Psalm 69:23-30
Deze verwensingen zijn niet Davids gebeden tegen zijn vijanden, maar profetieën van de verwoesting, die over de vervolgers van Christus komen zullen, inzonderheid over de Joodse natie, die onze Heiland zelf met tranen voorzegd heeft, welke voorzegging omstreeks veertig jaren na de dood van Christus vervuld is geworden. De eerste twee verzen van deze paragraaf zijn door de apostel uitdrukkelijk toegepast op de oordelen Gods over de ongelovige Joden, Romeinen 11:9, 10, en daarom moet ook het geheel er op zien. Gelijk de verwerping van de Joden om hun verwerping van Christus een treffend voorbeeld was van Gods gerechtigheid en een voorproef van de wraak, die God ten laatste zal oefenen aan allen, die in hun ongeloof volharden, zo was het en blijft het een overtuigend bewijs van de waarheid van de Christelijke godsdienst. Een grote tegenwerping er tegen in de beginne was, dat hij de ceremoniële wet ter zijde gesteld heeft maar dit werd ten volle gerechtvaardigd, en die tegenwerping volkomen teniet gedaan, toen God haar op zo merkwaardige wijze ter zijde gesteld heeft door de algehele verwoesting van de tempel, en het verderf van hen, die hardnekkig aan de Mozaïsche bedeling vasthielden, in tegenstand van het Evangelie van Christus.
Laat ons hier opmerken:.
I. Welke oordelen het zijn, die over de kruisigers van Christus komen zullen, niet over hen allen, want er waren van de zodanigen die de hand hebben gehad in Zijn dood, maar berouw hebben gehad, tot bekering zijn gekomen, en genade hebben gevonden, Handelingen 2:23, 3:14, 15 meer over diegenen van hen en over hun opvolgers, die hardnekkig in hun ongeloof volhardden, het Evangelie bleven verwerpen, en een onverzoenlijke vijandschap koesterden tegen Zijn discipelen en volgelingen. Zie 1 Thessalonicenzen 2:15, 16. Hier is voorzegd:
1. Dat hun offeranden hun tot kwaad en nadeel zullen strekken, vers 23. Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik. Het altaar des Heeren, dat Zijn en hun tafel wordt genoemd, omdat zij in hun feestmaal op de offeranden, deelgenoten waren van het altaar. Dit zou tot hun welvaren en vrede gestrekt hebben, omdat het dankoffers waren, maar het werd hun tot een strik, want door hun genegenheid voor en hun aankleven van het altaar, werden zij vastgehouden in hun ongeloof en verhard in hun vooroordelen tegen Christus, het altaar, waarvan diegenen geen recht hadden te eten, die de tabernakel bleven dienen, Hebreeën 13:10.
2. Of, het kan verstaan worden van de gewone aangenaamheden des levens, ja zelfs van hun noodzakelijk voedsel, zij hadden Christus gal en edik te drinken gegeven, en daarom zullen hun spijs en hun drank rechtvaardiglijk tot gal en edik voor hen gemaakt worden. Als door de verdorvenheid van onze natuur het levensonderhoud en zingenot een aanleiding voor ons worden om te zondigen, tot het voedsel en de brandstof van onze zinnelijkheid gemaakt worden, dan is onze tafel een strik, hetgeen een goede reden is, waarom wij ons nooit moeten voeden zonder vrees, Judas: 12.2. Dat zij nooit de vertroosting zullen hebben van de kennis of de vrede, waarmee de gelovigen in het Evangelie van Christus gezegend zijn, vers 24. Dat zij overgegeven zullen worden:
a. Aan gerechtelijke blindheid Laat hun ogen duister worden, zodat zij de heerlijkheid Gods niet zien in het aangezicht van Christus. Hun zonde was dat zij niet wilden zien, maar hun ogen sloten voor het licht, daar zij de duisternis liever hadden, hun straf was dat zij niet zouden zien, maar overgegeven zouden worden aan de begeerlijkheid van hun hart, dat zich verhardde, en dat aan de god van deze wereld zou toegelaten worden om hun zinnen te verblinden, 2 Corinthiers 4:4. Dit was van hen voorzegd, Jesaja 6:10, en Christus heeft het bekrachtigd, Mattheus 13:14, 15, Johannes 12:40.
b. Aan een gerechtelijke vrees. Er is een godvruchtige vrees, die de weg baant tot vertroosting, zoals die van Paulus, Handelingen 9:6, hij beefde en was verbaasd, maar dit is een vreze die nooit eindigen zal in vrede, maar hun lenden gedurig zal doen waggelen vanwege de angst van hun geweten, zoals Belsazar, toen de banden van zijn lenden los werden. Laat hen tot wanhoop gedreven worden voortdurend vol zijn van ontsteltenis. Dit is vervuld geworden in de wanhopige raadslagen van de Joden, toen zij door de Romeinen werden aangevallen.
3. Dat zij zullen vallen, en onder Gods gramschap en de hittigheid van Zijn toorn zullen liggen, vers 25. Stort Uw gramschap over hen uit. Zij, die Gods grote zaligheid, welke hun was aangeboden, verwerpen, kunnen terecht vrezen dat Zijn gramschap over hen zal worden uitgestort, want zij, die de Zoon van Zijn liefde verwerpen, zullen gewis tot het geslacht van Zijn verbolgenheid gemaakt worden. Het is het oordeel, uitgesproken over hen, die niet in Christus geloven, dat "de toorn Gods op hen blijft," Johannes 3:36. Hij zal hen aangrijpen en hen nooit loslaten. De verlossing zelf zal hen niet verlossen, die niet willen dat Christus koning over hen zij. Zie de goedertierenheid en de strengheid van God!
4. Dat hun plaats en hun volk ten enenmale weggenomen zullen worden, dezelfde zaak weer zij voor vreesden, en, om welke te voorkomen, naar zij voorgaven, zij Christus vervolgd hebben, Johannes 11:48. Vers 26 :Hun paleis zij verwoest, hetgeen vervuld werd toen hun land verwoest werd door de Romeinen, en om "hunnentwil Sion als een akker geploegd werd" Micha 3:12. De tempel was het huis, waarop zij zeer bijzonder trots waren, maar dit "werd hun woest gelaten," Mattheus 23:38. Maar dit is nog niet alles: het behoort ons tot voldoening te strekken dat, zo ons het genot van onze bezitting ontnomen is, anderen er toch het voordeel van zullen hebben, maar er wordt hier bijgevoegd: in hun tenten zij geen inwoner, hetgeen op merkwaardige wijze vervuld werd in Juda en in Jeruzalem, want nadat het verderf over de Joden was gekomen, heeft het lang geduurd eer het land met goed gevolg bewoond werd. Maar dit wordt door Petrus zeer bijzonder toegepast op Judas, Handelingen 1:20. Want daar hij een zelfmoordenaar was, kunnen wij veronderstellen, dat zijn bezitting verbeurd werd verklaard, zodat zijn woonstede woest werd, en niemand uit zijn eigen bloedverwanten, er in woonde
5. Dat hun weg van het verderf bergafwaarts zal gaan, en niets hen zou tegenhouden, niets of niemand tussenbeiden zou komen om hun verderf te voorkomen, vers 28 :"Heere, laat hen aan henzelf over, om misdaad tot misdaad toe te doen." Zij, die slecht zijn als zij aan de begeerte van hun harten worden overgegeven, zullen gewis nog slechter worden, zij zullen zonde tot zonde toedoen, ja zij zullen "tot hun zonde nog rebellie toedoen", Job 34:37. Van de Joden wordt gezegd dat zij "te allen tijd hun zonden vervulden," 1 Thessalonicenzen 2:16. "Voeg de straf van hun ongerechtigheid tot hun ongerechtigheid," zo lezen het sommigen, want hetzelfde woord betekent beide zonde en straf, zo innig is het verband er tussen. Als de mensen willen zondigen, zal God er afrekening voor houden. Maar zij, die vermenigvuldigd hebben te zondigen, kunnen nog genade vinden, want God vermenigvuldigt de vergeving door de gerechtigheid van de Middelaar, en daarom voegt hij er hij, opdat zij buitengesloten zouden zijn van alle hoop op genade: "laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid," om het voordeel te genieten van de gerechtigheid Gods, welke is door het geloof in een Middelaar Filipp. 3:9. Niet dat God iemand buitensluit van die gerechtigheid, want het Evangelie sluit niemand buiten, die niet zichzelf buitensluiten door hun ongeloof, maar laat hen overgelaten worden aan hun eigen weg, en dan zullen zij nooit onder die heerschappij komen, want, onbekend zijnde met de eisen van Gods gerechtigheid en hun eigen gerechtigheid zoekende op te richten, "zijn zij aan de rechtvaardigheid Gods niet onderworpen,' Romeinen 10:3. En zij, die zo hoogmoedig en eigenwillig zijn dat ze tot Gods gerechtigheid willen komen, zullen dienovereenkomstig hun oordeel ontvangen, zij hebben het zelf beslist, zij zullen niet komen tot Zijn gerechtigheid. Laat hen er geen voordeel van verwachten, die niet gewillig en blijde zijn om er verplichting aan te hebben.
6. Dat zij afgesneden zullen worden van alle hoop op gelukzaligheid, vers 29. Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, laat hun niet toegelaten worden nog langer te leven, want hoe langer zij leven hoe meer kwaad zij doen. Grote menigten van de ongelovige Joden zijn gevallen door zwaard en honger, en geen van hen, die het Christendom hadden omhelsd, is er door omgekomen, het volk, als volk was uitgedelgd, en is er toe gekomen geen volk te zijn. Velen verstaan het van hun verworpen zijn van Gods verbond met al de voorrechten ervan, dat is het boek des levens Laat het burgerschap van Israël, van Israël naar het vlees, nu vervreemd worden van dat verbond van de belofte, waarvan zij totnutoe het monopolie hadden. Laat het openbaar worden, dat zij nooit in het boek des levens des Lams geschreven waren, maar laat de mensen hen verworpen zilver noemen, want de Heere heeft hen verworpen, laat hen met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden, laat hen geen plaats hebben in de vergadering van de heiligen, als zij allen vergaderd zullen worden in de algemene vergadering van hen, wier namen in de hemel geschreven zijn," Psalm 1:5.
II. Wat de zonde is, om welke deze ontzettende oordelen over hen gebracht zullen worden, vers 27. Zij vervolgen die Gij geslagen hebt, en spreken tot smart van Uw verwonden.
1. Christus was het, die God geslagen had want het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen," Hij was veracht en van mensen verlaten een man van smarten vertrouwd met ziekte, ja als iemand voor wie men het gelaat verbergt, hij was veracht en wij hebben hem niet geacht," Jesaja 53:3, Zij vervolgden Hem met een woede, die tot aan de hemel reikte, zij riepen: Kruis hem! kruis hem Vergelijk hiermede wat Petrus gezegd heeft, Handelingen 2:23. Hoewel Hij "naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgelevers hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood was." Zij spraken tot smart van de Heere Jezus, toen Hij aan het kruis hing, zeggende: Hij heeft op God betrouwd, dat Hij hem nu verlosse, en er kon niets gezegd worden, dat smartelijker voor Hem was.
2. De lijdende heiligen waren Gods verwonden, verwond om Zijn zaak, en om Zijnentwil, en zij hebben hen vervolgd, en gesproken tot hun smart. Om deze dingen "is de toorn Gods over hen gekomen tot het einde," 1 Thessalonicenzen 2:16. Zie ook Mattheus 23:34 en verv. Dit kan meer in het algemeen verstaan worden, en het leert ons dat niets meer God tergend is, dan te juichen over hen, die Hij geslagen heeft, en nog beproeving toe te doen aan hen, die reeds beproefd zijn, waarop dan ook rechtvaardiglijk volgt: Doe misdaad tot hun misdaad, zie Zacheria 1:15. Zij, wier geest gewond is, die in ontroering en vrees zijn over hun geestelijke toestand, moeten met tederheid behandeld worden en het moet met zorg worden vermeden, om te spreken tot hun hart, en het hart van de rechtvaardigen bedroefd te maken.
III. Wat temidden van dit alles de psalmist van zichzelf denkt, vers 30. "Doch ik ben ellendig en in smart, dat is het ergste van mijn toestand. Ik ben onder uitwendige beproevingen, maar toch aangeschreven met de rechtvaardigen en niet, zoals zij onder de gramschap Gods." Het is beter ellendig en in smart te zijn met de zegen van God, dan rijk en vrolijk te wezen onder Zijn vloek. Want zij, die tot Gods gerechtigheid komen, zullen spoedig een einde zien aan hun ellende en hun smart, en Zijn heil zal hen in een hoog vertrek zetten, en dat is het, waar David hier om bidt, Jesaja 61, 10. Dit kan toegepast worden op Christus. In Zijn staat van vernedering was Hij ellendig en in smart, een man van smarten, die niets had, waar Hij het hoofd kon nederleggen, maar God heeft Hem uitermate verhoogd, het heil voor Hem gewrocht, het heil door Hem gewrocht, heeft Hem in een hoog vertrek gezet, ver boven alle overheden en machten.