Psalm 118:19-29
Wij hebben hier een treffende profetie van de vernedering en verhoging van onze Heere Jezus, van Zijn lijden, en de heerlijkheid daarna volgende. Petrus heeft dit aldus op de overpriesters en schriftgeleerden toegepast, en niemand hunner kon hem beschuldigen van het verkeerd toe te passen, Handelingen 4:11. Merk hier nu op:
I. De woorden, waarmee deze kostelijke profetie ingeleid wordt, vers 19-21.
1. De psalmist begeert toegang tot Gods heiligdom, om er de heerlijkheid te bezingen van Hem, die komt in de naam des Heeren. Doet mij de poorten van de gerechtigheid open. Zo werden de poorten des tempels genoemd, omdat zij gesloten waren voor de onbesnedenen en het de vreemdeling verboden was er toe te naderen, daar de offeranden, die er geofferd werden, offeranden der gerechtigheid genoemd werden. Zij, die in gemeenschap met God wensen te komen in heilige inzettingen, moeten God nederig om toegang verzoeken. En als de poorten van de gerechtigheid ons geopend zijn, dan moeten wij daardoor ingaan, moeten, in zoverre het ons geoorloofd is, het heilige der heiligen binnengaan, en de Heere loven. Wat wij binnen de poorten Gods te doen hebben, is God te loven, wij moeten dus verlangen dat de poorten des hemels ons geopend zullen worden, opdat wij ingaan zullen en wonen in Gods huis hierboven, waar wij Hem steeds zullen loven.
2. Hij ziet zich de toegang vergund, vers 20. Dit is de poort des Heeren, de poort die Hij verordineerd heeft, door welke de rechtvaardigen zullen ingaan, alsof Hij zei: "De poort, aan welke gij geklopt hebt, is geopend, en gij zijt welkom. Klop en u zal opengedaan worden." Sommigen zien in deze poort Christus, door wie wij in gemeenschap worden opgenomen met God en onze lof wordt aangenomen. Hij is de weg, er is geen komen tot de Vader dan door Hem, Johannes 14:6. Hij is de deur van de schapen, Johannes 10:9, Hij is de poort des tempels, door wie, en door wie alleen, de rechtvaardigen, en deze alleen, zullen ingaan en komen tot Gods gerechtigheid, zoals de uitdrukking is Psalm 69:28. De psalmist juicht in de ontdekking dat de poort van de gerechtigheid, die zo lang gesloten was en waaraan zo lang geklopt is geworden, nu eindelijk geopend is.
3. Hij belooft dankzegging te doen aan God voor deze gunst, vers 21. Ik zal U loven. Zij die Christus dag op zo'n grote afstand gezien hebben, vonden reden om God te loven voor dit vooruitzicht, want in Hem zagen zij dat God hen had gehoord, de gebeden had gehoord van de Oud-Testamentische heiligen om de komst van de Messias, die hun heil zou wezen.
II. De profetie zelf, vers 22, 23. Dit kan betrekking hebben op Davids verhoging, hij was de steen, die Saul en zijn hovelingen hadden verworpen, maar door de wondervolle voorzienigheid Gods was hij tot de hoeksteen van het gebouw gemaakt. Maar het ziet voornamelijk op Christus, en hier hebben wij:
1. Zijn vernedering. Hij is de steen, die de bouwlieden verworpen hebben, Hij is "de steen die zonder hand van de berg werd afgehouwen" Daniël 2:34. Hij is een steen, niet alleen vanwege kracht en vastheid en duurzaamheid maar ook voor leven in het gebouw van de geestelijke tempel, en "een dierbare kostelijke steen," 1 Petrus 2:6, want het fundament van de Evangeliekerk moet van saffieren zijn, Jesaja 54:11. Deze steen werd verworpen door de bouwlieden, door de oversten en het volk van de Joden, Handelingen 4:8, 10, 11. Zij weigerden Hem te erkennen als de steen, de beloofde Messias, zij wilden hun geloof niet op Hem bouwen, zich niet bij Hem voegen, zij wilden geen gebruik van Hem maken, maar gingen voort te bouwen zonder Hem, zij hebben Hem "verloochend voor het aangezicht van Pilatus," Handelingen 3:13, toen zij zeiden: "Wij hebben geen koning dan de keizer". Zij vertraden deze steen, wierpen hem onder het puin en afval van de stad, ja zij struikelden er over. Dit was een smaad voor Christus, maar het bleek het verderf te zijn van hen, die Hem alzo licht geacht hebben. De verwerpers van Christus worden verworpen door God.
2. Zijn verhoging. Hij is tot een hoofd des hoeks geworden, Hij is bevorderd tot de hoogste trap beide van eer en van nuttigheid om boven allen en alles in allen te zijn. Hij is de hoofdsteen in het fundament, waarin Jood en heiden verenigd zijn, om een heilig huis op te bouwen. Hij is de voornaamste hoeksteen, waarin het gebouw voltooid is, en die in allen de eerste moet zijn, als de overste leidsman en voleinder onzes geloofs. Zo uitermate heeft God hem verhoogd, omdat Hij zichzelf vernederd heeft, en wij moeten Hem in overeenstemming met Gods bedoeling tot de grond maken van onze hoop, het middelpunt van onze eenheid en het doel van ons leven. Het leven is mij Christus.
3. De hand van God in dit alles. Dit is van de Heere geschied, het is Van de Heere, het is het voortbrengsel van Zijn raad, beide de vernedering en de verhoging van de Heere Jezus, waren Zijn doen, Handelingen 2:23, 4:27,28. Hij zond Hem, verzegelde Hem, Zijn hand ging met Hem door geheel Zijn onderneming, en van het begin tot het einde heeft Hij Zijns Vaders wil gedaan, en dit behoort wonderlijk te zijn in onze ogen. Christus naam is Wonderlijk en de verlossing, die Hij gewrocht heeft, is het verbazingwekkendere van alle Gods wonderwerken. Het is hetgeen de engelen begerig zijn in te zien, en dat zij tot in alle eeuwigheid zullen bewonderen, veel meer nog behoren wij het te bewonderen, die er alles aan verschuldigd zijn. Buiten alle twijfel, de verborgenheid van de Godzaligheid is groot.
III. De blijdschap, waarmee deze profetie ontvangen is, en het gejuich, waarmee zij bekend gemaakt werd.
1. Laat de dag met grote blijdschap tot eer van God worden gevierd, vers 24. Dit is de dag, die de Heere gemaakt heeft. De gehele tijd van de Evangeliebedeling, deze welaangename tijd, deze dag des heils, is wat de Heere hem gemaakt heeft, het is een voortdurend feest, dat met blijdschap gevierd moet worden. Of het kan zeer gevoegelijk verstaan worden van de Christelijke sabbat, die wij heiligen ter gedachtenis aan Christus' opstanding, toen de verworpen steen begon verhoogd te worden. En zo:
a. Is hier de leer van de Christelijken sabbat: het is de dag, die de Heere gemaakt heeft, merkwaardig heeft gemaakt, heilig heeft gemaakt, onderscheiden heeft van andere dagen gemaakt heeft voor de mens, daarom wordt hij de dag des Heeren genoemd, want hij draagt Zijn beeld en opschrift.
b. De plicht van de sabbat, het werk van de dag, dat het gedaan moet worden op zijn dag: laat ons op hem ons verheugen en verblijd zijn, niet alleen in de inzetting van de dag, dat er zo'n dag ingesteld is, maar in de aanleiding ervan dat Christus tot een hoofd des hoeks is geworden. Daar behoren we ons in te verblijden beide als Zijn eer en ons voordeel. Sabbatdagen moeten dagen van verheuging zijn, en dan zijn zij ons als dagen des hemels. Zie welk een goede meester wij dienen, die, een dag ingesteld hebbende voor Zijn dienst, bepaalt dat hij in heilige vreugde doorgebracht moet worden.
2. Laat ons de verhoogde Verlosser ontmoeten met blijde hosanna's, vers 25, 26.
A. Laat Hem de toejuichingen hebben des volks, zoals dit gebruikelijk is bij de inhuldiging van een vorst. Laat iedereen van Zijn trouwe onderdanen juichen van vreugde. Och Heere, geef nu heil. Dit is als Vivat Rex Leve de koning en duidt op hartelijke vreugde wegens zijn komst op de troon, een algehele voldoening over Zijn regering en een ijvervolle genegenheid voor haar eer en haar belangen. Hosanna betekent Behoud nu.
a. "Heere, ik bid U, behoud me, laat deze Zaligmaker mijn Zaligmaker zijn, en te dien einde mijn regeerder, laat mij onder Zijn bescherming worden genomen en erkend als een van Zijn gewillige onderdanen. Zijn vijanden zijn mijne vijanden, Heere, ik smeek U, behoud, red mij van hen. Doe mij delen in de voorspoed die Zijn koninkrijk met zich brengt voor hen die het aannemen. Laat mijn ziel gezond zijn en welvaren in de vrede en de gerechtigheid, die Zijn regering met zich brengt, Psalm 72:3. Laat mij de overwinning behalen over de lusten, die krijg voeren tegen mijne ziel, en laat de Goddelijke genade voortgaan in mijn hart, overwinnende en opdat zij overwonne."
b. "Heere, ik bid U, bewaar Hem, de Zaligmaker zelf, zend Hem voorspoed in al Zijn ondernemingen, geef voorspoed aan Zijn Evangelie, en laat het krachtig zijn door God tot nederwerping van de sterkten, en om de zielen tot haar trouw aan Hem te brengen. Laat Zijn naam geheiligd worden, Zijn koninkrijk komen, Zijn wil geschieden", laat er aldus geduriglijk voor Hem worden gebeden, Psalm 72:15. Als wij op de dag des Heeren blij zijn en ons verheugen in Zijn koninkrijk, dan moeten wij bidden dat het al meer en meer zal worden bevorderd en worden bevestigd op de puinhopen van het rijk des duivels. Toen Christus Zijn openbare intocht deed in Jeruzalem, werd Hij aldus begroet door hen, die het goede voor Hem wensten, Mattheus 21:9. Hosanna de Zone Davids, leve koning Jezus, Hij heerse en regere tot in eeuwigheid.
B. Laat de priesters, de dienaren des Heeren, het hunne doen in deze grote plechtigheid, vers 26..
a. Laat hen de vorst zegenen met hun lof. Gezegend zij hij, die daar komt in de naam des Heeren. Jezus Christus is Hij, die komt, "ho erchomenos," Hij die komen zou en zal wederkomen, Openbaring 1:8. Hij komt in de naam des Heeren met een opdracht van Hem, om voor Hem te handelen, Zijn wil te doen en Zijn eer te zoeken, en daarom moeten wij zeggen: Gezegend zij Hij, die komt, wij moeten ons er in verblijden dat Hij gekomen is, wij moeten goed van Hem spreken, Hem bewonderen, Hem hogelijk eren en achten als een, aan wie wij eeuwige verplichting hebben, Hem de gezegende Jezus noemen, gezegend tot in eeuwigheid, Psalm 45:3. Wij moeten Hem welkom heten in ons hart, zeggende, "Kom in, Gij gezegende des Heeren, kom in door Uwe genade en Uw Geest en neem bezit van mij als Uw eigendom." Wij moeten Zijn getrouwe dienstknechten zegenen, die komen in Zijn naam en hen ontvangen om Zijnentwil, Jesaja 52:7, Johannes 13:20. Wij moeten bidden voor de uitbreiding en stichting van Zijn kerk, voor het rijpen van de dingen voor Zijn wederkomst, en dan, dat Hij, die gezegd heeft: Ja, Ik kom haastelijk, alzo zal komen. b. Laat hen het volk zegenen met hun gebeden, Wij zegenen ulieden uit het huis des Heeren. Christus dienstknechten zijn niet slechts gevolmachtigd, maar aangesteld om in Zijn naam een zegen uit te spreken over al Zijn trouwe onderdanen, die Hem en Zijn regering in oprechtheid liefhebben, Efeziers 6:24. Wij verzekeren u dat ge in en door Jezus Christus gezegend zijt, want Hij is gekomen om u te zegenen.
Gij zijt "gezegend uit het huis des Heeren met geestelijke zegeningen in de hemel," Efeziers 1:3, en daarom hebt gij reden om Hem te zegenen, die u aldus gezegend heeft.
3. Laat dankoffers geofferd worden tot Zijn eer, die voor ons het grote zoenoffer geofferd heeft, vers 27. Hier is:
a. Het voorrecht, dat wij hebben door Jezus Christus, de Heere is God, die ons licht gegeven heeft. God is Jehovah, is bekend bij die naam, een God, die volbrengt wat Hij heeft beloofd en voleindt wat Hij heeft begonnen. Hij heeft ons licht gegeven, Hij heeft ons de kennis gegeven van zichzelf en van Zijn wil, Hij heeft ons beschenen aldus sommigen, het licht Zijns aangezichts over ons verheven, Hij heeft ons aanleiding gegeven tot blijdschap en verheuging, hetgeen licht is voor de ziel, door ons het vooruitzicht te geven op eeuwig licht in de hemel.
b. De plicht, die door dit voorrecht wordt geëist: Bindt het feestoffer met touwen, opdat, als het geslacht is, het bloed ervan op de hoornen des altaars gesprengd worde volgens het voorschrift van de wet. Of misschien was het de gewoonte hoewel wij daar nergens elders van lezen om het offer aan de hoornen des altaars te binden, terwijl de dingen in gereedheid werden gebracht om het te slachten. Of dit kan hier een bijzondere betekenis hebben: het offer, dat wij Gode moeten offeren uit dankbaarheid voor verlossende liefde, bestaat in onszelf, niet om geslacht te worden op het altaar, maar om "levende offeranden" te zijn, Romeinen 12:1, om gebonden te worden aan het altaar, als geestelijke offeranden van gebed en lofzegging, waarin ons hart vast verbonden moet zijn, zoals het offer met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden was, om niet terug te deinzen.
Eindelijk. De psalmist besluit met zijn eigen dankerkentenis voor de Goddelijke genade, en hij roept anderen op, om er zich met hem in te verenigen, vers 28, 29..
a. Hij zal zelf God loven en er naar streven om Hem te verhogen in zijn hart en in het hart van anderen, en dat wel om zijn verbondsbetrekking tot Hem en zijn deel aan Hem. "Gij zijt mijn God, op wie ik steun en aan wie ik toegewijd ben, die mij erkent en die door mij erkend wordt, daarom zal ik U loven."
b. Hij wil dat allen, die om hem heen zijn, God zullen danken voor de verkondiging van deze grote blijdschap voor al het volk, dat er een Verlosser is, namelijk Christus de Heere. Het is in Hem, dat God goed is voor de mens en dat Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is, in Hem is het verbond van de genade gemaakt, en in Hem is het bevestigd en tot een eeuwig verbond gemaakt. Hij eindigt deze psalm zoals hij hem is begonnen, vers 1, want Gods heerlijkheid moet de alfa en de omega, het begin en het einde zijn van al onze gebeden tot Hem, van alles wat wij tot Hem zeggen en van Hem vragen. Uw naam worde geheiligd, en Uwer is de heerlijkheid. En dit besluit gevoegelijk een profetie van Christus. De engelen doen dankzegging voor de verlossing van de mens. "Ere zij God in de hoogste hemelen," Lukas 2:14, want er is "vrede op aarde," waarop wij moeten antwoorden met onze hosanna's zoals zij het gedaan hebben, Lukas 19:38. Vrede zij in de hemel jegens ons door Christus, en daarom: heerlijkheid in de hoogste plaatsen.