Hebreeën 10:19-39
I. Hier houdt de apostel hun de waardigheden van de Evangelische bedeling voor. Het is nodig dat de gelovigen de eer en de voorrechten kennen, die Christus voor hen verworven heeft, opdat, terwijl zij er den troost van genieten, zij Hem er de heerlijkheid voor geven. Die voorrechten zijn:
1. Vrijmoedigheid om in te gaan in het heilige. Zij hebben toegang tot God, licht om hen te leiden, vrijheid van geest en van spreken overeenkomstig zijn bestuur, zij hebben een recht op dit voordeel en een bereidheid er toe, bijstand om het te gebruiken en verzekering dat zij zullen aangenomen en verhoord worden. Zij mogen toegaan in de tegenwoordigheid Gods door Zijn heilige woorden, instellingen, voorzieningen en verbond, en daardoor in gemeenschap met God komen, waar zij mededelingen van Hem ontvangen, tot zij bereid zijn om te komen in Zijn heerlijke tegenwoordigheid in den hemel.
2. Een hogepriester over het huis Gods, den gezegenden Jezus, die het hoofd is van de strijdende kerk op aarde, en van elk harer leden, en van de zegepralende kerk in den hemel. God wil bij de mensen op aarde wonen, en wil hen in den hemel bij Hem laten wonen, maar de gevallen mens kan niet bij God wonen zonder een hogepriester, die de middelaar is der verzoening hier en der vruchten daarvan hiernamaals.
II. De apostel deelt ons mede den weg en de middelen, waardoor de Christenen deze voorrechten genieten, en zegt, in het algemeen, dat dit is door het bloed van Jezus, door de verdiensten van dat bloed, dat Hij voor ons als een zoenofferande Gode bracht, Hij heeft voor allen, die geloven, vrijen toegang verworven tot God, in de instellingen van genade hier en in Zijn koninkrijk hiernamaals. Dit bloed, waarmee het geweten besprengd wordt, reinigt dat van slaafse vrees, en geeft den gelovige verzekering beide van zijne veiligheid als van zijn welkom in de goddelijke tegenwoordigheid. Nadat de apostel nu in het algemeen den weg aangetoond heeft, langs welken wij toegang tot God hebben, gaat hij over tot de bijzonderheden.
1. Het is de enige weg, er is geen weg behalve deze. De eerste weg naar den boom des levens is sedert lang reeds afgesloten.
2. Het is een verse weg, zowel in vergelijking met het verbond der werken als met de verouderde bedeling van het Oude Testament, het is de laatste weg, die ooit voor mensen geopend zal worden. Zij, die langs dezen weg niet komen willen, sluiten zich zelven voor eeuwig buiten. Het is een weg, die voor altijd voldoende zal blijken te zijn.
3. Het is een levende weg. Het zou voor ons de dood zijn indien wij beproefden in den weg van het verbond der werken tot God te naderen, maar langs dezen weg mogen wij tot God komen en leven. Hij gaat door een levenden Zaligmaker, die dood geweest is en Hij leeft, en het is een weg, die leven geeft en een levende hoop, aan allen die daardoor ingaan.
4. Het is een weg, dien Christus heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is, door zijn vlees. Het voorhangsel in den tempel en den tabernakel betekende het lichaam van Christus, toen Hij stierf werd het voorhangsel in den tempel gescheurd, en dit was ten tijde van het avondoffer, en gaf het volk een verrassend gezicht in het heilige der heiligen, dat zij nooit tevoren gezien hadden. Onze weg ten hemel gaat door een gekruisigden Zaligmaker, Zijn dood is voor ons den weg ten leven. Hun die geloven zal Hij dierbaar zijn.
III. Hij gaat voort den Hebreeën de plichten aan te wijzen, waartoe zij door deze voorrechten verbonden zijn, die in zo buitengewonen weg verkregen waren, vers 22 en 23 en verder.
1. Zij moesten tot God toegaan, en dat op de rechte wijze. Zij moesten tot God toegaan. Nu zulk een weg van toegang en terugkeer tot God geopend is, zou het de grootste ondankbaarheid en verachting van God en Christus zijn zich van hen op een afstand te houden. Zij moesten toegaan door bekering en door het verbond vast te houden. Zij moesten toegaan in allen heiligen wandel, gelijk Henoch wandelde met God. Zij moesten toegaan met nederige verering, Hem aanbiddende op de voetbank Zijner voeten. Zij moesten toegaan in heilige afhankelijkheid, en in het strikte waarnemen van Gods gedrag jegens hen. Zij moesten toegaan in gelijkvormigheid aan God, in gemeenschap met Hem, levende onder Zijn heiligen invloed, steeds trachtende al nader en nader te komen, tot zij mochten blijven in Zijne tegenwoordigheid, maar zij moesten toezien dat zij tot God naderden op de rechte wijze.
A. Met een waarachtig hart, zonder enige vergoelijkte onreinheid of huichelarij. God is een kenner der harten en Hij verlangt waarheid in het binnenste. Oprechtheid is onze evangelische volmaaktheid, ofschoon niet onze rechtvaardigende gerechtigheid.
B. In volle verzekerdheid des geloofs, met een geloof, dat opgegroeid is tot het volle vertrouwen dat wij, wanneer wij door Christus tot God komen, volle aanneming en verhoring zullen verkrijgen. Wij moeten alle zondig wantrouwen afleggen. Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen, en hoe sterker ons geloof is, des temeer verheerlijken wij God.
C. Onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, door een gelovige toepassing van het bloed van Christus op onze zielen. Zij moesten gereinigd worden van schuld, van onreinheid, van zondige vrees en foltering, van allen afkeer van God en hun plicht, van onwetendheid en dwaling, en bijgeloof, en van alle kwaad, waaraan de gewetens der mensen door de zonde onderworpen zijn.
D. Het lichaam gewassen zijnde met rein water, dat is, met het water des doops (waardoor wij worden opgenomen onder de discipelen van Christus en leden van Zijn mystiek lichaam). Of met de heiligende kracht van den Heiligen Geest, die ons uitwendig gedrag zowel als ons inwendig wezen hervormt en regeert, ons reinigende van de onreinheid des vlezes zowel als van die des geestes. De priesters onder de wet moesten zich wassen, alvorens zij in de tegenwoordigheid des Heeren kwamen om Hem de offers te brengen. Wij moeten de nodige voorbereidingen nemen alvorens wij tot God naderen.
2. De apostel vermaant de gelovigen om de belijdenis huns geloofs vast te houden, vers 23. Merk hier op:
A. De plicht zelf. Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden, alle waarheden en leringen van het Evangelie omhelzen, ze vasthouden, en dat doen ook tegen verzoeking en tegenstand in. Onze geestelijke vijanden zullen alles doen wat zij kunnen, om ons geloof, onze hoop, onze heiligheid, onzen troost ons te ontwringen, maar wij moeten onzen godsdienst als onzen grootsten schat vasthouden.
B. Wij moeten dat doen zonder aarzeling, zonder twijfelen, zonder redeneren, zonder in te geven aan verzoeking tot afval. Wanneer deze grote dingen tussen God en onze ziel eenmaal tot stand gekomen zijn, moeten wij er standvastig en onbeweeglijk in blijven. Zij, die in zaken van Christelijk geloof beginnen te wankelen, lopen gevaar van af te vallen.
C. De reden, dien hij daarvoor opgeeft. Die het beloofd heeft is getrouw. God heeft grote en kostbare beloften aan de gelovigen gedaan, en Hij is een getrouw God, trouw aan Zijn woord. Er is geen valsheid of halfheid in Hem, en daarom mogen die ook niet in ons zijn. Zijne getrouwheid moet ons aanmoedigen en opwekken om ook getrouw te zijn, en wij moeten meer staat maken op Zijne beloften aan ons dan op onze beloften aan Hem, en wij moeten pleiten op Zijne genadebeloften.
IV. Hier worden ons de middelen aangegeven om afval te voorkomen en getrouwheid en volharding aan te kweken, vers 24, 25 en verder. Hij noemt er verscheidene.
1. Laat ons op elkaar acht nemen tot opscherping der liefde en der goede werken. Christenen behoren een tedere liefde en zorg voor elkaar te hebben, zij behoren met toegenegenheid na te gaan wat elkanders behoeften, zwakheden en verzoekingen zijn, en zij moeten dit doen, niet om ze elkaar te verwijten, niet om elkaar tot toorn te verwekken, maar om elkaar op te wekken tot liefde en goede werken, zich zelven en anderen oproepende om God en Christus meer lief te hebben, om hun plicht en de heiligheid meer lief te hebben, om hun broederen meer lief te hebben, en elkaar alle goede diensten van Christelijke liefde, beide naar lichaam en ziel te bewijzen. Een goed voorbeeld aan anderen gegeven is de beste en vruchtbaarste opwekking tot liefde en goede werken.
2. En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, vers 25. Het is de wil van Christus dat Zijne discipelen samen vergaderen zullen, soms meer in besloten kring voor bespreking en gebed, en in het openbaar om het Evangelie te horen en zich te verenigen tot uitoefening van al de instellingen der Godsverering. Er waren in de dagen der apostelen en moeten in alle tijden zijn Christelijke vergaderingen voor de aanbidding van God en voor wederkerige stichting. En het schijnt dat reeds in dien tijd sommigen zich aan de onderlinge samenkomsten begonnen te onttrekken en daardoor van het geloof begonnen af te vallen. De gemeenschap der heiligen is een grote steun en een voorrecht, en een goed middel voor standvastigheid en volharding, harten en handen worden er door de leden onderling door gesterkt.
3. Wij moeten ons zelven en elkaar vermanen, ons zelven en elkander waarschuwen voor de zonde en het gevaar van doorvloeien, ons zelven en onzen mede-Christenen onze plichten, gebreken en overtredingen voor ogen stellen, om over elkaar te waken en over ons zelven en elkaar te ijveren met godzaligen ijver. Dat-verricht in waren evangelischen zin -zal de beste en oprechtste vriendschap zijn.
4. Wij moeten opmerken dat de tijden van beproeving naderen en daardoor tot des te groteren ijver aangewakkerd worden. En dat zoveel te meer als gij ziet dat de dag nadert. Christenen moeten letten op de tekenen der tijden, die God hun voorzegd heeft. Daar was een dag naderend, een verschrikkelijke dag voor het Joodse volk, waarop hun stad zou verwoest worden en het lichaam van het volk door God verworpen zou worden omdat het Christus verworpen had. Dat zou een dag van verstrooiing en verzoeking zijn voor het uitverkoren overblijfsel. De apostel wekt hen nu op om na te gaan welke tekenen er waren van de nadering van dezen verschrikkelijken dag, en meer getrouw te zijn in de onderlinge samenkomsten en in de vermaning van elkaar, opdat zij des beter voorbereid zouden worden voor dien dag. Er nadert een dag van beproeving voor ons allen, de dag onzes doods, en wij moeten letten op al de tekenen van zijne nadering, en die aanwenden tot groter waakzaamheid en ijver in onzen plicht.
V. Na deze middelen voor stichting te hebben opgenoemd, gaat de apostel in het laatste gedeelte van dit hoofdstuk er toe over, om zijne waarschuwingen tegen afval en zijn vermaningen tot volharding aan te dringen met verscheidene gewichtige beschouwingen, vers 26, 27 en verder.
1. Door de beschrijving, die hij geeft van de zonde van afval. Het is willens zondigen nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, opzettelijk zondigen tegen die waarheid, waarvan wij overtuigende indrukken verkregen hebben. Deze tekst is een oorzaak van grote droefheid geweest voor sommige begenadigde zielen, zij hebben zich voorgesteld dat elk willens zondigen, na het verkrijgen van overtuiging en van kennis, de onvergeeflijke zonde zou zijn, en dat is haar zwakheid en dwaling geweest. De zonde hier bedoeld is een gehele en blijvende afval, wanneer men met vollen en gevestigden wil en besluit Christus, den enigen Zaligmaker, veracht en verwerpt, den Geest, den enigen heiligmaker, veracht en wederstaat, het Evangelie, den enigen weg van behoud, en de woorden van eeuwig leven, veracht en verloochent, en dat alles nadat men heeft gekend, zich toegeëigend en beleden den Christelijken Godsdienst, en daarin hardnekkig en kwaadaardig voortgaat. Dat is de grote overtreding, de apostel doelt op de wet tegen moedwillige zondaren, in Numeri 15:30. 31.. Die moesten verbannen worden.
2. Door het vreeslijk lot van zulke afvalligen.
A. Er blijft geen slachtoffer meer voor zulke zonden, geen andere Christus komt om zulke zondaren zalig te maken. Zij zondigen tegen het laatste redmiddel. Er waren sommige zonden onder de wet, waarvoor geen offerande toegelaten werd, maar toch indien de bedrijvers daarvan oprecht berouw toonden, was het mogelijk-ofschoon zij aan den tijdelijken dood niet konden ontsnappen-dat zij den eeuwigen dood konden ontgaan, want Christus zou komen en verzoening aanbrengen. Maar zij onder het Evangelie, die Christus niet willen aannemen, om door Hem verlost te worden, houden geen andere toevlucht over.
B. Er blijft voor hen alleen een schrikkelijke verwachting des oordeels, vers 27. Sommigen menen dat dit slaat op de schrikkelijke verwoesting van de Joodse kerk en staat, maar zeker ziet het ook op de uiterste verwoesting, die alle hardnekkige afvalligen wacht in dood en oordeel, wanneer de Rechter een hitte van verontwaardiging tegen hen zal doen ontbranden, die de tegenstanders zal verslinden, zij zullen verwezen worden naar het verterend vuur, dat niet uitgeblust wordt. Van deze verwoesting geeft God soms aan buitengewone zondaren reeds hier op aarde een vreeslijk voorgevoel in hun geweten, zij zien er vol schrik en ontzetting naar uit met de wetenschap, dat zij de eeuwigheid door het evenmin zullen kunnen verdragen als ontkomen.
3. Door de wijze, waarop de goddelijke gerechtigheid handelde met hen, die de wet van Mozes verachtten, dat is: met voorbedachten rade, onder verachting van haar gezag, bedreigingen en macht, zondigden. Dezen, wanneer hun schuld door twee of drie getuigen bewezen was, werden ter dood gebracht, zij stierven zonder barmhartigheid den tijdelijken dood. Verstandige overheidspersonen moeten zorgvuldig zijn in het ophouden van het gezag hunner regering en wetten door opzettelijke overtreders te straffen, maar dan alleen op deugdelijke bewijzen. Zo verordende God het in de Mozaïsche wet, en hiermede vergelijkt de apostel het zware vonnis, dat geveld zal worden over hen, die van Christus afvallen. Hij vraagt hier aan hun eigen geweten om te beoordelen hoeveel zwaarder straf de verachters van Christus (nadat zij eens beleden hebben Hem te kennen) zullen waardig geacht worden, en zij moeten de grootte van de straf afmeten naar de grootte van de zonde.
A. Zij hebben den Zoon van God vertreden. Een gewoon mens onder den voet vertreden toont onverdraaglijke onbeschaamdheid, een eerwaardig persoon op die lage wijze te behandelen is onduldbaar, maar zo te doen aan den Zoon van God, aan Hem die zelf God is, dat is de hoogst- denkbare belediging. Zijn persoon te vertrappen, ontkennende dat Hij de Messias is, Zijn gezag te vertrappen, Zijn koninkrijk ondermijnende, Zijn leden te vertrappen als het uitschot aller dingen dat het leven niet waard is, welke straf kan voor dien misdadiger groot genoeg zijn!
B. Die het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, dat is: het bloed van Christus, waardoor het testament verworven en bezegeld werd, en waardoor Christus zelf was gewijd. Of: waardoor de afvallige geheiligd was, dat is gedoopt, zichtbaar ingelijfd door den doop in het Nieuwe Verbond en toegelaten tot de tafel des Heeren. Er is een zekere heiliging, waaraan personen kunnen deelhebben die toch afvallen, zij kunnen onderscheiden zijn door gewone gaven van genade, door een uitwendige belijdenis, door een gedaante van godzaligheid, door plichtsvervulling, door een reeks van voorrechten, en toch ten slotte afvallen. Mensen, die vroeger het bloed van Christus schijnbaar in hoge achting hielden, kunnen er toe komen het onrein te achten, niet beter dan het bloed van een kwaaddoener, ofschoon het rantsoen der wereld en elke droppel ervan van onberekenbare waarde was.
C. Die den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan. Den Geest, die genadiglijk den mensen gegeven is en die genade werkt, den Geest der genade, die met de grootste voorzichtigheid beschouwd en behandeld moet worden, dezen Geest hebben zij beledigd, weerstaan, uitgeblust, ja, Hem ten spijt, gedaan wat de hoogste godloosheid is en het geval van die zondaren onherstelbaar maakt, geweigerd van Hem de verlossing door het. Evangelie aan te nemen. Nu laat de apostel hun aller geweten beoordelen, met een beroep op hun rede en gevoel, of zulke misdadigers geen daarmede-overeenstemmende straf verdiend hebben, een zwaarder straf dan zij, die zonder barmhartigheid ter dood gebracht waren. Maar welke straf kan zwaarder zijn dan te sterven zonder barmhartigheid? Ik antwoord: Het is zwaarder te sterven door barmhartigheid, door de barmhartigheid en de genade, die men veracht heeft. Hoe vreeslijk is het wanneer niet alleen de gerechtigheid Gods, maar ook Zijne barmhartigheid en genade om wraak roepen.
4. Door de beschrijving, die wij in de Schrift hebben van Gods wrekende gerechtigheid, vers 30. Wij kennen Hem, die gezegd heeft: Mijne is de wraak! Dit woord is genomen uit Psalm 94:1. De God der wrake! De verschrikkingen des Heeren zijn bekend beide door openbaring en door rede. Wrekende gerechtigheid is een heerlijke, ofschoon vreeslijke, eigenschap Gods, zij behoort Hem toe, Hij zal haar gebruiken en doen losbarsten boven de hoofden der zondaren, die Zijne genade verachten, Hij zal op de afvalligen wreken zich zelven, Zijn Zoon, Zijn Geest en Zijn verbond. En hoe vreeslijk zal dan hun lot zijn! De tweede aanhaling is uit Deuteronomium 32:36. De Heere zal Zijn volk oordelen. Hij zal bezoeken en beproeven Zijn zichtbare kerk, Hij zal ontdekken en aan het licht brengen degenen, die zeggen dat zij Joden zijn en zijn het niet maar een synagoge des Satans, en Hij zal de goeden van de kwaden scheiden, en de zondaren in Zion met de grootste gestrengheid straffen. Zij, die Hem kennen, die gezegd heeft: Mijne is de wraak, Ik zal het vergelden, moeten wel met den apostel komen tot het besluit: Vreeslijk is het te vallen in de handen des levenden Gods. Zij, die de vreugde kennen, welke het gevolg is van de gunst Gods, kunnen daarnaar oordelen over de kracht en verschrikking van Zijn wrekende gerechtigheid. Merk hier op: Wat zal de eeuwige ellende van moedwillige zondaars en afvalligen zijn? Dat zij vallen in de handen des levenden Gods, hun straf overkomt hen uit Gods eigen hand. Hij neemt hen in de hand Zijner gerechtigheid, Hij zelf handelt met hen, hun grootste ellende zal zijn de onmiddellijke indruk van Zijn toorn in hun zielen. Indien Hij hen door schepselen strafte, zou het werktuig iets van het geweld van den slag verminderen, maar wanneer Hij dien met eigen hand toebrengt, is de uitwerking oneindige ellende. Dit zullen zij hebben uit Gods hand, dit zal hen in smart neerwerpen, hun verwoesting gaat uit van Zijn heerlijke, machtige tegenwoordigheid, wanneer zij hun smartelijk bed leggen in de hel zal God ook daar zijn, en Zijne tegenwoordigheid zal hun grootste schrik en pijniging uitmaken. En Hij is de levende God, Hij leeft eeuwig en zal hen ook eeuwig straffen.
5. Hij dringt hen tot volharding door de herinnering aan hun vroeger lijden om Christus' wil. Doch gedenkt der vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lijdens hebt gedragen, vers 32. In de eerste tijden van het Evangelie werd er een zeer hevige vervolging verwekt tegen de belijders van den Christelijken godsdienst, en de gelovige Hebreeën hadden daar hun deel van gehad. Hij wilde hun daarom herinneren:
A. Wanneer zij geleden hadden: In de vorige dagen nadat zij verlicht waren geweest, dat is: zodra God leven in hun ziel gewekt had en het goddelijk licht in hun geest ontstoken had, en hen opgenomen had in Zijn gunst en Zijn verbond, toen aarde en hel al haar krachten tegen hen samenspanden. Merk hier op: De staat van nature is een donkere staat, en zij, die in dien staat voortleven, ondervinden geen stoornis van Satan en de wereld, maar de staat der genade is een staat van licht, en daarom bieden de machten der duisternis dien sterken weerstand. Zij, die godzalig leven willen in Christus Jezus, moeten vervolgingen ondergaan.
B. Wat zij leden: Zij verdroegen veel strijd des lijdens, vele en velerlei droefenissen verenigden zich tegen hen, en zij hadden daar veel strijd onder. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen.
a. Zij werden bedroefd in zich zelven. In hun eigen personen. Zij werden een schouwspel gemaakt, aan alle zijden bekeken, door de wereld, de engelen en de mensen, 1 Corinthiërs 4:9. In hun namen en in het gerucht, dat omtrent hen uitging, vers 33, door velerlei verwijten. Christenen moeten waarde hechten aan hun goeden naam, en vooral wanneer daarbij de goede naam van hun godsdienst betrokken is, en daarom zijn verwijten een bron van grote droefheid. Zij werden bedroefd in hun bezittingen, door de roving hunner goederen, door boeten en verbeurdverklaringen.
b. Zij werden bedroefd door de droefenissen hunner broederen. Ten dele als gij gemeenschap gehad hebt met degenen, die alzo gehandeld werden. De Christelijke geest is een geest van medegevoel, niet van zelfzucht, maar van medelijden. Hij maakt het lijden van iedere Christen tot zijn eigen lijden, geeft ons deernis met anderen, maakt dat wij hen bezoeken, helpen, voorspreken. De Christenen zijn een lichaam, bezield door een geest, gemeenschappelijk delend in een belang en ene zaak, zij zijn allen kinderen van een God, die in al hun droefenissen zelf mede bedroefd is. Als een lid lijdt, lijden alle leden mede. De apostel vermeldt uitdrukkelijk hoe zij met hem medeleden, vers 34. Gij hebt ook over mijne banden medelijden gehad. Wij moeten dankbaar het medelijden erkennen, dat Christelijke vrienden ons in onze droefenissen betonen.
C. Hoe zij hadden geleden. Zij waren onder hun vorige beproevingen machtig ondersteund, zij verdroegen hun lijden geduldig, en dat niet alleen, maar zij hadden het van God aangenomen als een gunst en een eer, hun bewezen, dat zij waardig geacht waren smaadheid te lijden om Christus' wil. God kan Zijn lijdend volk versterken met alle kracht naar den innerlijken mens, met alle lijdzaamheid en lankmoedigheid en dat met blijdschap, Colossenzen 1:11.
D. Wat het was, dat hen alzo in staat stelde om onder hun lijden staande te blijven. Zij wisten in zich zelven dat zij een beter en blijvend goed in de hemelen hadden. Merk op:
a. De gelukzaligheid van de heiligen in de hemelen is iets blijvends, iets van wezenlijke waarde. Alle dingen hier zijn slechts schaduwen.
b. Het is meer blijvend dan iets van al, wat zij hier kunnen verliezen.
c. Het is een beter en blijvend goed, het zal de eeuwigheid verduren, het kan nimmer verloren gaan, geen vijand kan het hun, als de aardse goederen, ontroven.
d. Zij zullen rijke vergoeding ontvangen voor alles, wat zij hier kunnen lijden en verliezen. In den hemel zullen zij hebben een beter leven, een beteren toestand, betere vrijheid, beter gezelschap, betere harten, beter werk, alle dingen beter.
e. Christenen moeten dit in zich zelven weten, zij moeten daarvan de verzekering in zich zelven hebben. De Geest van God getuigt met hunnen geest, want de verzekerde kennis daarvan zal hen helpen om allen strijd en alle droefenis te doorstaan, die zij in deze wereld mochten ontmoeten.
6. Hij dringt bij hen aan op volharding, met het oog op de vergelding, die alle getrouwe Christenen wacht. Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft, vers 35. Merk op:
A. Hij vermaant hen om hun vrijmoedigheid niet weg te werpen, dat is: hun heiligen moed en vrijmoedigheid, maar vast te houden aan de belijdenis, waarvoor zij vroeger zo veel geleden hadden, toen zij het lijden zo wel verdroegen.
B. Hij moedigt hen aan door de verzekering, dat de vergelding van deze heilige vrijmoedigheid zeer groot zal zijn. Zij draagt een tegenwoordige vergelding in zich, in heiligen vrede en vreugde en veel betoning van Gods nabijheid en kracht, en zij zal een grote vergelding des loons hiernamaals hebben.
C. Hij toont hun aan hoe nodig de genade van lijdzaamheid is in hun tegenwoordigen toestand. Want gij hebt lijdzaamheid van node opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen, vers 36, dat is: deze beloofde vergelding. Het grootste deel van het geluk der heiligen bestaat in beloften. Zij moeten eerst den wil van God doen, alvorens zij de beloften ontvangen, en nadat zij den wil van God gedaan hebben, hebben zij lijdzaamheid van node om den tijd af te wachten, waarop de belofte zal vervuld worden, zij hebben lijdzaamheid van node om te leven tot God hen oproept. Het is de beproeving van de lijdzaamheid der Christenen om tevreden te zijn om te leven nadat hun werk verricht is en te wachten op de vergelding tot Gods tijd gekomen is om hun die te geven. Wij moeten Gods wachtende dienstknechten zijn wanneer wij niet langer Zijn werkende dienstknechten zijn kunnen. Zij, die reeds veel lijdzaamheid hebben gehad en geoefend, moeten nog meer bezitten en oefenen tot zij sterven.
D. Om hen in hun lijdzaamheid te helpen, verzekert hij hen van de ophanden zijnde toekomst van Christus om hun de beloning uit te reiken, vers 37 :Want nog een zeer weinig tijds, en Hij, die te komen staat, zal komen en niet vertoeven. Hij zal spoedig tot hen komen in den dood om een einde te maken aan al hun lijden en hun kroon des levens te geven. Hij zal spoedig komen ten oordeel, om een einde te maken aan het lijden van de gehele gemeente, geheel Zijn mystieke lichaam, en haar een overvloedige en heerlijke vergelding te geven op de meest-openlijke wijze. Voor beide is een bestemde tijd, en na dien tijd zal Hij niet vertoeven, Habakuk 2:3. De bedroefdheid der Christenen moge nu zwaar zijn, zij zal spoedig voorbij wezen.
7. Hij dringt bij hen aan op volharding, door hun te zeggen dat die hun onderscheidend kenmerk is en hun gelukzaligheid zijn zal. Daarentegen is afval de smaad en zal zij zijn de verwoesting van allen, die zich daaraan schuldig maken, vers 38-39. Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven, enz.
A. Het is het eervolle kenmerk van de rechtvaardigen, dat zij in tijden van de grootste droefenissen uit het geloof leven kunnen, zij kunnen leven uit de verzekerde overtuiging, die zij hebben van de waarachtigheid van Gods beloften. Het geloof stort hun leven en levenskracht in. Zij kunnen vertrouwen op God, leven uit Hem, Zijn tijd afwachten, en gelijk het geloof hier hun geestelijk leven staande houdt, zo zal het hiernamaals met het eeuwige leven bekroond worden.
B. Afval is het kenteken en het brandmerk van allen in wie God geen behagen heeft, en hij is de oorzaak van Gods gestrenge mishagen en toorn. God was nooit voldaan met de vormelijke belijdenis en uitwendige plichtsbetrachting en dienst van hen, die niet volharden. Hij zag daaronder de huichelarij in hun harten, en Hij wordt grotelijks vertoornd wanneer hun vormelijke godsdienst eindigt in openbaren afval van den godsdienst. Hij ziet dat met groot mishagen, zij zijn een belediging voor Hem.
C. De apostel besluit met de verklaring van zijn goede hope voor hem zelven en voor deze Hebreeën, zij zullen het kenmerk en de gelukzaligheid der rechtvaardigen niet verzaken, en in het oordeel en de ellende der godlozen niet vervallen, vers 39. Maar wij zijn niet enz., dat is: Ik hoop dat wij niet behoren onder degenen, die zich onttrekken. Ik hoop dat gij en ik, die reeds grote beproevingen doorgestaan hebben, en daarin ondersteund zijn door de genade Gods, die ons geloof versterkte, niet te eniger tijd aan ons zelven zullen overgelaten worden, om ons ten verderve terug te trekken, maar dat God ons staande zal houden door Zijn grote kracht, door het geloof ter zaligheid. Merk op: a. Belijders kunnen langen tijd den goeden weg gaan, en eindelijk zich terugtrekken, en dit zich terugtrekken van God is een terugtrekken ten verderve, hoe verder wij ons van God afwenden, des te dichter naderen wij het verderf.
b. Zij, die in tijden van grote beproeving gelovig gehouden zijn, hebben reden om te hopen dat dezelfde genade overvloedig zal zijn om hen te helpen, door het geloof te blijven leven, tot zij het einde van hun geloof en hun lijdzaamheid verkrijgen, namelijk de zaligheid hunner zielen. Indien wij uit het geloof leven en in het geloof sterven, zullen onze zielen voor eeuwig zalig worden.