Handelingen 4:23-31
Wij horen nu niet meer van de overpriesters, van hetgeen zij gedaan hebben, nadat zij Petrus en Johannes hadden losgelaten, maar zullen deze twee getuigen vergezellen. En hier hebben wij:
I. Hun terugkomst tot hun broederen, de apostelen en leraren, en wellicht ook enige andere Christenen vers 23 :Losgelaten zijnde, kwamen zij tot de hunnen, die wellicht toen in bezorgdheid over hen samengekomen waren en voor hen baden, zoals in Hoofdstuk 12:12. Zodra zij in vrijheid waren, begaven zij zich tot hun oude vrienden, keerden zij weer tot hun kerkgemeenschap.
1. Hoewel God hen grotelijks geëerd had door hen te roepen om Zijne getuigen te zijn, en hen bekwaam te maken om zich zo goed van hun plicht te kwijten, waren zij toch niet opgeblazen door de eer, die hun te beurt was gevallen, noch hebben zij er zich door verheven gevoeld boven hun broederen, maar gingen tot de hunnen. Gene bevordering in gaven of nuttigheid voor anderen moet ons doen denken, dat wij verheven zijn boven de plichten of de voorrechten van de gemeenschap der heiligen.
2. Hoewel hun vijanden hen scherpelijk gedreigd hadden, en gepoogd hadden hun gezelschap uiteen te krijgen, en hen weg te schrikken van den arbeid, waarin zij saam verbonden waren, kwamen zij toch tot de hunnen, hun gezelschap en vreesden den toorn hunner regeerders niet. Zij hadden vertroosting kunnen smaken, indien zij zich, na losgelaten te zijn, hadden teruggetrokken in hun binnenkamer, om er enigen tijd door te brengen in gebed. Maar zij waren mannen in een openbaar ambt, en moeten niet zo zeer hun persoonlijk gemak of geriefelijkheid zoeken, als wel het algemene welzijn. Christus' volgelingen handelen het best in gezelschap, mits het hun eigen gezelschap is.
II. Hun verhaal van hetgeen er was voorgevallen. Zij verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden, terwijl zij er ongetwijfeld bijvoegden, dat zij door Gods genade bekwaam waren gemaakt hun te antwoorden, en hoe de afloop van hun gerechtelijk verhoor was geweest. Zij verhaalden het hun:
1. Opdat zij zouden weten wat zij bij het voortzetten van hun arbeid beide van de mensen en van God hadden te verwachten. Van de mensen konden zij alles wat afschrikkend was verwachten, maar van God alles wat bemoedigend was. De mensen zullen al het mogelijke doen om hen te vernietigen, maar God zal hen krachtig ondersteunen. Aldus zullen de broederen in den Heere vertrouwen krijgen door hun banden, Filippenzen 1:14.
2. Opdat er melding van gemaakt zou worden in de geschiedenis der kerk, ten voordele van het nageslacht, inzonderheid ter bevestiging van ons geloof aangaande de opstanding van Christus. In sommige gevallen is het zwijgen van een tegenstander niet zeer verschillend van de toestemming en het getuigenis van een' tegenstander. Deze apostelen zeiden tot de overpriesters, dat God Jezus had opgewekt, en hoewel zij allen te zamen bijeen waren, als een vast aaneengesloten lichaam, hadden zij toch de stoutheid niet om het te ontkennen, maar hebben hun op de domste en tegelijk laaghartigste wijze bevolen het niemand te zeggen.
3. Ten einde zich nu met hen te verenigen in lofzegging en gebed, en door die samenstemming zal God meer verheerlijkt, en de gemeente meer gesticht worden. Daarom behoren wij onzen broederen de leidingen van Gods voorzienigheid met ons, en onze ervaring van Zijne tegenwoordigheid en hulp mede te delen, opdat zij met ons instemmen in onze dankzegging aan God er voor.
III. Hun gebed tot God bij deze gelegenheid.
Als dezen dat hoorden, hoorden van de machteloze boosaardigheid der priesters en de machtige kloekmoedigheid van de lijders, riepen zij hun gezelschap bijeen, en begaven zich tot het gebed: zij hieven eendrachtelijk hun stem op tot God, vers 24. Niet, dat men zou kunnen veronderstellen, dat zij allen tegelijk dezelfde woorden zeiden (hoewel dit ook mogelijk was, daar zij allen door een en dezelfden Geest bezield waren), maar in den naam van de overigen hief een zijne stem op tot God, en de anderen stemden met hem in, homothumadon -een van zin (zoals de betekenis is van het woord). Hun hart ging met hem mede, en zo was het, dat hoewel een slechts sprak, allen hebben gebeden, een hief zijne stem op, en, in vereniging met hem, hieven allen hun hart op, hetgeen in werkelijkheid een opheffen was van hun stem tot God, want voor God zijn gedachten als woorden. Mozes riep tot den Heere, als wij niet lezen, dat hij een woord gezegd heeft. Nu hebben wij in dit plechtig aanspreken van God:
1. Hun aanbidding van God als den Schepper der wereld, vers 24. Met een hart, of gemoed, en dus in werkelijkheid met een mond verheerlijkten zij God, Romeinen 15:6. Zij zeiden: Heere, Gij zijt God, God alleen, Despota, Gij zijt onze Meester en Oppergebieder" (dat is de betekenis van het woord). "Gij zijt God, God, en geen mens, God, en niet het werk van mensenhanden, de Schepper van alles, en niet het schepsel van der mensen verbeelding. Gij zijt de God, die gemaakt hebt den hemel en de aarde, en de zee en alle dingen, die in dezelve zijn, de bovenwereld en de lagere wereld, en al de schepselen, die zich in beiden bevinden". Aldus onderscheiden wij, Christenen, ons van de Heidenen, want terwijl zij goden aanbidden, die zij gemaakt hebben, aanbidden wij den God, die ons en geheel de wereld gemaakt heeft. En het is zeer gepast om onze gebeden, zowel als onze geloofsbelijdenis, te beginnen met de erkenning dat God is de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, en van alle zichtbare en onzichtbare dingen. Hoewel de apostelen toen gans vervuld waren van de verborgenheid van de verlossing der wereld, hebben zij toch de geschiedenis van de schepping der wereld noch vergeten noch voorbijgezien, want de Christelijke Godsdienst was bestemd om de waarheden en voorschriften van den natuurlijken Godsdienst te bevestigen en te benuttigen, maar niet ze te verdonkeren of weg te stoten. Het is voor Gods dienstknechten ene grote bemoediging, zowel in het doen van werk, als in hun werk van lijden, dat zij den God dienen, die alle dingen gemaakt heeft, en dus de beschikking heeft van hun tijd en van alles wat er in verband met hen voorvalt, en in staat is hen onder al hun moeilijkheden te steunen en te sterken. En zo wij Hem de eer hiervan geven, dan kunnen wij voor ons er de vertroosting van nemen.
2. Hun berusten in de tegenwoordige bedeling der Voorzienigheid door na te denken over de Schriften des Ouden Testaments, die voorzegd hebben, dat het koninkrijk van den Messias bij zijne eerste oprichting in de wereld dusdanige tegenstand zal ontmoeten, vers 25, 26. God, die hemel en aarde gemaakt heeft, kan geen tegenstand ontmoeten (geen tegenstand, die van kracht en uitwerking is) in Zijne voornemens en bedoelingen, daar niemand met Hem durft twisten of strijden (het ten minste, niet met enig gevolg zou kunnen). Ja, aldus was het geschreven, aldus heeft Hij gezegd door den mond, aldus heeft Hij geschreven door de pen, van David, Zijn knecht, die, gelijk hieruit blijkt, de schrijver was van den tweeden psalm, en dus ook hoogst waarschijnlijk van den eersten en van andere psalmen, die aan gene anderen zijn toegeschreven, al is het ook, dat zijn naam niet in het opschrift genoemd is. Laat het hun dus gene verwondering baren, en laat het gene ontmoediging zijn voor iemand, die hun leer omhelst, want de Schrift moet vervuld worden. Het was voorzegd in Psalm 2:1, 2. A. Dat de Heidenen zullen woeden tegen Christus en Zijn koninkrijk, en zich zullen vertoornen wegens de poging om het op te richten, omdat dit de neder werping ten gevolge heeft van de goden der Heidenen, en de goddeloosheid der Heidenen zou beteugelen.
B. Dat de volken allerlei bedenksels er tegen zullen hebben, ten einde er de leraren van tot zwijgen te brengen, en er de belangen van te schaden of te vernietigen. Indien deze bedenksels bij de uitkomst ijdel blijken te zijn, dan is dit niet te danken aan hen, die ze te berde brachten.
C. Dat inzonderheid de koningen der aarde zullen opstaan tegen het koninkrijk van Christus, alsof zij bevreesd waren (hoewel daar hoegenaamd gene reden voor is) dat dit hun macht in den weg zou staan, en inbreuk zou maken op hun voorrechten. De koningen der aarde, die door de Goddelijke voorzienigheid het meest begunstigd en geëerd zijn, en het meest voor God behoorden te doen, zijn vreemdelingen voor, en vijanden van, de Goddelijke genade, en doen het meest tegen God.
D. Dat de oversten zich zullen vergaderen tegen God en Christus, niet slechts monarchen, die in hun persoon alleen macht hebben, maar ook waar de macht is in vele heersers of oversten, raadsvergaderingen en senaten, zij vergaderen zich, om te beraadslagen en te decreteren- besluiten af te kondigen-tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde - tegen den natuurlijken, zowel als tegen den geopenbaarden Godsdienst. Wat tegen Christus gedaan wordt neemt God op, als tegen zich zelven gedaan. Het Christendom was niet slechts ontbloot van het voordeel van den steun en de bescherming van koningen en oversten (het had noch hun macht, noch hun beurs) maar er werd tegen gestreden door hen, en zij verbonden zich met elkaar, om het te vernietigen, en toch heeft het voortgang gehad.
3. Hun voorstelling van de tegenwoordige vervulling van deze voorzeggingen in de vijandschap en kwaadwilligheid van de oversten tegen Christus. Wat voorzegd was, zien wij vervuld, vers 27, 28. In de waarheid -het is gewis zo, het is te duidelijk om ontkend te worden, en hierin blijkt de waarheid der voorzegging, dat Herodes en Pilatus, de twee Romeinse heersers, met de Heidenen (de Romeinse soldaten onder hun bevel), en de volken Israël's (de oversten der Joden en het gepeupel onder hun invloed), vergaderd waren in verbond met elkaar tegen uw heilig Kind Jezus, welken Gij gezalfd hebt. In sommige handschriften is hier nog bijgevoegd, en têi polei sou tautêi -in deze Uwe heilige stad, waar Hij meer dan in iedere andere plaats welkom had geheten moeten worden. Maar hierin doen zij wat Uwe hand, en Uw raad te voren bepaald had. Zie hier:
A. De wijze en heilige bedoelingen, die God omtrent Christus gehad heeft. Hij wordt hier het Kind Jezus genoemd, zoals Hij in Zijne kindsheid genoemd was, Lukas 2:27, 43, om te kennen te geven, dat Hij, zelfs in Zijn verhoogden staat, zich Zijner neerbuigendheid voor ons niet schaamt, en dat Hij nog altijd nederig en zachtmoedig van hart blijft. In de hoogte van Zijne heerlijkheid is Hij het Lam van God en het Kind Jezus. Maar Hij is het heilig Kind Jezus (zo werd Hij genoemd, Lukas 1:35, dat heilige, en Uw heilig Kind. Het woord betekent beide een zoon en een dienstknecht paida sou. Hij was de Zoon van God, maar in het werk der verlossing handelde Hij als Zijns Vaders dienstknecht Jesaja 42:1. Mijn knecht, dien Ik ondersteun. Hij was het, dien God zalfde, Hem bekwaam maakte voor Zijne onderneming en Hem er toe riep, vandaar dat Hij des Heeren Gezalfde genoemd werd, vers 26. En dit wordt vermeld als de reden waarom zij zich met zo veel woede en geweld tegen Hem stelden, nl. omdat God Hem gezalfd heeft, en zij waren besloten zich niet over te geven, en nog veel minder zich aan Hem te onderwerpen. David werd benijd door Saul, omdat hij de gezalfde des Heeren was. En de Filistijnen togen op om David te zoeken, toen zij hoorden, dat hij gezalfd was, 2 Samuël 5:17. Nu heeft God, die Christus gezalfd heeft, bepaald wat er in gevolge die zalving aan Hem gedaan zou worden. Hij was gezalfd om een' Zaligmaker te zijn, en daarom was het bepaald, dat Hij een offer zou zijn om verzoening te doen voor de zonde. Hij moet sterven- daarom moet Hij gedood worden, maar niet door Zijne handen-daarom heeft God te voren wijselijk bepaald, door welke handen het geschieden zou. Het moet wezen door de handen van hen, die Hem behandelen zullen als een misdadiger, een kwaaddoener, en daarom kan het noch door de handen van engelen, noch door die van Godvruchtige mensen geschieden. Daarom moet Hij, evenals Job, Hoofdstuk 16:11 overgegeven worden in de handen van zondaren. En zoals David overgeleverd werd aan Simeï om door hem gevloekt te worden, 2 Samuël 16:11, De Heere heeft het hem gezegd. Gods hand en Zijn raad hebben het bepaald Zijn wil, en Zijne wijsheid. Gods hand, ene uitdrukking, die zeer gepast Zijne uitvoerende macht aanduidt, is hier genomen voor Zijne bedoeling en raadsbesluit, omdat bij Hem zeggen en doen, niet twee zijn, zoals bij ons. Zijne hand en Zijn raad komen altijd overeen, want al wat den Heere behaagt doet Hij. Dr. Hammond is van mening, dat die uitdrukking: Gods hand heeft het bepaald, ene toespeling is op het werpen van het lot door den hogepriester over de twee bokken op den verzoendag, Leviticus 16:8, waarbij hij de hand ophief, waarin het lot voor den Heere was, en de bok, waarop zij viel, onmiddellijk geofferd werd, en het beleid, de beschikking, van dat lot was van den Heere, Spreuken 16:33. Aldus bepaalde Gods hand wat geschieden zou, nl. dat Christus het Offer zou zijn, dat geslacht werd. Of, indien ik ene gissing mag wagen, als hier van Gods hand gezegd wordt, dat zij bepaalt, dan kan dit bedoeld zijn, niet van Gods werkende, of handelende hand, maar van Zijne schrijvende hand, zoals Job 13:26, Gij schrijft tegen mij bittere dingen, en Gods raadsbesluit wordt gezegd te zijn hetgeen getekend, of geschreven, is in het geschrift der waarheid, Daniël 10:21, en in de rol des boeks was van Christus geschreven, Psalm 40:8. Het was Gods hand, die het schreef, Zijne hand, overeenkomstig Zijn raad.
B. De goddeloze en onheilige werktuigen, die gebruikt werden voor de uitvoering van dit plan, deden het, hoewel zij het zo niet meenden, en hun hart alzo niet dacht. Herodes en Pilatus, Heidenen en Joden, die onder elkaar onenig waren, verbonden zich te zamen tegen Christus. En dat God door hetgeen zij deden Zijne eigene doeleinden tot stand bracht, verontschuldigde hun boosaardigheid en goddeloosheid niet in het te doen, evenmin als het ene vermindering was van de schuld der bloeddorstige vervolgers, dat God het bloed der martelaren het zaad der kerk heeft doen zijn. De zonde is er niet minder slecht om, dat God er goed uit laat voortkomen, maar Hij wordt er te meer door verheerlijkt, en dit zal blijken, als de verborgenheid Gods vervuld zal worden.
4. Hun gebed met betrekking tot den toenmaligen toestand. De vijanden waren te zamen vergaderd tegen Christus, geen wonder, dat zij het dan ook waren tegen Zijne dienstknechten: de discipel is niet boven zijn meester, ook moet hij gene betere behandeling verwachten, maar, aldus gehoond zijnde, bidden zij:
A. Dat God kennis zou nemen van de boosaardigheid hunner vijanden: Nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, vers 29. Aanschouw hen, zoals Gij in den aangehaalden psalm gezegd wordt hen te aanschouwen, Psalm 2:4, toen zij dachten hun banden te verscheuren en hun touwen van zich te werpen: Die in den hemel zit zal lachen, de Heere zal hen bespotten en dan kan de jonkvrouw, de dochter Sions, de machteloze dreigingen zelfs van den groten koning van Assyrië verachten, Jesaja 37:22. En nu, Heere, ta nun, er ligt nadruk op dit nu, om te kennen te geven, dat het nu Gods tijd is om voor Zijn volk te verschijnen, als de macht hunner vijanden het stoutmoedigst optreedt en het dreigendst is. Zij schrijven God niet voor wat Hij doen zal, maar laten dit aan Hem over, zoals Hizkia, Jesaja 37:17 :"Heere, doe Uwe ogen open en zie, Gij weet wat zij zeggen, Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, Psalm 10:14. Wij beroepen ons op U, zie op hun dreigingen, en wil of hun de handen binden, of hun harten bekeren, laat hun grimmigheid, in zo verre zij losgelaten is, U loffelijk maken, en wil het overblijfsel daarvan opbinden", Psalm 76:10. Het is troostrijk voor ons, dat, indien wij onrechtvaardiglijk gedreigd worden, en het dragen met geduld, wij ons verlichting kunnen geven door de zaak voor den Heere neer te leggen, en alles verder aan Hem over te laten.
B. Dat God door Zijne genade hun moed staande zou houden en hen zou opwekken om blijmoedig met hun werk voort te gaan: Geef Uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken, hoewel de priesters en de oversten hun het stilzwijgen hebben opgelegd. In tijden van dreiging moet het niet zo zeer onze begeerte zijn dat de moeilijkheden voorkomen of uit den weg geruimd zullen worden, als wel, dat wij met blijmoedigheid en standvastigheid voort zullen gaan met ons werk, onzen plicht zullen volbrengen, wèlk lijden of benauwdheid hier ook voor ons uit zal voortkomen. Hun gebed is niet: "Heere! zie op hun dreigingen en verschrik hen, en stop hun mond, en maak hen beschaamd, maar, "Zie op hun dreigingen en beziel, verlevendig ons, open onzen mond, en vervul ons hart van moed". Zij bidden niet: "Heere, geef ons ene goede gelegenheid om af te laten van ons werk, nu het zo gevaarlijk is geworden", maar, Heere geef ons genade om voort te gaan met het werk, en het aangezicht der mensen niet te vrezen". Zij, die op Gods boodschap worden uitgezonden, moeten haar vrijmoedig brengen, met alle stoutmoedigheid, met alle vrijmoedigheid in het spreken, niet schromende al den raad Gods te verkondigen, wie zich daaraan ook moge ergeren, niet twijfelende aan hetgeen zij zeggen, en evenmin twijfelende, dat zij er in ondersteund zullen worden. God moet gezocht worden voor de bekwaamheid om Zijn woord met vrijmoedigheid te spreken, en zij, die de hulpe Gods begeren, kunnen er staat op maken, en zij behoren dus uit te gaan en voort te gaan in de mogendheden van den Heere Heere. De dreigingen van onze vijanden, die bedoeld zijn om onze handen slap te maken en ons weg te drijven van ons werk, behoren ons veeleer op te wekken tot zo veel te meer moed en standvastigheid in ons werk. Durven zij tegen Christus strijden? Schande over hen, en laat ons, die voor Hem zijn, niet lafhartig wegsluipen.
C. Dat God hun nog macht zou geven om wonderen te werken ter bevestiging van de leer, die zij predikten, hetgeen zij door de genezing van den kreupele bevonden hebben zeer veel bij te dragen tot hun voorspoed, en dus overvloedig bij zou dragen tot hun verderen voorspoed. Heere, geef ons vrijmoedigheid, door dat Gij Uwe hand uitstrekt tot genezing. Niets geeft aan getrouwe leraren meer vrijmoedigheid in hun werk dan de tekenen van Gods tegenwoordigheid met hen, en dat er ene Goddelijke kracht is, die hen vergezelt. Zij bidden, dat God Zijne hand zal uitstrekken tot genezing van beide het lichaam en de ziel der mensen, want anders strekken zij te vergeefs hun handen uit, hetzij tot prediking, Jesaja 65:2, of ter genezing, Hoofdstuk 9:17. Dat tekenen en wonderen geschieden door den naam van Uw heilig Kind Jezus, hetgeen voor het volk overtuigend zou zijn, en de vijanden zou beschamen. Christus had hun macht beloofd om wonderen te doen, ten bewijze van hun zending en opdracht, Markus 16, 17, 18. Maar toch moeten zij er om bidden, en hoewel zij die macht hadden, moeten zij bidden om de voortduring er van. Christus zelf moet bidden, en het zal Hem gegeven worden. Het is de ere van Christus, die zij in dit gebed op het oog hebben, dat de wonderen mogen geschieden door den naam van Jezus, het heilig Kind Jezus, en Zijn' naam zal er de eer voor toegebracht worden.
IV. Het genaderijk antwoord van God op hun bede, niet in woord maar in kracht.
1. God gaf hun een teken van het welbehaaglijke voor Hem van hun gebed, vers 31.
Als zij gebeden hadden (wellicht hebben velen van hen achtereenvolgens gebeden, een voor een, overeenkomstig den regel 1 Corinthiërs 14:31, en toen zij het werk van den dag voleindigd hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. Er was een sterke, geweldige wind, gelijk aan dien, toen de Geest over hen werd uitgestort, Hoofdstuk 2:1, 2, die het huis bewoog, dat nu hun huis des gebeds was. Dit bewogen worden van het huis was bedoeld om hen te vervullen met ontzag, hen te doen opwaken, en hun verwachtingen op te wekken, en hun een merkbaar teken te geven, dat God in waarheid met hen was. En wellicht moest het hun de profetie, Haggai 2:8, in herinnering brengen: Ik zal al de Heidenen doen beven,.. en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen. Het was om hun te tonen hoeveel redenen zij hadden God meer te vrezen, en dan zullen zij de mensen minder vrezen. Hij, die deze plaats bewoog, kon het hart van hen, die Zijne dienstknechten dreigden, aldus doen beven, want Hij is het, die den geest der vorsten als druiven afsnijdt, die den koningen der aarde vreselijk is. De plaats werd bewogen, opdat hun geloof bevestigd en onwankelbaar zou zijn.
2. God gaf hun ene grotere mate van den Geest, en dat was het, waarom zij hadden gebeden. Hun gebed was ongetwijfeld aangenomen, want het werd verhoord: zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, meer dan ooit, waardoor zij niet slechts bemoedigd, maar bekwaam gemaakt werden, om het woord Gods met vrijmoedigheid te spreken, en voor de hoogmoedige blikken der mensen niet te vrezen. De Heilige Geest leerde hun, niet alleen wat te spreken, maar hoe te spreken. Zij, die gewoonlijk met de krachten des Heiligen Geestes begiftigd waren, hadden toch opnieuw behoefte aan Zijne gaven, al naar de verschillende voorvallen in hun dienst waren. Zij werden vervuld met den Heiligen Geest toen zij als beschuldigden voor de rechters stonden, en nu werden zij vervuld met den Heiligen Geest op den kansel, hetgeen ons leert om in voortdurende afhankelijkheid te leven van de genade Gods, naar de plichten van elke dag het voor ons nodig maken, wij moeten bij iedere gelegenheid met verse olie overgoten worden. Gelijk in de voorzienigheid Gods, zo is het ook in de genade Gods, wij leven en zijn in Hem, niet slechts in het algemeen, maar bewegen ons in iedere afzonderlijke daad of handeling, Hoofdstuk 17:28. Wij hebben hier een voorbeeld van de vervulling van de belofte, dat God den Heiligen Geest zal geven aan hen, die er Hem om bidden, Lukas 11:13, want het was de verhoring van hun gebed, dat zij vervuld werden met den Heiligen Geest: en wij hebben hier ook een voorbeeld van het gebruik dier gave, dat geëist wordt van allen, aan wie zij geschonken is, heb haar en gebruik haar, gebruik haar en heb er meer van. Toen zij vervuld waren met den Heiligen Geest, spraken zij het woord Gods met vrijmoedigheid, want aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is, of om er nut van te hebben. Met talenten moet gehandeld worden, zij mogen niet begraven worden. Als zij bevinden, dat de Heere Heere hen helpt door Zijn Geest, dan weten zij, dat zij niet te schande worden, Jesaja 50:7.