10. Zo, zeg Ik u, is er blijdschap voor de engelen van God, voor het aangezicht van de engelen, zodat zij daarin deelnemen en zich mee verheugen (
Psalm 16:11) over een zondaar, die zich bekeert.
De Heere leidt de tweede gelijkenis in met een "of. " Daaruit blijkt dat het in hoofdzaak dezelfde waarheid is, die Hij in deze evenals in de eerste gelijkenis voorstelt. Natuurlijk stelt deze nieuwe kanten voor en plaatst zij andere bedoelingen op de voorgrond, die nog geen uitdrukking vonden. Voor de in hoofdzaak gelijke bedoelingen van de tweede gelijkenis met de eerste spreekt verder de in hoofdzaak zo gelijkmatige vorm van de beide parabelen, met dit verschil a) dat bij de hele som van de drachmen niet weer het met zichzelf gemultipliceerde, maar het enkelvoudige volle getal Ge (31:7 en Psalm 150:5) wordt genoemd, zoals dat met de aard van de zaak overeenkomt; want terwijl bij de schapen het tiental nog niet het begrip van een kudde zou hebben gegeven, zou bij de penningen het honderdtal de indruk van overvloed hebben gemaakt; en dat b) in de toepassing bij het "over één zondaar, die zich bekeert" het "over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben" wegvalt; want hier zijn deze negenennegentig rechtvaardigen dadelijk vooraf al genoemd met de woorden "voor de engelen van God". Zij zijn het, die zich verheugen en dus zou het niet gepast zijn om hun vreugde met die over zichzelf in vergelijking te brengen; omdat eensdeels een vreugde over zichzelf hen niet gevoegelijk kan worden toegekend, aan de andere kant ook een vreugde over de ene boetvaardige zondaar, die groter is, dan die over zichzelf, in zeker opzicht een dwaze gedachte zou zijn. Terwijl echter aldus de engelen van God in Vers 10 het parallelle lid vormen tot de negenennegentig rechtvaardigen in Vers 7 en de verklaring daarvan geven, wordt ook te kennen gegeven, dat de engelen tot de vreugde van God over één zondaar, die zich bekeert, wanneer zij, die de bekering niet nodig, daarbij schijnen vergeten te worden, zo weinig euvel opnemen dat zij integendeel in zo'n vreugde zonder benijding en zonder leed van harte delen. Daarom moet dan nu ook onder de "vrouw" dezelfde bedoeld zijn, die vroeger onder het "een mens" moest worden verstaan, zoals dat al de oudere kerkleraars juist hebben erkend. Wij hebben daarom hetzelfde geval, dat wij al in Mattheus 13:31-33 in de beide gelijkenissen van het mosterdzaad en het zuurdeeg voor ons hadden, waar op gelijke wijze omtrent het mosterdzaad wordt gezegd, dat een mens, bij het zuurdeeg dat een vrouw het nam. Over deze voorstelling van de Zoon van God onder het beeld van een vrouw, hoeven wij ons niet te verwonderen. Daarin ligt al de grondslag; dat Hij, die in Joh 1:1, de logos, het Woord wordt genoemd, in het Oude Testament als de Wijsheid (Lukas 11:49) voorkomt 8:3) het woord "wijsheid" is van het vrouwelijk geslacht. Wanneer nu in Spreuken 9:1 van de wijsheid wordt gezegd: "De Opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft haar zeven pilaren gehouwen; " zo leidt dat over tot een staat van God, een heilige theocratie, wier stichting, onderhouding en voltooiing het werk is van de Zoon van God, met hulp van de gaven, krachten en werkzaamheden van de Heilige Geest en waarin alle dingen onder één hoofd worden gesteld, beide dat in de hemel en op de aarde is (Efeziers . 1:10). Bij de eerste gelijkenis komt dus meer het werk van de Zoon in aanmerking, volgens hetgeen hij voor Zijn persoon deed, omdat Hij van de hemel neerdaalde, mens werd en na volvoering van het Goddelijk raadsbesluit ter zaligheid weer ten hemel voer. In deze tweede gelijkenis treedt meer Zijn werkzaamheid in de kerk op de voorgrond, die Hij door de zending van de Heilige Geest doet en waarin Hij een ambt van Zijn dienaren heeft (1 Corinthiërs 4:1), dus die werkzaamheid, waardoor Hij dat wat Hij tot zaligheid van de mensheid heeft teweeg gebracht, ook de zielen in het bijzonder toeëigent om het doel van de laatste volkomen herstelling van het Koninkrijk der Hemelen te bereiken. Aan dat einde zal het begrip van een in de wereld gebouwd en van haar afgezonderd huis van God, zoals dat vanaf het begin van de wereld heeft bestaan (Genesis 6:2. Numeri 12:7) en voortbestaat, totdat het gericht, zowel de daartoe bewaarde boze engelen, als de onrechtvaardigen onder de mensenkinderen uit de wereld afzondert en hen in de vurige poel, die de tweede dood is, overlevert, worden tot het begrip van een huis van God, dat de hele wereld omdat, zoals het recht van de schepping dat alle de hand geeft (Openbaring 11:15; 19:6). Zeer opmerkelijk is in onze tekst de uitdrukking "penning"; het is verkeerd als men de gesteldheid van het metaal daarbij in aanmerking heeft willen brengen en nu het verschil tussen de tweede gelijkenis en de eerste daarin heeft willen vinden dat daar onder het verloren schaap de uit dwaasheid dwalende, maar hier onder de verloren penning de geheel onbewuste zondaar zou moeten worden verstaan, om vervolgens in de volgende gelijkenis, van de verloren zoon, een bewust vrijwillige zondaar te zien. Integendeel komt de penning van de kant van haar beeld en opschrift in aanmerking en kan al het woord van Christus in tot het inzicht leiden dat bij de tien penningen gehandeld wordt over alle schepselen naar Gods beeld gemaakt, over engelen en mensen; bij de ene verloren penning over het van Gods beeld beroofde, door de zonde misvormde en in de dienst van het vergankelijke, besmette en bemorste menselijk geslacht. Nadat wij zo het juiste begrip in het algemeen hebben verkregen, willen wij nu nog enige uitspraken van andere uitleggers vernemen.
Wat is de penning? Het is de gevallen mensheid, die zonder het verlossingswerk van Jezus Christus voor God en Zijn rijk verloren is; het zijn de gevallen zielen in en builen de Christenheid, die van de bron van het leven verdwaald zijn in woestenijen van goddeloosheid en zonde. Dat is de verloren penning; hij zelf weet niet, dat hij verloren is, voelt ook niet wat hij verloren heeft, maar ligt even koud en dood op de aarde, onverschillig of iemand hem zal opmerken en opheffen. Geen verloren zoon weet hoe diep hij gevallen is, niemand voelt wat hij heeft verloren tot dat iemand hem opheft en naar het huis van de Vader terug brengt. Maar wie van de verloren penning kennis had, zou nog steeds de penning daarin zien en nog altijd iets van zijn stempel ontdekken, hoe bestoft en verroest die ook mocht zijn. Wat een jammer als hij onopgemerkt bleef liggen; wat een jammer als iemand zich niet tot deze neerboog om hem op te heffen en hij verloren moest gaan in het stof en in de onreinheid, die hem omgeeft.
De verloren zondaar, onder deze penning voorgesteld, is iemand die, als de wijn op de droesem, op zijn zonden liggen blijft, stil en verzekerd, zonder enig gerucht van zich te laten uitgaan. Van de tien mensen is één zo'n mens. Zulke mensen zijn de onverschillige naturen, die geen goed noch kwaad van zich laten horen, die voor zichzelf heen leven, zich met geen anderen in geestelijk opzicht bemoeien en ook niet toelaten dat anderen zich in godsdienstige dingen met hen bemoeien. Zij leiden geestelijk een plantenleven. De penning ligt in een hoek in het stof; ook zij liggen geheel verloren in het stof van de dagelijkse bezigheden en onder hen zijn vele geleerden, die in het stof van hun boeken begraven liggen, die dag en nacht studeren en anderen leren, maar zelf nooit tot de kennis van de waarheid komen: dat zij verloren zijn en weer gevonden moeten worden. En hoe gebeurt nu het terugvinden van zo'n verloren penning? Met de kaars, met het licht van de Goddelijke wijsheid en wetenschap, het licht van Gods woord en met de bezem van de bezoeking, om het winkel-, kantoor-, school- of boekenstof weg te ragen, opdat hij met dat stof te voorschijn komt en opgenomen wordt door de hand van God en bij de overige penningen in veiligheid geborgen wordt. Als er graden van verlorenheid zijn en die zijn er zeker in deze bedeling, die nog onderscheid toestaat tussen meer en minder kwaad, dan zouden wij zeggen: de penning is nog meer verloren dan het schaap en het vinden is ook moeilijker. Die penning is in een hoek gerold en ligt daar ongezien en verborgen onder het stof; hij heeft geen spoor achtergelaten waaruit men zou kunnen nagaan, waar hij kan gevallen zijn; ook bezit hij geen kennelijk teken, waardoor men hem zou kunnen onderscheiden en vinden. Het schaap geeft nog nu en dan geluid van zich en men kan van de hoogte zien, of het ook in de laagte loopt; ook laat het voetstappen en sporen na op de weg. Bij ontstentenis van al deze middelen tot hervinding is de huismoeder genoodzaakt een kaars te ontsteken en met de bezem alle hoeken te onderzoeken, ten einde de penning te vinden. De zondaar is in de ogen van God niet alleen als het schaap een lijdend wezen, waarmee Hij medelijden heeft, het is een kostbaar wezen, dat Hij naar Zijn beeld heeft geschapen, waarvoor hij in de volvoering van Zijn voornemen een plaats heeft bepaald. Terwijl de mens zich in het verderf stort ontstaat een lege plaats in de schatkamer van God, of in Zijn huishouding. Met wat een tot in het kleine zich uitstrekkende zorgvuldigheid zijn de bewegingen van de vrouw beschreven! Wat een lieflijk beeld van huiselijk leven wordt door haar volhardend zoeken voorgesteld! Zij steekt een lamp aan; want in het Oosten verkrijgt de kamer het licht alleen door de deur: zij verplaatst ieder stuk huisraad en veegt de meest bestofte hoeken uit - dat is het beeld van God, zoals Hij in de persoon van Jezus tot de gemeenschap met de ergste zondaars neerdaalt en hen met het licht van de goddelijke waarheid tot in de benedenste hoek van de theocratie navolgt. Het beeld van het schaap heeft meer betrekking op de tollenaar, dat van de penning is meer toepasselijk op de tweede van in Vers 1 genoemde klasse, op de zondaars, of de in verkeerdheid weggezonken mensen. Bij de voorstelling van de vreugde van de vrouw staat in plaats van het activum in Vers 6 : "Hij roept tezamen" in de grondtekst het medium: "hij roept tot zich" - hier heeft niet het verlorene het genot van het slagen van het zoeken, zoals in de vorige gelijkenis, maar de vrouw zelf, die gevonden heeft en haar moet men geluk wensen. Zo ook is het omtrent een ander klein onderscheid in de vorm; want in plaats aan de uitdrukking in Vers 6 : "Ik heb mijn schaap teruggevonden, dat verloren was, " waardoor de opmerkzaamheid op het verdwaalde wordt gevestigd, zegt de vrouw hier: "Ik heb de penning gevonden, die ik verloren had", wat de belangstelling op haar vestigt.
De penning kan in de donkere hoeken onder de banken zijn geraakt; er is dus een licht nodig om hem weer te vinden; dat is het licht van het evangelie, dat uitgaat van de helderheid van Christus - waar dit licht niet schijnt, is geen ziel op de weg van het levens te brengen. Maar het licht alleen brengt de penning noch uit de hoek noch uit de onreinheid; de vrouw moet de bezem ter hand nemen en het huis vegen, opdat de penning aan het licht komt. De bezem is de tucht en de straf, die over de zondaar moet komen; het zou weinig baten, wanneer men de zondaar alleen het Evangelie wilde laten prediken. Zoveel hoeken en reten als er in de kamer zijn, zoveel verontschuldigingen en uitvluchten weet de zondaar voor zijn dwaalwegen; het is hem zwaar zich geheel te verootmoedigen, zijn zonde te belijden en zichzelf te beschuldigen en te veroordelen. Daarom moet de Heere de tucht van de bezem gebruiken, waarmee Hij de verloren penning uit de onreinheid ophaalt. Hij oefent dan aan hem in de eerste plaats de uitwendige tucht uit, waarmee Hij de bodem van zijn hart toebereidt, opdat hij voor het woord van straf toegankelijk worden dan komt daarbij de inwendige tucht, dat hem de wet van God wordt voorgehouden, opdat hij daaruit zijn schande en de vloek van de wet leert kennen. Maar gevonden is de zondaar nog niet, wanneer de Heere in en uitwendig met Zijn tucht aan hem arbeidt en het licht des Evangelies voor hem laat schijnen; gevonden is de penning pas wanneer de bezem hem uit de onreinheid heeft opgeheven en de vrouw die in het schijnsel van haar licht ziet blinken, het beeld van God moet dus weer aan de zondaar kunnen worden gezien en de Heere hem in Zijn licht als de Zijne erkennen.
Evenals de herder en de vrouw zich voor en met hun vrienden verheugen, zo verheugt Zich God voor de ogen van de engelen over de bekering van de zondaar. Zoals zich echter de vrienden en buren met de vrouw en de herder verheugden, zo kunnen wij ons ook de engelen denken als delend in deze goddelijke vreugde. Wat de Heere van de vreugde in de hemel over het weergevondene op aarde verklaart, mag wel een van de treffendste openbaringen van de geheimen van de hemel worden genoemd. Voor de Heere is de engelenwereld meer dan een dichterlijke droom, meer dan een esthetische vorm; zij is voor Hem een vereniging van zelfbewuste, verstandige, heilige wezens. Deze zijn bekend met hetgeen in de zedelijke wereld op aarde gebeurt; zij nemen een levendig aandeel in de redding van de zondaars; zij verheugen zich, zo vaak in dit opzicht de arbeid van de liefde lukt. Deze vreugde komt daaruit voort, dat zij weten, hoe ook door de bekering van slechts een zondaar de eer van God wordt verhoogd, het rijk van Christus uitgebreid, de zaligheid van de mensheid vermeerderd, de toekomstige hereniging van hemel en aarde wordt bevorderd. De Heere laat daarbij voor ons geloof de berekening over, hoe haar vreugde sinds de stichting van het rijk van God al op aarde moet zijn toegenomen en welke hoogte zij eens zal bereiken, wanneer alle bekeerde zondaars geheel volmaakt en geheiligd zullen zijn.
Als iemand mij zei, dat de hemel daarboven om mij draaide en omwille van mij zon, maan en sterren schenen, dat voor mij de pracht van de aarde van lente tot aan winter was teweeggebracht, dan zou ik hem voor iemand aanzien, die mij bandeloze hoogmoed toeschreef en besloten was, mijn kwaad tot mijn onheil te voeden; want wat is de mens, dat stofje bij hemel en aarde! En nu hoor ik iets groters, als mijn Heiland mij vindt, verheugt Hij Zich over mij. - Hij verheugt Zich over mij, voor wie aarde en hemel zich buigt en de heilige engelen, die heerlijker zijn dan zonden, kennen mij dan, mijn Heiland en mijn God maakt hun mijn bekering bekend en ik, het stofje, ik zondaar word de oorzaak, dat zich rondom de troon van de Herder en Koning aller werelden een vreugdepsalm verheft; ik, hier beneden niemand tot vreugde kan zijn, ik, zoon van tranen, ik, kind van smarten, ik kan de hemel vreugde geven, wanneer ik mij laat redden, ik weet het hoe satan en zijn legermacht, ik weet hoe de menigte van verlorenen, die besloten hebben zich niet meer te laten vinden, tegenstaan om u te laten trekken, hoe zij met spot hoon, met lief en leed u van die éne proberen af te houden, dat u zich door Jezus laat vinden, u bekeert en Zijn eigendom wordt; maar wat voor acht geeft u op degenen die uw eeuwig onheil willen? Waarom zou u niet veel meer acht geven op hen, die uw eeuwig heil begeren? Heeft u geen oor voor het roepen van Jezus, die u gekocht heeft met Zijn heilig, dierbaar bloed, geen oor voor de stem van de heilige kerk, die van uw ontvangenis af voor u gebeden en gezorgd heeft? Weet u niet dat de hemel een vreugde van u kan eisen, uw bekering, dat de engelen al de schalen vol reukwerk, de oudsten van de hemel al de harpen gereed honden, dat alle uitverkorenen al begerig zijn uw namen in de hemel opgeschreven te zien?
Wat bedoelt de Heere onder het beeld van de vrouw met deze zorgende geest? Wat anders dan de kerk met de Heilige Geest, de Geest van Christus, die in haar werkt? Steekt die vrouw een licht aan en licht zij daarmee in alle hoeken, of zij niet iets van de penning zag blinken, heeft nu niet hetzelfde plaats in de kerk en door de kerk? Wat zijn de leerredenen, die hier worden gehoord, wat zijn de liederen, die wij zingen, de spreuken en verzen, die in uw geheugen blijven, wat zijn zij anders dan de fakkels, waarmee de Geest van Christus licht verspreidt in de onreine hoeken van uw hart en waarmee Hij u een licht wil doen opgaan over uw schuld en ellende en over de weg van de zaligheid? Het licht dat God aan de kerk heeft toevertrouwd, is Zijn heilig woord; wil zij naar het verlorene zoeken, dan moet zij het woord op een heldere kandelaar plaatsen, dan moet zij met het woord gaan zoeken, dan moet zij Gods woord rein en zuiver, maar ook warm en levendig prediken. De vrouw had in de ene hand het licht; in de andere hand de bezem, met die keerde zij het huis; ook in de kerk, waar zovelen uit- en ingaan, blijft niet alles zuiver en rein, maar uit de wereld wordt veel onreinheid mee gebracht; de kerk moet dus ook tucht uitoefenen; zij moet echter die tucht niet willen beginnen uit te oefenen aan het verlorene, maar aan zichzelf, aan haar eigen huis. De penning ligt op de grond; die haar zoeken wil moet zich bukken en buigen; de kerk kan alleen zoeken, terwijl zij voor de Heere zich verootmoedigt en buigt, als zij zich tot de verlorenen neigt.
Lichten, vegen, zoeken: drie zaken die niet zonder reden worden vermeld; men zon kunnen zeggen, het eerste is het werk van de dienaar van het woord in het bijzonder, het tweede van zijn helpers en oudsten, het derde van de hele gemeente. Waar het zo gaat, is ten minste een leven van een levende gemeente.
De penning is de ziel van de mensen, naar het evenbeeld van God geschapen, maar in het gewoel van de wereld neergevallen en in het stof van de zonde verloren, maar ook door God zo hoog geacht en opgezocht. Deze is en blijft de eigenlijke betekenis van de penning. Heden op het feest van de hervorming zal het ons echter geoorloofd zijn van deze verloren penning nog een andere toepassing te maken. Dat kapitaal, wat de Heere aan Zijne kerk heeft achtergelaten, om daarmee huis te houden en te woekeren tot aan het einde der dagen, dat is de schat van de eeuwige waarheden, uitgedrukt in Gods woord; de hoofdstukken en hoofdartikelen van ons christelijk geloof Zijn de tien penningen aan de vrouw gegeven, waarin haar hele have bestaat. Deze bezitting was echter verloren gegaan. Wij willen zacht oordelen; wij willen niet zeggen dat de kerk al haar bezittingen verloren heeft, alle christelijke waarheden waren verbasterd, maar slechts één penning was verloren. Nog geloofde men ook in de donkerste tijden in een levende God, Schepper van hemel en aarde; nog kende men Jezus, de enige Heer en Christus, nog kende men Gods heilige wil en Zijn gebod, nog hoopte men op een eeuwig leven na de dood, nog waren er zielen die met volharding in goeddoen trachtten naar het eeuwige leven. Maar één penning was verloren, een onontbeerlijke, een die niet te vergoeden was, een zonder welke het gehele kapitaal van het geloof nooit volledig en geldend was. De penning was verloren gegaan, die op een kant het beeld toont van de goede herder, die het verloren schaap op de schouders huiswaarts draagt, aan de andere kant het opschrift draagt: "Uit genade bent u zalig geworden" (Efeziers . 2:8), de kern en het hoofdpunt van het hele Evangelie, de waarheid van de vrije genade van God in Christus Jezus en van het alleen zaligmakende geloof was verloren gegaan. Hij lag in een hoek, van glans beroofd, met stof bedekt, met voeten vertreden, nauwelijks hier en daar nog door een enkele ziel met vrees vermoed. Eén penning was verloren, slechts een van de tien; maar de schade was groot, want zonder deze ene hadden ook de anderen geen waarde. Met die kern en de hoofdzaak van de evangelische waarheid dreigde gaandeweg bijna het gehele Evangelie verloren te gaan en wat men in zijn plaats stelde, het valse geld van de priesterinzettingen, de ijdele ceremoniën, de zelf geslagen munt van menselijke verdiensten, het waren valse penningen, die geen hart konden troosten, geen ziel konden verlossen en geen hemel kopen. Een zoeken naar de verloren penning, een verlangen naar evangelische waarheid en vrijheid en evangelische vrede was ook gedurende de donkerste tijden in de Christelijke kerk op te merken. Maar hij, die toen de uur van de Heere kwam, na lange duisternis het licht aanstak, zo helder dat geen boze adem uit mensen mond het meer kon uitblazen en die met dit mijnlicht als de zoon van een echte mijnwerker neerdaalde in de verhoren mijnen om naar de verloren penning te zoeken, dat was onze dierbare Dr. M. Luther. O het was een zalig licht, dat voor hemzelf daar opging in de donkere kloostermuren te Erfurt, toen hij Gods woord vond en las en hem als schellen van de ogen vielen! Een zalig licht, dat door zijn werk opging in vele duizenden blinde ogen, in vele duizenden verlangende harten, toen het oude reine woord van God weer op de kandelaar werd gezet, toen het lang verborgen bijbelboek weer op de kansels, in de scholen, in de huizen, in de handen en harten kwam! Een licht, waardoor veel stof en onreinheid zichtbaar werd en veel vuil van vele honderde jaren moest worden weggeveegd; maar nu verheugen wij ons over de weergevonden penning en onze evangelische kerk zou ook nu haar tegenstanders kunnen toeroepen: "Verheugt u met mij; want ik heb mijn penning gevonden, die verloren was". Zie hem toch nauwkeuriger aan, die verachte penning van ons evangelisch geloof, of die toch geen goede munt is, of die niet meer zilver bevat dan u denkt, of hij toch niet veel waarde heeft voor een heilbegerig hart hier beneden en meer betekent aan de hemelpoort daarboven dan alle schatten en rijkdommen van menselijke werken en verdiensten, verheugt u met ons en als u dat niet kunt en wilt, als u van ons niets kunt leren en niets vernemen, gunt ons dan onze vreugde; laat de arme buurvrouw, die zich met uw luister niet kan of wil meten, in vrede naast u wonen en ongestoord leven met de kinderen van haar geloof. En u, dierbare evangelische kerk, verblijd u over de penning, van uw vaderen geërfd, door Gods genade voor u bewaard en bewaar die goed en verzorg hem nauwkeurig, opdat u hem niet weer verliest, of overgeeft voor de valse munt van menselijke instelling, of voor de blinkendste penning van een ijdele wijsheid.
De bekering van een zondaar verheerlijkt God in Zijn deugden. Ja, ten hoogste. Want wat heeft hier plaats gehad? Een kond, verstorven, van God afkerig, voor Zijn hoogste liefde onvatbaar, tot Zijn verheerlijking onbekwaam hart is vermurwd geworden, heeft in zich een nieuw leven, een nieuwe kracht, een heilige roeping gevoeld; ogen, die slechts zagen op het vergankelijke, een gemoed van de wereld en haar begeerlijkheden alleen vervuld, heeft leren zien en smaken dat de Heere goed is. Aan een kind van de toorn is de hoogste liefde bewezen; het is aangenomen als kind van God. Een goddelijke kracht tot liefde en heiligheid is uitgestort in een zieke, neergebogen, diep gezonken geest. In vlees uit vlees is geest uit geest geboren. Een hele verdorvene en doodschuldige is voor een eeuwig heil, voor het heil van de heiligheid vatbaar gemaakt, een bron van zonde is gedempt, een zondeval hersteld, een verovering op de satan behaald, een uitgewist beeld van God weer te voorschijn gebracht, een dode opgewekt, een nieuwe schepping daargesteld door de macht van Hem, die de doden levend maakt en roept de dingen die niet zijn alsof zij waren, " door de liefde van Hem, wiens liefde niets te wonderlijk is en die ook door het uiterste wonder van Zijn liefde geen straal, geen straaltje, geen vonk verduistert van het licht van Zijn heiligheid. Mijn lezers, toen de hoekstenen van de aarde gelegd werden; toen op het woord van de Goddelijke almacht het droge uit de schoot van de aarde haar groen bekleedsel, haar zaad zaaiend kruid, haar hoog geboomte zich ophief, toen grote en kleine lichten haar loop aan het uitspansel begonnen, toen vogels en vissen zich roerden en aan het hoofd van alle dieren de mens zijn hoofd ophief, in de schepping, die de Almachtige uit enkel liefde en tot een zalig voorwerp van Zijn liefde geschapen had; daar gingen alle engelen van de hemel voor in de lofzang, waarin de hele schepping, bewust of onbewust, bezield of onbezield, bestemd was te volgen. De sterren van de morgenstond, zegt ons het boek van Job, zongen toen vrolijk en alle kinderen van God juichten. En zouden zij niet juichen, zo vaak Hij, die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, ook tot een duistere ziel zegt: "Daar zij licht! Daar zij licht", een woord dat de verhevenste uit hun midden, dat zij allen tezamen zo hier als daar tevergeefs zouden hebben uitgesproken. Het is hun bestemming, het is hun leven, het is hun lust God te verheerlijken. De profeet zag hen staande voor de troon van God, het aangezicht eerbiedig met de vleugels bedekt. Hij hoorde hun lied: "Heilig! heilig! heilig! is de Heere! de hele aarde is van Zijn heerlijkheid vol. " Is het vreemd dat zij de hoogste toon van de blijde Godverheerlijking aanslaan, waar God op aarde het meest verheerlijkt wordt. En waar wordt Hij het meer dan op de plaats en op het uur waar een zondig hart, door Hemzelf omgezet, zich overgeeft aan Zijn macht, zich vertrouwt aan Zijn liefde, zich ontsluit tot Zijn eeuwige lof.
De zondaar was eenmaal een penning, waarop het heldere beeld en het opschrift van God zichtbaar waren. Beiden waren geheel of gedeeltelijk uitgewist en verduisterd door vlekken van honingdauw en roest, die er zich op gevestigd hadden. Hij was geheel waardeloos en in de hemel niet meer gangbaar. Hij was verborgen onder het stof en de bouwvallen van de aarde. Hij beantwoordde niet langer aan het grote doel, waartoe hij uit de munt, waarin hij oorspronkelijk geslagen was, was gekomen. De Goddelijke Eigenaar van de schatten van het heelal had hem kunnen laten waar hij was en andere penningen in omloop kunnen brengen, van veel grotere waarde, in veel duidelijker en onuitwisbaarder trekken Zijn beeld dragend. Maar Zijn wegen zijn niet onze wegen en Zijn gedachten zijn niet onze gedachten. Hij werd met mededogen bewogen en besloot ons te helpen, Hij wilde liever herscheppen dan opnieuw scheppen.
Hij ontstak daarom de kaars van de Heere - het licht van de eeuwige troon - en met die kaars, die haar zuivere en heilige stralen overal heen zond, ging hij de verloren penning zoeken. De taal is slechts de lantaren. De geïnspireerde en eeuwige waarheid is het licht. Zijn dienaren brengen dit licht op Zijn bevel in ieder land, over iedere zee - in de middernacht van Afrika, in de dichte bossen en pagoden van Indië tot aan de bronnen van de Zambesi, de Nijl; de Ganges en over de zeemeeren van het uitgestrekte vaste land van Amerika. Reeds schijnt het met toenemende helderheid vanaf de palmbosjes van het oosten tot aan de bossen van het noorden. Hij zendt Zijn stralen door de vensters van nederige en arme hutten, in vergeten gehuchten of op de rand van wouden, waarbinnen nog geen mensenvoet waagde door te dringen en door de balkonramen van koninklijke paleizen en adelijke zalen, op mensen afzichtelijk en ontaard door zonden, stervende, verloren, als zovele boden van God, die iedere mens de helpende hand toesteekt, die tedere en vergiffenis-volle woorden spreekt en wijst op de Zon van de gerechtigheid, onder wier vleugelen genezing, hoop en zaligheid is. En dit is niet alles. Hij verwijdert alle vreemde bestanddelen, stof en slijk en eigengerechtigheid en verwaandheid en de dikke klei van de rijkdommen van deze wereld en de bedrieglijke eer en mommerij van de hoge rangen en posten in de wereld, die de stralen van de volle dag onderscheppen. Wat het doorbreken van de lichtstralen verhindert, of de verlorene ziel gesloten houdt, zodat de waarheid niet kan binnen dringen of de ogen beneveld en het hart omsluiert voor het licht, dat het leven in zijn grootste luister met zich voert, verwijdert Hij. De ziel mag huizen in een met purper of fijn linnen, of wel met lompen bedekt, of wel in een geheel naakt lichaam, in het lichaam van de hoogmoedige, van de machtige, van de hooggeplaatste, met de adem van Zijn mond, met de loeiende orkaan van de tegenspoed, of met de liefelijke, maar aanhoudende koelte van Zijn oppermachtige en reddende liefde verwijdert Hij alles wat het licht en de waarheid zou kunnen buitensluiten en belemmeren. Hij onderzoekt elke schuilhoek, daalt in de schachten van de diepste mijnen neer, steekt de brede zeeën over, bestijgt de duizelende hoogten, waarop de hoogst geplaatste personen in deze wereld zich met moeite handhaven, om te vatten en te behouden. Besloten hebbend te vinden, weer te zuiveren en de verloren penning weer in de hemel in omloop te brengen, spaart Hij geen moeite en geen voorbeeld bestaat er, dat die moeite geheel ijdel was. Ten slotte na zoveel moeite en inspanning gevonden, wordt hij gereinigd en glanzend gemaakt en op zijn zuivere oppervlakte wordt andermaal door de Heilige Geest het schitterend beeld van de Godheid gegrift. De hemel hoort van het terugvinden van de penning gewagen en weergalmt van lofzangen en prijs en dankzegging jegens Hem, die op de troon zit en jegens het Lam,
De mens buiten Christus geniet slechts voor zichzelf en uit hetgeen hij persoonlijk bezit, zodat zijn geluk noodwendig zeer beperkt is. Onder de bedeling van het Evangelie integendeel is de Christen door de band van de liefde gelukkig in het heil van duizenden wezens en langs die weg is zijn geluk zo veel malen verdubbeld als er gelukkige wezens bestaan, ja in zeker opzicht een oneindig geluk. De wereldling smaakte teleurstelling en wrevel uit hetgeen anderen wordt geleend, de Christen door de liefde, die Hij allen toedraagt een steeds nieuw genot uit de hem ten deel vallende weldaden. De wereldling verarmt zich door te geven, de Christen verplaatst slechts het zijn wanneer hij geeft, want hij bezit het nog in het welzijn, dat daardoor aan anderen verschaft wordt. Ja, gelukkig zijn in het geluk van anderen, ziedaar het grote geheim van de christelijke zaligheid, ziedaar het geluk van de engelen, wat zeg ik, het geluk van God. God is liefde, God is hoogst gelukzalig. Hij put dus Zijn geluk uit Zijn liefde, Hij voldoet aan Zijn liefdevolle natuur door blijvend nieuwe wezens te scheppen en hen met de heerlijkste begaafdheden en weldaden te begiftigen. Zie dan ook de menigte schepselen waarmee Hij de ruimte bevolkt, de eeuwige legerscharen in de hemelen, de voorbijgaande, maar zich immer vernieuwende geslachten op aarde, de duizendtallen van wereldbollen, gewis, zoals de onze bewoond, eindelijk dat leven, die genietingen, dat geluk, die zich tot het oneindige vernieuwen in de eindeloze ruimte. Waarom zou God zonder ophouden scheppen, waarom met volle handen genietingen uitstrooien in het heelal, als scheppen en beweldadigen voor Hem niet de zaligste werkzaamheid was?
Wat blijde hymne rijst uit `s hemels Englenrei, Wat heerlijk lofakkoord, wat zoete harmonie, Wat gaan de Engelen scharen, Op klank van stem en snaren, Dus wuivend met den palm Gods glorietroon voorbij!
"Een zondaar is gered! herhaalt het juichend koor, Een afgedwaalde zoon, die rust en lust verloor, Kwam tot den Vader weer; In tranen boog hij neer, In vreugde rees hij op, en koos het rechte spoor. " Mijn ziel om uwentwil dat heerlijk harpgeruisch Voor u! die rust en lust in God hervondt bij `t kruis, Voor u die jubelgalmen, Voor u die zegepalmen, Voor u dat vreugdefeest in `t zalig Vaderhuis.
O! God, wat zijt Gij goed! -Gij hebt mijn angst gestild, Gij hebt mijn schuld gedelgd, Gij hebt mijn heil gewild. Waar woorden mij ontbreken Laat daar mijn tranen spreken, En `t juichen van dit hart, dat van verrukking trilt.
Ook mij dat Paradijs aan `t einde der woestijn, Ook mij een plaats in licht, waar zonde heerst noch pijn, Ik zal den hemel erven, En de ure van mijn sterven, Zal mijn geboortestond voor `t eeuwig leven zijn.