Jeremia 17:5-11
Een uitnemende leer wordt in deze verzen gepredikt, van betekenis voor ons allen, ze schijnt geen bijzondere betekenis te hebben voor de tegenwoordige toestand van Juda en Jeruzalem. De toespraken des profeten waren niet alle profetisch, enkele golden die tijd zelf. Deze toespraak evenwel, waarvan de Schrift ons waarschijnlijk alleen de hoofdinhoud geeft, was bijzonder geschikt als waarschuwing, in de dagen van de ellende hun vertrouwen niet aan de ijdelheid te geven. Laat ons allen leren, dat wij hierop gewezen worden,
I. Hoe teleurstelling en ergernis zeker het lot wordt van allen, die op het schepsel hopen, wanneer zij in rampen hulp en redding behoeven, vers 5, 6. Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt. God noemt die vervloekt, omdat hij daardoor God ontkent. Vervloekt (dat is ellendig) is de man, die dat doet, want hij leunt op een gebroken rietstaf, dat hem niet alleen in de steek laat, maar bovendien zijn hand doorboort. Zie, de zonde, die hier wordt veroordeeld, is het vertrouwen op een mens. Het is, zijn vertrouwen te stellen op de wijsheid en de macht, de welwillendheid en trouw van mensen, terwijl wij dat vertrouwen alleen op God moeten zetten, terwijl wij, als wij hulp van mensen vragen, hen moeten beschouwen als werktuigen en instrumenten in de hand van de Voorzienigheid. Wij "stellen vlees tot onze arm, de arm, waarmee wij arbeiden en ons doel trachten te bereiken, waarop wij rekenen ter bescherming en verdediging. God is de arm Zijns volks", Jesaja 33:2. Wij moeten van geen schepsel verwachten wat God alleen kan en wil doen. De mens wordt "vlees" genoemd om de dwaasheid aan te tonen dergenen, die op hem vertrouwen, hij is vlees, zwak en krachteloos, zonder beenderen en zenuwen, machteloos in zichzelf. De mens is werkeloos als vlees zonder geest, iets dat dood is. Hij is sterfelijk als vlees, dat spoedig bederft en vergaat. Ja, hij is zelfs vals en zondig, hij heeft zijn gerechtigheid verloren, dat betekent zijn vlees-zijn, Genesis 6:3.
1. Het grote kwaad dat er in deze zonde ligt is, "dat het boze hart uit ongeloof de levenden God heeft verlaten." Wie op de mens vertrouwt, nadert wellicht tot God met de mond en eert Hem met de lippen, hij noemt Hem zijn hoop en zegt op Hem te vertrouwen. Maar hij wantrouwt Hem, veracht Hem en weigert met Hem in gemeenschap te treden. Gebroken bakken te kiezen betekent de fontein te verlaten en wordt niet anders beschouwd.
2. De treurige gevolgen van deze zonde. Wie op de mens vertrouwt, bedriegt zichzelf, want, vers 6, hij zal zijn als de heide in de wildernis, een dorre struik, het voortbrengsel van onvruchtbaren grond, droog, nutteloos, waardeloos, troost zal hem ontvallen en zijn hoop verijdeld worden. Hij zal verflensen, verworpen worden en onder de voet gelopen. Wanneer het goede komt, zal hij het niet gevoelen, hij heeft er geen deel aan. De tijd moge veel helen, maar hem heelt hij niet. Hij zal in de dorre plaatsen in de woestijn blijven, zijn verwachting zal gedurig in rook opgaan, als anderen oogsten, is er voor hem niets te verzamelen. Zij, die op hun eigen gerechtigheid en kracht vertrouwen en menen, dat zij het zonder de genade van Christus wel kunnen stellen, maken vlees tot hun arm. Hun ziel kan van genade en barmhartigheid niet genieten, kan ook geen vruchten voortbrengen, die Gode aangenaam zijn, noch zijn zegeningen als rijpe vrucht oogsten, zij wonen in een dor land.
II. De overvloeiende verkwikking voor hen, die op God hun betrouwen stellen, die door het geloof leven, die steunen op Zijn voorzienigheid en beloften, die zich op Hem en Zijn leiding in alle omstandigheden verlaten en gerust zijn in Hem en Zijn liefde, ook in storm en onweder, vers 7, 8. Merk op
1. Wat God van ons eist, is "op Hem te vertrouwen," om Hem te gehoorzamen en ons daarin te dragen. Wanneer schepselen of wederwaardigheden ons misleiden of bedriegen, of vals of boos tegen ons zijn, dan moeten wij ons aan God toevertrouwen, die almachtig is beide om aan te vullen wat mensen ons doen verliezen, en ons te beschermen tegen onze vijanden. Het is: "Op Hem ons vertrouwen stellen, op Zijn gunst te hopen, en op Zijn kracht te steunen."
2. De troost, die het volbrengen van onze plicht meebrengt. Wie zo doet zal zijn "als een boom, geplant bij waterbeken, een uitgelezen boom, die met grote zorg in de besten grond gepoot is, ver van de heide in de wildernis. Hij zal zijn gelijk een boom, die zijn wortelen uitschiet, en daardoor stevig bevestigd wordt, uitschiet aan een rivier, uit welke overvloedig sappen opstijgen, waardoor zowel de versterking als de troost bedoeld wordt, die zij genieten, werker vertrouwen de Heere God is". Zij hebben vrede, blijdschap en gestadige zekerheid en rust. Een boom, dus geplant en natgemaakt, zal de meest verschroeiende zomerhitte doorstaan, er zal immer vocht genoeg zijn om hem tegen droogte te bewaren. Zij, wier vertrouwen de Heere is:
a. Zullen groeien en bloeien en vruchten dragen als een "altijd groene boom, welks blad niet afvalt, zij zullen voor zichzelf vrolijk en aangenaam in de ogen van anderen zijn". Wie God dus eert, door op Hem te betrouwen, zal zelf geëerd worden en een sieraad en vermaak zijn voor zijn woonplaats, gelijk een groene boom.
b. Innerlijke vrede en voldoening zal hun geschonken worden: "in een jaar van droogte zijn zij niet bezorgd, als de regen uitblijft, want de boom houdt niet op van vrucht te dragen, hij heeft zijn eigen sappen." Zij, wier vertrouwen de Heere is, vinden in Hem alles, wat het schepsel hun onthoudt. Wij behoeven ons niet om de gebroken bakken te bekommeren, zolang we de levende bron hebben.
c. Zij zullen vruchten van heiligheid en alle goed werk dragen. Zij, die op God vertrouwen en door het geloof kracht en genade van Hem ontvangen, "zullen niet ophouden, vrucht te dragen," Zij zullen bekwaam gemaakt worden om datgene te doen, wat God verheerlijkt, anderen ten zegen gedijt en hen zelf verkwikt.
III. Des mensen zondig hart en het goddelijk oog, dat er voortdurend acht op geeft, vers 9, 10. Het is dwaasheid op de mens te vertrouwen, want die is niet alleen zwak, maar bovendien vals en bedrieglijk. Wij menen spoedig, op God te vertrouwen en recht te hebben op de zegeningen, aan hen beloofd, die aldus handelen. Maar ons hart is arglistig. Wij menen, op God te vertrouwen, wanneer wij het toch eigenlijk niet doen, hetgeen blijkt uit het gestadig wijzen en dalen van onze hope en vreze, naar de omstandigheden gunstig of ongunstig zijn.
1. Dit is in het algemeen waar.
a. Er is goddeloosheid in ons hart, die wij zelf niet gewaar worden noch vermoeden. Ja, het is een algemeen gebrek onder de kinderen van de mensen, zichzelf, ten minste hun eigen hart, voor veel beter te houden dan in werkelijkheid is. "Het hart, de consciëntie des mensen, is zijn bedorven en gevallen toestand, is arglistig meer dan enig ding. Het is listig en vals, het is geneigd om een ander de voet te lichten (dat beduidt het woord eigenlijk), daarnaar werd Jacob genoemd, voetlichten" Het noemt goed kwaad en kwaad goed, geeft de dingen een valse kleur en roept van vrede waar geen vrede is. Wanneer mensen zeggen in hun hart (dat is, hun hart zo laten fluisteren), dat er geen God is, of dat Hij niets ziet of niets eist, of dat zij vrede zullen hebben in die weg, dan en in duizend andere gedachten is het hart arglistig. Het bedriegt de mensen tot hun eigen verderf, en dit maakt het erger, dat zij "zichzelf bedriegen en verderven. Hierin is het hart dodelijk." Het is een treurige toestand, diep-droevig en onherstelbaar, de consciëntie, die de zonden moest aanwijzen en tot bekering prikkelen, is zelf een moeder van valsheid en bedrog. Wat moet er van de mens worden, als "de kaars des Heeren zelf een vals licht geeft, als Gods gezant in zijn binnenste, die zijn belang moest ter harte nemen, hem verraadt?" Zo groot is de arglistigheid des harten, dat wij terecht mogen vragen: "Wie zal het kennen?" Wie kan beschrijven hoe boos het hart is? Wij kunnen ons eigen hart niet kennen, niet weten wat wij in het uur van de verzoeking zullen doen (Hizkia wist het niet en Petrus evenmin), wij verstaan niet welke boze aanleg daarin schuilt noch in hoevelerlei opzicht het verkeerd aangelegd is, wie kan de afdwalingen verstaan? Veel minder kennen wij het hart van anderen of kunnen wij er op vertrouwen. Maar,
b. welke goddeloosheid er ook in ons hart sluimert, God weet en ziet het, is er volkomen mee bekend en doorgrondt het. "Ik, de Heere, doorgrond het hart." Dat geldt van al wat in het hart is, alle gedachten, ook de geheimste, die wij zelf nauwelijks bewust worden, alle bedoelingen, ook de verborgenste, die niemand anders ook maar veronderstellen kan. Maar, kan de mens bedrogen worden, God niet, Hij doorschouwt ons hart met Zijn aldoordringend oog, Hij proeft de nieren, Hij oordeelt wat Hij ziet en noemt alles bij de ware naam. Hij beproeft het, gelijk goud beproefd wordt, gelijk een beschuldigde voor de rechtbank. En dit oordeel over ons hart wordt de grondslag van Zijn oordeel over onze persoon, "Hij geeft een ieder naar zijn wegen, naar een ieder door zijn denken en doen verdient, het leven hun, die de weg des levens bewandelen, de dood dengenen, die op wegen des doods blijven volharden naar de vrucht hunner handelingen, naar de invloed, die zij op anderen uitoefenden, volgens de uitspraken van Gods Woord zegeningen aan de gehoorzamen, vloek over de ongehoorzame". Zie, daarom "is God zelf Rechter Hij alleen, omdat Hij en niemand anders het hart van de kinderen van de mensen kent."
2. Het is waar in het bijzonder van alle arglistigheid en goddeloosheid des harten, van al zijn boze raadslagen, begeerten en plannen. God ziet ze en kent ze, en (wat geen mens ooit kan doen.) Hij oordeelt iedere daad naar het hart.
Merk op, dat God meer kwaad van ons weet dan wij zelf, reden waarom wij onszelf niet moeten vleien, maar altijd ontzag hebben voor Gods oordeel.
IV. De vloek, die rust op wat de mens onrechtmatig heeft verkregen. Bedrog en geweld waren publieke zonden in Juda en Jeruzalem, de profeet wil, dat zij, die daaraan schuldig stonden en van het hun beroofd werden, hun zonde in hun straf zouden lezen, vers 11 :Hij, die rijkdom vergadert, maar niet met recht, al vertrouwt hij daarop, zal er nooit van genieten. Zie, wie op onrechtvaardige wijze goed verwerven, zullen er mogelijk een tijd lang voorspoed mee hebben, en daarin vinden anderen aanleiding om insgelijks zo te handelen. Wie rijkdom verzamelt door ijdelheid en een leugenachtige tong, moge zich vermeien in zijn succes en zeggen: "Ik ben rijk, en zich zelfs onschuldig noemen, Hoz. 12:8, maar hij zal die moeten verlaten in de helft van zijn dagen, zijn rijkdom wordt hem ontnomen of hij van zijn rijkdom weggerukt". God zal hem afsnijden, eer hij zulks verwacht, wanneer hij zegt: "Ziet gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren," Lukas 12:19, 20. Hij zal ze nalaten aan hij weet niet wie, en zal niet vermogen, iets van die goederen mee te nemen. Het doet ons zien welk een smart het is voor de rijke, als hij bij zijn sterven zijn goed moet achterlaten, en te groter schrik zal het voor hen zijn, die hun rijkdom onrechtvaardig hebben verkregen. De rijkdom blijft achter, maar de schuld gaat mee naar een andere wereld en de pijniging van een herinnering als deze: "Zoon, gedenk", Lukas 16:25. "Zo zal hij tenslotte een dwaas, een Nabal zijn, wiens schatten, zo moeizaam opgehoopt, hem geen nut deden, toen zijn hart als een steen werd," 1 Samuël 25:37. Hij was al door een dwaas geweest, wellicht heeft zijn consciëntie het hem nu en dan verweten, maar bij zijn einde bleek het duidelijk. Dat zijn inderdaad dwazen, die het tot hun einde toe zijn, en menigeen wordt als een wijze toegejuicht, die eindelijk blijkt zichzelf goed gedaan te hebben, Psalm 49:12, 19. Wie genade ontvangt, zal in zijn einde wijs zijn, zal er door getroost worden, als hij sterft, en in de eeuwigheid er vrucht van plukken, Spreuken 19:20. Maar wie hun geluk zoeken in de schatten van deze wereld en op eerlijke of oneerlijke manier rijk worden, zullen hun dwaasheid betreuren, wanneer het te laat zal zijn, hun noodlottigen misslag goed te maken. "Het is gelijk een veldhoen, dat eieren vergadert maar broedt ze niet uit, ze worden gebroken Job 39:18, of gestolen, Jesaja 10:14, of bedorven". Een soort vogel was de Joden bekend, waarmee dit gewoonlijk het geval was. De rijke geeft zich zeer veel moeite om schatten te vergaderen, maar voldoening of zegen verwerft hij zich daardoor niet, zijn plannen om zich op onrechtmatige wijze te verrijken, mislukken of lopen op niets uit. Laat ons daarom in tijds wijs zijn, eerlijk zijn in onze handel, milddadig met wat wij hebben, opdat wij ons voor de eeuwigheid een goeden schat vergaderen en wijs zijn tot zaligheid.