1 Kronieken 29:10-22
Wij hebben hier:
I. Een plechtig gebed door David opgezonden tot God bij gelegenheid van deze bijdragen van de vorsten voor het bouwen van de tempel vers 10.
Daarom loofde David den HEERE, niet slechts alleen in zijn binnenkamer, maar voor de ogen van de gehele gemeente. Dit verwachtte ik, toen wij lazen in vers 9, dat David zich verblijdde met grote blijdschap, want zo'n Godvruchtig man als hij was, zal ongetwijfeld datgene tot het onderwerp van zijn dankzegging maken, wat hem zozeer stof gaf tot grote blijdschap.
Hij, die om zich heen zag met genot, zal gewis opzien met lof en dankzegging. David was nu oud en beschouwde zich ais zijn einde nabij, en aan bejaarde heiligen, die stervende zijn, betaamt het hun hart te verruimen in dankzegging en lof.
Dit zal hun klagen over zwakheid en gebreken des lichaams tot zwijgen brengen en er toe bijdragen om het vooruitzicht op de dood minder somber te maken.
Davids psalmen in het laatste gedeelte van het boek zijn meestal lofpsalmen. Hoe dichter wij naderen tot de wereld van eeuwigen lof, hoe meer wij de taal moeten spreken en het werk moeten doen van die wereld. In dit gebed:
1. Aanbidt hij God, en schrijft Hem heerlijkheid toe als de God van Israël. Geloofd zijt Gij van eeuwigheid tot in eeuwigheid. Het gebed onzes Heeren eindigt met een lofzegging, ongeveer gelijk aan die waarmee David hier begint, Uwe is het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid. Dit is een behoorlijk loven van God met heilig ontzag en eerbied, en de erkentenis van:
a. Zijn oneindige volmaaktheden, niet alleen dat Hij groot, machtig en heerlijk is, maar dat Zijn is de grootheid, macht en heerlijkheid, dat is: Hij heeft die in en uit zichzelf, Hij is de bron en het middelpunt van alles, wat glansrijk en gezegend is.
Op alles, wat wij Hem in onze meest verheven lof kunnen toeschrijven, heeft Hij een onbetwistbaar recht. Zijn is de grootheid, Zijn grootheid is ontzaglijk en onbegrijpelijk, en alle anderer zijn. klein, zijn niets, in vergelijking met Hem.
Zijn is de macht, en zij is almachtig en onweerstaanbaar, Hem behoort de macht, en al de macht van de schepselen is ontleend aan Hem en van Hem afhankelijk.
Zijn is de heerlijkheid want Zijn heerlijkheid is Zijn eigen doel en het doel van geheel de schepping. Al de heerlijkheid, die wij Hem kunnen geven met ons hart, onze lippen en ons leven, blijft oneindig ver achter bij hetgeen Hem toekomt.
Zijn is de overwinning, Hij overtreft allen en is machtig alles te overwinnen en aan zich te onderwerpen, en Zijn overwinningen zijn onbetwistbaar. En Zijn is de majesteit, werkelijke en persoonlijke, in Hem is ontzaglijke majesteit, onuitsprekelijke en onbegrijpelijke. b. Zijn souvereine heerschappij, als rechtmatige eigenaar en bezitter van alles, alles wat in de hemel en op de aarde is, is Uwe, en ter Uwer beschikking door het onbetwistbare recht van de schepping en als opperste heerser en gebieder van alles. Uwe is het koninkrijk, en alle koningen zijn Uw onderdanen, want Gij zijt hoofd, Gij hebt U verhoogd tot een hoofd boven alles.
c. Zijn algemenen invloed en werking. Allen, die rijk en geëerd zijn onder de kinderen van de mensen, hebben hun rijkdom en eer van God. Hij wilde dat de vorsten nota zouden nemen van deze erkenning en er zich mee zouden verenigen, opdat zij niet zouden denken dat zij door hun milddadigheid iets van God verdiend hadden want van God hadden zij hun rijkdom en eer en wat zij Hem teruggaven was slechts een klein deel van hetgeen zij van Hem hadden ontvangen. Wie groot zijn onder de mensen, zijn door God groot gemaakt, en alle kracht, die wij hebben, hebben wij van God ontvangen, als van de God Israëls, onze Vader, vers 10, , en Psalm 68:36.
2. Hij erkent met dankbaarheid de genade van God, die hen instaatstelt om zo blijmoedig bij te dragen voor de bouw van de tempel, vers 13, 14.
Nu dan, onze God, wij danken U. Hoe meer wij doen voor God, hoe meer wij Hem verschuldigd zijn voor de eer om in Zijn dienst te worden gebruikt, er. voor de genade, die ons instaatstelt om Hem in enigerlei mate te dienen.
"Dankt Hij ook denzelven dienstknecht?" Lukas 17:9. Neen, maar die dienstknecht heeft zeer veel reden om Hem te danken, Hij dankt God voor de macht om vrijwillig te geven. Het is een groot blijk van de macht van Gods genade in ons om instaat te zijn het werk Gods gewillig te doen.
Hij werkt beide het willen en het werken in ons, en het is ten dage van Zijn heirkracht, dat Zijn volk zeer gewillig gemaakt wordt, Psalm 110:3.
Wij moeten Gode al de eer geven van al het goede, dat te eniger tijd door ons of door anderen gedaan wordt. Onze eigen goede werken moeten geen stof opleveren voor onze hoogmoed, noch de goede werken van anderen voor onze vleierij, maar beide moeten het onderwerp zijn van onze lof, want het is voorzeker de grootste eer en het grootste genot ter wereld om God getrouwelijk te dienen.
3. Hij spreekt met grote nederigheid van zichzelf en van zijn volk en van de offeranden die zij Gode gedaan hadden.
A. Wat hemzelf betreft en hen, die zich met hem verenigd hebben, hij verwonder" zich hoewel zij vorsten waren, dat God zulke nota van hen neemt, en zoveel voor hen doet vers 14. Wie ben ik en wat is mijn volk? David was de achtbaarste persoon en Israël het achtbaarste volk, dat er toen in de wereld was, en toch spreekt hij van zichzelf en van hen als onwaardig om door God gekend te zijn onwaardig Zijn gunst. David heeft nu een zeer groot aanzien, een zeer aanzienlijke vergadering presiderende, zijn opvolger aanwijzende, een groot en edelmoedig geschenk brengende voor de eer van God, en toch is hij klein en gering in zijn eigen ogen. Wie ben ik, o Heere? want, vers 15, wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, arme, geringe schepselen. De engelen in de hemel zijn daar tehuis, heiligen op aarde zijn slechts vreemdelingen hier. Onze dagen zijn als een schaduw. In Davids dagen was evenveel substantie als in die van de meeste mensen, want hij was een groot man, een goed man, een nuttig man, en nu een oud man, een die lang leefde, en tot een goed doeleinde leefde, en toch rekent hij zich niet slechts tot hen, maar stelt hij zich in de eerste plaats van hen, die moeten erkennen, dat hun dagen op aarde als een schaduw zijn, wat te kennen geeft dat ons leven een ijdel leven is, een duister leven, een voorbijgaand leven, een leven, dat of in volkomen licht of in volkomen duisternis zijn einde zal hebben.
De volgende woorden verklaren het: daar is geen verwachting. Wij kunnen er niets groots van verwachten, ook niet verwachten dat het van lange duur zal zijn.
Dit wordt hier vermeld als wat, dat ons verbiedt te roemen op de dienst, die wij voor God doen, helaas, hij is beperkt tot een zeer weinig tijd, het is de dienst van een broos en kort leven, hoe kunnen wij dus op verdienste er door aanspraak maken?
B. Wat betreft hun offerande zegt hij: het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand, vers 14, en wederom in vers 16 : dat is van Uw hand, en het is alles Uw.
"Wij hebben het als een vrije gave van U, en daarom zijn wij verplicht het voor U te gebruiken, en wat wij U geven is slechts de rente van het Uwe."
"Evenzo," zegt bisschop Patrick, "behoren wij God te erkennen in al ons geestelijk goed iedere goede gedachte, elk goed voornemen of goed werk, toe te schrijven aan Zijn genade, van wie wij het ontvangen hebben." Die roemt roeme in de Heere.
C. Hij beroept zich op God betreffende zijn oprechtheid in hetgeen hij gedaan heeft, vers 17. Het is voor een Godvruchtig man een grote voldoening, te denken dat God het hart proeft en een welgevallen heeft aan oprechtheden, dat Hij de weg des rechtvaardigen kent en goedkeurt. Het was David tot troost dat God wist met welk een genoegen David het zijne offerde en de offeranden des volks zag. Hij was noch hoogmoedig op zijn eigen goed werk noch afgunstig op het goede werk van anderen.
D. Hij bidt God, beide voor het volk en voor Salomo, dat zij mochten voortgaan zoals zij begonnen zijn. In dit gebed wendt hij zich tot God als de God van Abraham, Izak en Israël, een God in verbond met hen, en om hunnentwil met ons. "Heere, geef ons genade om onze zijde van het verbond na te komen opdat wij er het voorrecht niet van verbeuren.' Of aldus: zij werden door de genade Gods bewaard bij hun oprechtheid, laat dezelfde genade die hun genoeg was, ook ons genoeg zijn
a. Voor het volk bad hij, dat God het goede dat Hij in hun ziel gelegd had, er altijd mocht houden, dat zij nooit slechter mochten wezen dan zij nu waren, nooit de overtuiging mochten verliezen, waaronder zij zich nu bevonden, niet koel mochten worden in hun genegenheid voor het huis van God, maar altijd dezelfde gedachten van de dingen mochten koesteren, die zij er nu van schenen te hebben.
Grote gevolgen hangen af van hetgeen het diepst in de gedachte onzes harten is, van hetgeen wij bedoelen en hetgeen waaraan wij gaarne denken. Indien er enig goed is, dat bezit heeft genomen van ons hart of van het hart van onze vrienden, dan is het goed om het door het gebed in de bewaring te geven van Gods genade, "Heere, bewaar het daar, bewaar het daar voor eeuwig." David had materialen bereid voor de tempel, maar "Heere, bereid Gij hun harten voor zo'n voorrecht". "Bevestig hun voornemen, zij zijn nu in een goede gezindheid, houd hen daarin als ik heengegaan zal zijn, hen en de hunnen tot in eeuwigheid."
b. Voor Salomo bidt hij, vers 19. Geef hem een volkomen hart. Hij had hem bevolen, Hoofdstuk 28:9, God te dienen meteen volkomen hart, en nu bidt hij God hem zo'n hart te geven. Hij bidt niet: "Heere, maak hem een rijk man, een groot man, een geleerd man", maar "Heere, maak hem een eerlijk man", want dat is beter dan alles. "Heere, geef hem een volkomen hart, niet slechts in het algemeen om Uwe geboden te houden, maar in het bijzonder om dit paleis te bouwen, opdat hij die dienst doe met een eenvoudig oog." Maar zijn bouwen van het huis zal nog geen bewijs zijn dat hij een volkomen hart heeft, tenzij hij er een gewetenszaak van maakt om Gods geboden te houden. Het is niet ons helpen om kerken te bouwen dat ons zal behouden, als wij leven in ongehoorzaamheid aan Gods wet.
II. De blijmoedige instemming van deze grote vergadering met deze plechtigheid.
1. Zij verenigden zich met David in de aanbidding Gods. Toen hij zijn gebed gedaan had riep hij hen op om er hun instemming mee te betuigen. Looft nu de Heere, uw God, vers 20, hetgeen zij deden door hun hoofd te neigen, een gebaar van aanbidding. Wie ook de mond van de vergadering is, diegenen alleen hebben er het voorrecht en het voordeel van, die zich met hem verenigen, niet zozeer door het hoofd te buigen, als wel door de ziel op te heffen.
2. Zij betuigen hun eerbied aan de koning, hem beschouwende als het werktuig in Gods hand voor veel goeds voor hen, en in hem te eren, eerden zij God.
3. De volgende dag offerden zij vele offers aan God, vers 21,
zowel brandoffers, die geheel verteerd werden, als dankoffers, waarvan het grootste gedeelte voor de offeraar was.
Hiermede betuigden zij een edelmoedige dankbaarheid aan God voor de goeden staat, waarin hun openbare zaken zich bevonden, hoewel David nu in de weg van de gehele aarde ging.
4. Zij hielden feest, aten en dronken voor het aangezicht des Heeren met grote vreugde, vers 22. Ten teken van hun blijdschap in God en hun gemeenschap met Hem aten zij van hun dankoffers op Godsdienstige wijze voor het aangezicht des Heeren. Zij hielden een feestmaaltijd van hetgeen Gode geofferd was waardoor hun te kennen werd gegeven dat zij om hun milde bijdragen ten diepste van de tempel niet armer zullen worden.
5. Zij maakten Salomo ten tweeden male koning. Daar hij tevoren bij gelegenheid van Adonia's rebellie in haast gezalfd was, achtte men het gepast om het te herhalen, ter meerdere voldoening van het volk. Zij zalfden hem de Heere. Magistraten moeten op zichzelf zien als Gode afgezonderd om Zijn dienaren te zijn, en moeten dienovereenkomstig regeren in de vreze Gods. Ook Zadok werd gezalfd om priester te zijn in de plaats van Abjathar, die nu onlangs deze eer had verbeurd. Zalig zijt gij, o Israël, onder zo'n vorst en zo'n hogepriester.