Hij is misnoegd over hun veinzen, en verderft het werk van hun handen, dat hun ondernemingen mislukken, en verijdelt hun plannen, voor welker welslagen zij, toen zij deze geloften deden, Gods aangezicht hebben gezocht. Als wij trouweloos de woorden van onze mond teniet doen en onze geloften herroepen, dan zal God rechtvaardig onze plannen teniet doen, en in tegenheid met ons wandelen, die aldus in tegenheid wandelen met Hem. Het is een strik van de mensen, om na gedane geloften onderzoek te doen.
III. Om de vreze Gods te onderhouden, vers 6. In oude tijden hebben velen voorgewend de wil van God te kennen door dromen en zij waren daar zo vol van, dat zij Gods volk bijna Zijn naam hebben doen vergeten door hun dromen, Jeremia 23:25 en thans zijn er velen, die zich verbijsteren met hun schrikkelijke of vreemde dromen, of met de dromen van anderen, alsof zij een voorbode waren van deze of die ramp. Zij, die op dromen acht geven, zullen er een menigte van hebben, om er hun hoofd mee te vullen, maar in die allen zijn ijdelheden, zoals er ijdelheden zijn in vele woorden, en te meer als wij er acht op slaan. "Zij zijn slechts als het ijdel gesnap van kinderen en zotten, geef er dus geen acht op, vergeet ze in plaats van ze over te vertellen, hecht er geen gewicht aan leid er geen onrustbarende gevolgtrekkingen uit af maar vrees God, heb het oog op Zijn vrijmachtige heerschappij, stel u Hem voor, bewaar u in Zijn liefde, en vrees Hem te beledigen, en danzult gij u door geen dwaze dromen laten ontroeren. Het middel om niet ontzet en verbaasd te zijn over de tekenen des hemels, of te vrezen voor de afgoden van de heidenen is God te vrezen als Koning van de heidenen, Jeremia 10:2, 5, 7.
IV. Daarmee de vrees voor de mens ten onder te houden, vers 7. "Stel u God voor, en als gij dan de onderdrukking van de armen ziet, dan zult gij u er niet over verwonderen, noch iets te berispen vinden in de Goddelijke voorzienigheid, noch er te erger om denken van de instelling van een overheid, als gij ziet dat zij de mensen niet beveiligt tegen onrecht.
Merk hier op:
1. Een treurig gezicht op aarde, en dat ieder godvruchtig mens, die enig besef heeft van recht en gerechtigheid en belang stelt in het mensdom wel moet ontroeren, de verdrukking te zien van de armen omdat zij arm zijn, en zich zelf niet recht kunnen verschaffen en de beroving van het gericht en van de gerechtigheid in een landschap, verdrukking onder schijn van wet en gesteund door macht. Het koninkrijk kan in het algemeen een goede regering hebben, terwijl toch in een bijzondere provincie de regering of het bestuur in handen is van een slecht man, door wiens wanbestuur het verkeerd wordt, zo moeilijk is het zelfs voor de wijste koning om bij benoemingen en bevorderingen zeker te zijn van zijn mannen, hij kan slechts het onrecht herstellen als het aan het licht is gekomen.
2. Een troostrijk gezicht in de hemel. Als de zaken een zo treurig aanzien hebben, dan kunnen wij hiermede tevreden zijn:
A. Dat, hoewel de verdrukkers hoog zijn, God boven hen is, en juist in de zaak, waarin zij trots handelen, Exodus 18:11, God hoger is dan de hoogste schepselen, dan de hoogste vorsten, dan de koning, die boven Agag is, Numeri 24:7, dan de hoogste engelen, de tronen en heerschappijen van de bovenwereld. God is de Allerhoogste over de aarde, en Zijn heerlijkheid is boven de hemelen, voor Hem zijn vorsten wormen, de hoogsten slechts glimwormpjes.
B. Dat, hoewel de verdrukkers gerust zijn God toch het oog op hen heeft, kennis neemt van en met hen afrekenen zal voor hun beroving van het gericht en van de gerechtigheid, Hij ziet het niet slechts, maar let er op en houdt er rekening van, Zijn ogen zijn op hen en hun wegen, Job 24:23.
C. Dat er een wereld van engelen is, want er zijn hoge engelen boven hen, die door de Goddelijke gerechtigheid gebruikt worden voor de bescherming van de benadeelden. Sanherib dacht zich hoog te zijn met zijn machtig leger, maar een enkele engel bleek hem en geheel zijn krijgsmacht te sterk te zijn. Sommigen verstaan door hen, die boven hen zijn, de grote raad van het volk, de presidenten, aan wie de stadhouders van de provincies rekenschap moesten geven, Daniël 6:2, de senaat, bij wie de klachten inkwamen tegen de proconsuls, de hogere gerechtshoven, bij welke men in beroep kwam tegen de lagere gerechtshoven, en die nodig zijn voor het goede bestuur van een rijk. Laat deze gedachte de verdrukkers in bedwang houden, dat zij door hun meerderen op aarde ter verantwoording kunnen geroepen worden, maar dat in elk geval God, de opperste in de hemel, het voorzeker doen zal.