Psalm 16:1-7
I. David spreekt van zichzelf als een lid van Christus en aldus spreekt hij de taal van alle goede Christenen zijn vertrouwen in God belijdende, vers 1, zijn overeenstemming met Hem, vers 2, zijn genegenheid voor het volk van God, vers 3, zijn blijven bij de ware aanbidding van God, vers 4, en zijn welbehagen en algehele voldoening in God en zijn deel aan Hem, vers 5-7..
II. Hij spreekt van zichzelf als een type van Christus en zo spreekt hij de taal Van Christus zelf, op wie al het overige van de psalm uitdrukkelijk en uitvoerig toegepast wordt, Handelingen 2:25 en verv. David zegt van Hem niet van zichzelf, "IK ZAG DEN HEERE ALLEN TIJD VOOR MIJ, enz". -En dit sprak hij, een profeet zijnde, vers 30, 31. Hij sprak:
1. Van de bijzondere tegenwoordigheid Gods met de Verlosser, in Zijn dienst en lijden, vers 8..
2. Van het vooruitzicht van de Verlosser op zijn eigen opstanding en de heerlijkheid daarop volgende die Hem goedsmoeds door zijn onderneming heen hielp, vers 1-7 Psalm 16:1-7 De psalm heeft tot opschrift: Michtam, dat door sommigen overgezet wordt: een gouden psalm, of een gouden kleinood, een zeer kostelijke psalm, meer door ons te waarderen dan goud, ja dan zeer fijn goud, omdat hij zo duidelijk spreekt van Christus, die de ware schat is, verborgen in de akker van het Ouden Testament.
I. David neemt hier de toevlucht tot Gods bescherming met een blijmoedig gelovig vertrouwen erin, vers 1. "Bewaar mij, o God, red mij van de dood, en bovenal van de zonden waaraan ik zo voortdurend ben blootgesteld want op U, U alleen betrouw ik." Zij, die zich in het geloof overgeven aan de zorg Gods en zich onderwerpen aan de leiding Gods, hebben reden om te hopen op het voorrecht en voordeel van beide. Dit is toepasselijk op Christus die gebeden heeft: "Vader, verlos Mij uit deze ure," en op God heeft vertrouwd, dat Hij Hem verlossen zou.
II. Hij erkent de plechtige toewijding van zichzelf aan God als zijn God, vers 2. "O mijne ziel, gij hebt tot de Heere gezegd: Gij zijt mijn Heere, en daarom kunt gij het gerust wagen om op Hem te vertrouwen. Het is de plicht en het belang van een ieder van ons, om de Heere te erkennen als onze Heere, ons aan Hem te onderwerpen en op Hem te steunen. "" adgay" betekent mijn steuner, de sterkte van mijn hart. Dit moet gedaan worden met onze ziel: "o mijne ziel, gij hebt het gezegd." De verbondssluiting met God moet hartewerk wezen, al wat binnen in ons is moet daarbij te werk gesteld worden. Zij, die verklaard hebben dat de Heere hun Heere is, moeten zich gedurig herinneren aan hetgeen zij gedaan hebben. "Hebt gij tot de Heere gezegd: Gij zijt mijn Heere? Zeg het dan wederom, blijf er bij, houd u er aan, herroep het nooit. Hebt gij het gezegd? Smaak er dan de vertroosting van en leef er naar. Hij is uw Heere, zo aanbid Hem en laat uw oog steeds op Hem gevestigd zijn."
III. Hij wijdt zich toe aan de eer Gods in de dienst van de heilige, vers 2, 3. Mijn goedheid raakt niet tot U, maar tot de heilige.
Merk op. 1. Zij, die de Heere hebben aangenomen tot hun Heere, moeten evenals Hij goed zijn en goed doen, zonder goedheid verwachten wij geen geluk.
2. Wat er ook voor goedheid in ons is of door ons gedaan wordt, moeten wij nederig erkennen niet tot God te geraken, zodat wij op geen verdienste ervan aanspraak kunnen maken. God heeft onze diensten niet nodig Hij wordt er niet door bevoordeeld, ook kunnen zij niets aan Zijn oneindige volkomenheid en zaligheid toevoegen. De wijste, beste en nuttigste mensen in de wereld kunnen Gode niet voordelig zijn, Job 22:2, 35:7. God is oneindig ver boven ons en is gelukzalig zonder ons, en wat wij ook voor goeds doen, het is alles van Hem, zodat wij Hem, niet Hij ons, verplicht is. David erkent dit, 1 Kronieken 29:14. Het is alles van U en wij geven het U uit Uwe hand.
3. Als God onze God is dan moet om Zijnentwil onze goedheid raken tot hen die de Zijnen zijn, tot de heiligen op de aarde want het behaagt Hem om wat hun gedaan wordt te beschouwen als gedaan aan Hemzelf, daar Hij hen tot Zijn ontvangers heeft aangesteld. Er zijn heiligen op de aarde, en heiligen op aarde moeten wij wezen, of wij zullen nooit heiligen in de hemel zijn. Zij, die door de genade Gods vernieuwd zijn geworden, en toegewijd zijn aan de eer en heerlijkheid Gods zijn heiligen op de aarde. De heiligen op de aarde zijn de heerlijken, de voortreffelijken, de groten, de uitnemenden, en toch zijn sommigen van hen zo arm in de wereld, dat zij het nodig hadden dat Davids goedheid tot hen uitstrekte. God maakt hen heerlijk, voortreffelijk door de genade, die Hij hun schenkt. De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste, dewijl hij dierbaar is in Zijn ogen, zij zijn Zijn juwelen, Zijn bijzondere schat. Hun God is hun glorie, een sierlijke kroon voor hen. Allen, die de Heere tot hun God hebben aangenomen, verlustigen zich in Zijn heiligen en heerlijken omdat zij Zijn beeld dragen, en omdat Hij hen liefheeft. Hoewel David een koning was, "was Hij een gezel van allen, die God vreesden," Psalm 119:63, zelfs van de geringsten, hetgeen een teken was dat hij zich in hen verlustigde. Het is niet genoeg dat onze lust is in de heiligen als er gelegenheid toe is, moet onze goedheid tot hen raken, zich tot hen uitstrekken, wij moeten bereid zijn hun de vriendelijkheid te betonen, die zij nodig hebben, in hun behoeften te voorzien, en overvloedig te zijn in de arbeid van de liefde aan hen. Dit is van toepassing op Christus. Het heil, dat Hij voor ons gewrocht heeft, was geen gewin voor God, want ons verderf zou voor Hem geen verlies geweest zijn, maar de goedheid en het voordeel ervan raakten tot ons, mensen, in wie Zijn lust was, Spreuken 8:31. "Ik heilig Mijzelf voor hen," zegt Hij, Johannes 17:19. Christus verlustigt zich in de heiligen op de aarde, in weerwil van hun zwakheid en menigerlei gebreken, hetgeen een goede reden is, waarom ook wij ons in hen moeten verlustigen.
IV. Hij verwerpt de aanbidding van alle valse goden, en alle gemeenschap met hun aanbidders, vers 4 waar:..
1. Hij het oordeel leest van de afgodendienaars, die zich heenspoeden naar een anderen god, verzot zijnde op hun afgoden, en die zo ijverig najagende, alsof zij bevreesd waren dat zij hun zouden ontkomen. Hun smarten zullen vermenigvuldigd worden, beide door de oordelen, welke zij over zich brengen van de ware God, die zij verlaten, en door de teleurstelling, die zij zullen ondervinden van de valse goden, die zij omhelzen. Zij, die de goden vermenigvuldigen, vermenigvuldigen smarten voor zichzelf, want al wie de God te weinig acht, zal twee te veel vinden, en honderden toch nog niet genoeg. 2. Hij zijn besluit te kennen geeft om geen gemeenschap met hen te hebben, noch met hun onvruchtbare werken van de duisternis: Ik zal hun drankoffers van bloed niet offeren, niet alleen omdat de goden, waaraan zij geofferd worden, een leugen zijn, meer omdat de offeranden zelf barbaars zijn. Omdat het bloed verzoening deed, was het drinken ervan streng verboden, en de drankoffers waren van wijn maar de duivel schreef aan zijn aanbidders voor om het bloed van de offeranden te drinken ten einde hen wreedheid te leren. "Ik wil" zegt David, "met deze bloeddorstige godheden niets van doen hebben, ik zal zelfs hun namen niet met enigerlei vermaak op mijn lippen nemen, of met enigerlei eerbied voor hen". Aldus moeten wij afgoden en afgoderij haten met een volkomen haat. Sommigen achten dat ook dit van toepassing is op Christus en Zijn onderneming, de aard aantonende van de offerande, die Hij geofferd heeft, het was niet het bloed van stieren en bokken, dat naar de wet geofferd was, (dat werd niet genoemd, Hij heeft er zelfs nooit melding van gemaakt) maar Zijn eigen bloed, ook de vermenigvuldigde smarten aantonende van de ongelovige Joden, die zich heenspoedden naar een andere koning, de keizer, en zich nog heenspoeden naar een anderen Messias, naar wie zij tevergeefs uitzien.
V. Hij herhaalt de plechtige keus, die hij gedaan heeft van God voor zijn deel en zijn geluk, vers 5, smaakt voor zichzelf de vertroosting van die keus, vers 6, en geeft God de eer ervan, vers 7. Dit is de taal van een Godvruchtige ziel:
1. Die de Heere kiest tot haar deel en haar gelukzaligheid. De meeste mensen beschouwen de wereld als hun voornaamste goed, en stellen hun geluk in de genieting ervan. Maar ik zeg: de Heere is het deel mijns bekers, het deel, dat ik verkies, en waarmee ik gaarne tevreden zal zijn, hoe armoedig mijn toestand in de wereld dan ook zijn moge. Laat mij de liefde en gunst van God hebben, laat mij door Hem aangenomen zijn, laat mij de vertroosting hebben van gemeenschap met God en voldoening smaken in de mededelingen van Zijn genade, laat mij deel hebben aan Zijn beloften, en door de belofte recht hebben op het eeuwige leven en de gelukzaligheid in de toekomende staat, en ik heb genoeg, meer behoef ik niet, meer begeer ik niet om mijn gelukzaligheid volkomen te maken. Willen we goed en verstandig voor onszelf handelen, dan moeten wij in Christus God nemen om:
a. Het deel onzer erve te zijn in de gehele wereld, de hemel is een erfdeel, God zelf is daar de erve van de heiligen, wier eeuwige gelukzaligheid is Hem te genieten. Dat moeten wij tot ons erfdeel nemen, ons tehuis, onze rust, ons duurzaam, eeuwig goed, en deze wereld beschouwen als niet meer de onze, dan het land door hetwelk onze weg loopt als wij op reis zijn
b. Het deel onzes bekers in deze wereld, waarmee wij gevoed en gelaafd worden en voor bezwijken worden bewaard Diegenen hebben God niet tot hun God, van wie Zijn vertroostingen niet de kostelijkste hartsterkingen zijn die er zich niet mee bekend maken, en er geen gebruik van maken als genoegzaam om op te wegen tegen al het leed van deze tegenwoordigen tijd, en om de bitterste beker van de beproeving te verzoeten.
2. Die op Hem vertrouwt ter verzekering van dit deel. Gij onderhoudt mijn lot, Gij, die beloofd hebt de mijne te zijn, zult genadiglijk volbrengen wat Gij beloofd hebt, en mij nooit aan mijzelf overlaten om deze zaligheid te verbeuren, noch het in de macht van mijn vijanden laten om mij ervan te beroven. Niets zal mij uit Uw handen rukken, mij scheiden van Uw liefde en de gewisse weldadigheden Davids. De heiligen en hun zaligheid worden bewaard door de kracht Gods. 3. Die zich in dit deel verheugt en er een welgevallen aan heeft, vers 6. De snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen, diegenen hebben reden om dit te zeggen, die God tot hun deel hebben, zij hebben een waardig deel, een schone erfenis. Wat beters kunnen zij hebben? Wat kunnen zij meer begeren? Mijn ziel, keer weer tot uw rust, en zie naar niets meer uit. Godvruchtige mensen begeren wel meer van God, maar begeren nooit meer dan God, maar verzadigd zijnde van Zijn goedertierenheid, zijn zij er volkomen mee tevreden, en benijden niemand om zijn vleselijke vrolijkheid en zinnelijke genietingen, maar achten zich waarlijk gelukkig in hetgeen zij hebben en twijfelen niet of zij zullen volkomen gelukkig zijn in hetgeen zij hopen. Zij, wier lot evenals dat van David, In een land van licht is, In een dal van het gericht, waar God wordt gekend en aangebeden, hebben daarom reden om met David te juichen: De snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen, en nog veel meer zij, die niet alleen het middel hebben, maar ook het doel, niet alleen Immanuels land, maar Immanuëls liefde.
4. Die er God voor dankt, dankt ook voor de genade om die wijze en gelukkige keus te doen, vers 7. Ik zal de Heere loven, die mij dat heeft gegeven, deze raad om Hem tot mijn deel en mijn geluk te nemen. Wij zijn zo onwetend en dwaas dat indien wij aan onszelf worden overgelaten, ons hart onze ogen zal volgen, en wij onze eigen inbeeldingen kiezen, onze eigen zegeningen zullen verlaten voor valse ijdelheden, en daarom moeten wij, als wij waarlijk God tot ons deel hebben genomen en aan geestelijke en eeuwige zegeningen de voorkeur hebben gegeven boven die welke door de zinnen worden waargenomen en slechts tijdelijk zijn, dankbaar de macht en goedheid erkennen van de Goddelijke genade, die ons geleid en bekwaam gemaakt heeft om deze keus te doen. Als wij er het genot en genoegen van hebben, zo laat God er de lof voor ontvangen.
5. Die er een goed gebruik van maakt. God had hem door Zijn Woord en Geest raad gegeven, en nu onderwezen hem bij nacht zijn nieren, zijn eigen gedachten. Als hij stil en eenzaam was, zich teruggetrokken had van de wereld, dan heeft zijn geweten de keus gemaakt. Jeremia 17:10 niet slechts met vertroosting nagedacht over de keus, die hij gedaan had, maar hem vermaand en onderwezen betreffende de plichten, die uit deze keus voortvloeien, hem ondervraagd, hem aangespoord en opgewekt om nu ook te leven als iemand, die God tot zijn deel heeft, door het geloof van Hem en voor Hem te leven. Zij, die God tot hun deel hebben en Hem getrouw willen wezen, moeten aan hun eigen geweten verlof geven om aldus getrouwelijk met hen te handelen.
Dit alles kan toegepast worden op Christus, die de Heere tot Zijn doel heeft gesteld, en aan dat deel een welgevallen heeft gehad, voor wie Zijns Vaders heerlijkheid het hoogste doel was. Zijn spijs en drank was om dat te zoeken en om Zijn wil te doen, en Hij vond er Zijn vermaak in om met Zijn onderneming voort te gaan ingevolge de raad van Zijn Vader, op Hem betrouwende om Zijn lot te onderhouden en Hem door Zijn onderneming heen te helpen. Wij kunnen het ook toepassen op onszelf en terwijl wij het zingen onze keus van God als onze God met een heilig welgevallen en voldoening vernieuwen.