1 Petrus 2:4-12
I. De apostel geeft ons hier een beschrijving van Jezus Christus als een levenden steen, en ofschoon deze benaming voor een lichtzinnigen spotter of een ongelovige ruw en hard moge schijnen, toch kon zij zeer vererend en gepast klinken in de oren der Joden, die zoveel godsdienstigen eerbied voor hun heerlijken tempel hadden, en goed het profetische woord begrepen, dat den Messias een steen noemt, Jesaja 8:14, en 28:16.
1. In deze zinnebeeldige beschrijving van Jezus Christus wordt Hij een steen genoemd, om Zijn onoverwinnelijke kracht en eeuwigdurend bestaan aan te duiden, en Zijn dienstknechten te leren dat Hij is hun bescherming en veiligheid, het fondament waarop zij gebouwd worden, en de rots van verdediging tegen al hun vijanden. Hij is een levende steen, want Hij heeft het eeuwige leven in zich zelven en is de Vorst des levens voor al zijn volk. De erkenning en achting, die Hem van God en de mensen toegebracht worden, zijn zeer verschillend. Hij werd door de mensen ontkend, door Zijn eigen landgenoten de Joden afgekeurd en verworpen, en dat wordt Hij nog door het grootste gedeelte der mensheid. Maar door God is Hij uitverkoren, afgezonderd en voor-verordineerd om het fondament der gemeente te zijn, 1:20, en dierbaar, een hoogsteerwaardig, verkoren en waardig persoon in zich zelven, in de achting van God en naar het oordeel van allen, die in Hem geloven. Wij zijn verplicht te komen tot Hem, die zo omschreven wordt. Tot welken komende, niet door lichamelijke plaatsverandering, want dat is onmogelijk sedert Zijne verhoging, maar door het geloof, waardoor wij eerst met Hem verenigd worden en daarna Hem al nader komen.
A. Jezus Christus zelf is de grondsteen van al onze hoop en zaligheid. Hij deelt ons de ware kennis Gods mede, Mattheus 11:27, door Hem hebben wij toegang tot den Vader, Johannes 14:6, door Hem krijgen wij deel aan alle geestelijke zegeningen, Efeze 1:3.
B. De mensen over het algemeen ontkennen en verwerpen Jezus, zij verachten Hem, zij hebben Hem niet lief, en zij staan Hem tegen, de Schrift en de ondervinding leren dat. Jesaja 53:3.
C. Hoewel Christus door een ondankbare wereld moge verworpen worden, is Hij door God uitverkoren en daarom dierbaar. Hij is uitverkoren en gesteld om te zijn de Heere des heelals, het hoofd der gemeente, de Zaligmaker van Zijn volk en de Rechter der wereld. Hij is dierbaar in de uitnemendheid Zijner natuur, de waardigheid Zijner bediening en de heerlijkheid van Zijn diensten.
D. Zij, die barmhartigheid verlangen van dezen genadigen Verlosser, moeten tot Hem komen, dat is onze daad, ofschoon door Gods genade, een daad van de ziel en niet van de mensen, een werkelijke daad, geen blote wens.
2. Na Christus beschreven te hebben als het fondament, gaat de apostel over tot bespreking van den bovenbouw, en van de bouwstoffen daarvoor gebruikt. Gij zelven wordt als levende stenen gebouwd, vers 6. De apostel prijst dezen verstrooiden Joden de Christelijke gemeente en inrichting waard. Zij konden licht er toe komen om de aanmerking te maken, dat de Christelijke gemeente niet zulk een heerlijken tempel en zulk een talrijke priesterschap had, maar dat de bedeling slechts onaanzienlijk was bij gebreke van de pracht en grootsheid van de Joodse bedeling. Hierop antwoordt de apostel, dat de Christelijke gemeente een veel edeler gebouw is dan de Joodse tempel. Zij is een levende tempel, niet uit dode bouwstoffen maar uit levende stenen bestaande. Christus, het fondament, is een levende steen. De Christenen zijn levende stenen en vormen een geestelijk huis, en zij zijn een heilig priesterdom, en ofschoon zij geen bloedige offeranden van dieren te brengen hebben, zo hebben zij iets veel beters en aangenamers te offeren. Ook hebben zij een altaar, waarop zij hun offeranden brengen, want zij offeren geestelijke offeranden, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.
A. Alle oprechte Christenen hebben in zich een beginsel van geestelijk leven, dat Hem meegedeeld is door Christus hun hoofd, daarom, gelijk Hij een levende steen genoemd wordt, worden zij ook levende stenen geheten, niet dood in zonden en misdaden, maar levend voor God door de wedergeboorte en werking van den Heiligen Geest.
B. De gemeente van God is een geestelijk huis. Efeze 2:20. De bouwers zijn dienaren, 1 Corinthiërs 3:10. De bewoner is God, Efeze 2:22. Het is een huis door Zijn kracht, schoonheid, verscheidenheid van onderdelen en nuttigheid van het geheel. Het is geestelijk in zijn fundering: Christus Jezus, in zijn bouwstoffen: geestelijke mensen, in zijn huisraad: de genaden des Geestes, in zijn samenvoeging: bijeengehouden door den Geest Gods en het gemeenschappelijk geloof, en in zijn doel: dat is geestelijke werkzaamheid, het offeren van geestelijke offeranden. Dit huis wordt dagelijks opgebouwd, elk deel wordt verbeterd, en het geheel nadert zijn voltooiing in alle eeuwen door de toevoeging van nieuwe bijzondere leden.
C. Alle ware Christenen vormen een heilig priesterdom. De apostel spreekt hier van alle Christenen gezamenlijk en zegt, dat zij een heilig priesterdom zijn. Zij zijn allen uitverkorenen, aan God gewijd, nuttig voor anderen, wèl toegerust met hemelse gaven en genaden, en wèl gebruikt.
D. Dit heilige priesterdom moet en zal Gode geestelijke offeranden offeren. De geestelijke offeranden der Christenen zijn hun lichamen, zielen, genegenheden, gebeden, dankzeggingen, aalmoezen en andere plichten.
E. De geestelijkste offers van de godvrezendste mensen zijn Gode aangenaam alleen door Jezus Christus, Hij is de enige grote hogepriester, door wie wij en onze offeranden kunnen aangenomen worden. Brengt dus al uw offers aan Hem en biedt ze door Hem Gode aan.
II. Hij bevestigt wat hij omtrent Christus getuigd heeft, dat Hij een levende steen is, door Jesaja 28:16. Let op de wijze, waarop de apostel de Heilige Schrift aanhaalt, niet door boek, hoofdstuk en vers te noemen, want die afdelingen waren toen nog niet gemaakt. Er wordt niet anders gezegd dan verwijzing naar Mozes, David of de profeten, slechts eens wordt een bepaalden psalm genoemd, Handelingen 13:33. In hun aanhalingen geven de heilige schrijvers meer den zin dan de woorden van de Schrift weer, zoals ook blijkt uit de plaats, die de apostel hier bedoelt. Hij haalt deze Schriftuurplaats niet woordelijk aan uit het Hebreeuws of uit de vertaling der Zeventigen, en toch is de aanhaling zuiver en getrouw. De ware bedoeling van de Schrift kan goed en ten volle uitgedrukt worden in andere woorden dan die der Schrift. Daarom is ook vervat in de Schrift: De inhoud van de aanhaling is deze: Ziet, ik leg in Zion.
1. In de belangrijke zaken van den godsdienst moeten wij afgaan uitsluitend op Schriftuurlijke bewijzen. Christus en Zijne apostelen beriepen zich op Mozes, David en de oude profeten. Het woord van God is de enige regel, dien God ons gegeven heeft. Het is een volmaakte en voldoende regel, en het is een verstandelijke en zekere regel.
2. Wij moeten de meeste aandacht wijden aan hetgeen God ons in de Schrift betreffende Zijn Zoon Jezus Christus meegedeeld heeft.
Ziet, Ik leg enz. Johannes vraagt dezelfde aandacht, Johannes 1:29. Deze oproeping tot opletlende aandacht aangaande Christus toont ons de uitnemendheid van het onderwerp, zijne belangrijkheid, en onze stompheid en traagheid.
3. De aanstelling van Christus Jezus tot hoofd van de gemeente is een uitnemend werk Gods: Ik leg in Zion. De aanstelling van den paus tot hoofd der kerk is een menselijk tegenstreven en een brutale aanmatiging, Christus alleen is het fondament en het hoofd van Gods gemeente.
4. Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, dien God in Zijn geestelijk huis gelegd heeft. De hoeksteen is onafscheidelijk van het gebouw, draagt het, houdt het samen, versiert het. Zo doet Christus met Zijn heilige gemeente, Zijn geestelijk huis.
5. Jezus Christus is de hoeksteen voor de ondersteuning en de zaligmaking van niemand anders dan die oprecht Zijn volk zijn, niemand dan Zion en hun die Zion genegen zijn, niet voor Babylon, niet voor zijn vijanden.
6. Waar geloof in Jezus Christus is het enige middel om des mensen algehelen ondergang te voorkomen. Drie dingen kunnen grote verwarring over den mens brengen: teleurstelling, zonde en oordeel, en het geloof voorkomt die alle. Het geloof heeft een middel tegen elk van deze.
III. Hij voegt hier een belangrijken tussenzin in, vers 7. Jezus Christus werd den uitersten hoeksteen genoemd. Hier voegt de apostel met het oog op de godvrezenden aan toe: U dan die gelooft is Hij dierbaar, of is Hij ene eer. Christus is de kroon en de eer van den Christen, gij, die in Hem gelooft, zijt er zo ver van af dat ge u voor Hem schamen zoudt, dat gij in Hem zult roemen en in Hem verheerlijkt zijn voor eeuwig. Wat de goddelozen betreft, de ongehoorzamen zullen voortgaan Jezus Christus te weigeren en te verwerpen, maar God heeft besloten, trots allen tegenstand, dat Hij tot een hoofd des hoeks zal zijn.
1. Al wat door rechtmatige en noodzakelijke gevolgtrekking aan de Schrift ontleend wordt, daarop kan men even zeker staat maken alsof het met zoveel woorden in de Schrift stond. De apostel ontleent dezen tussenzin aan de woorden van den profeet. De profeet heeft dat niet uitdrukkelijk gezegd, maar hetgeen hij zei had dit noodzakelijk tot gevolg. Onze Zaligmaker beval ons de Schriften te onderzoeken, omdat die van Hem getuigen, en toch beroept hij zich op geen enkele plaats uit de Schrift, die getuigt dat Jezus van Nazareth de Messias was. Maar deze Schriften voorzegden dat Hij geboren zou worden uit ene maagd, voordat de scepter van Juda week, gedurende het bestaan van den tweeden tempel, na Daniël's zeventig weken, en dat deze de Messias was. Dat alles werd in Jezus Christus gezien, maar om dat alles te weten moet men gebruik maken van de reden, de geschiedenis, het doorzicht en de ondervinding, en dan is het een onfeilbaar besluit op grond der Schrift. 2. Het werk van een getrouw dienaar is algemene waarheden toepassen op de bijzondere gesteldheid en den toestand zijner hoorders. De apostel haalt in vers 6 een uitspraak van den profeet aan en past die toe op bozen en goeden. Daartoe is wijsheid, moed en getrouwheid nodig, maar het is zeer voordelig voor de hoorders.
3. Jezus Christus is bij uitnemendheid dierbaar voor alle gelovigen. De majesteit en grootheid van Zijn persoon, de waardigheid van Zijn bediening, Zijn nauwe betrekking, Zijn wonderbare daden, Zijn onmetelijke liefde, dat alles verbindt de gelovigen tot de hoogste achting en eerbied voor Jezus Christus.
4. Ongehoorzamen hebben geen waarachtig geloof. Door ongehoorzamen worden bedoeld onverbeterlijken, ongelovigen en moedwilligen. Dezen kunnen wellicht juist inzicht hebben, maar geen echt geloof.
5. Zij, die bouwers van de gemeente van Christus behoorden te zijn, zijn dikwijls de ergste vijanden ter wereld van Christus. In het Oude Testament deden de valse profeten het meeste nadeel, en onder het Nieuwe Testament ondervond Christus de grootste tegenwerking en wreedheid van de Schriftgeleerden, Farizeeën en overpriesters, en dus van hen, die voorgaven de gemeente te bouwen en te verzorgen. En thans is de Roomse hiërarchie de grootste vijandin ter wereld van Jezus Christus en Zijne belangen.
6. God zal Zijn eigen werk voltooien en de belangen van Jezus Christus in de wereld bevorderen, niettegenstaande de valsheid van voorgewende vrienden en den tegenstand van Zijn slechtste vijanden.
IV. De apostel voegt hier een nieuwe beschrijving bij, de vergelijking met een steen voortdurend volhoudende. De woorden zijn genomen uit Jesaja 8:13, 14: Den Heere der heirscharen, dien zult gijlieden heiligen -en Hij zal zijn tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling. Hieruit blijkt duidelijk dat Jezus Christus is de Heere der heirscharen, en dus de hoge God zelf. Merk op:
1. De bouwlieden, de overpriesters, weigerden Hem, en het volk volgde zijn leidslieden. Daardoor werd Christus voor hen een steen des aanstoots en een rotssteen der ergernis, waarover zij struikelden en zich zelven verwondden, en Hij viel op hen als een machtige rotssteen en strafte hen met verwoesting, Mattheus 21: 44. Wie op dezen steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, dien zal hij vermorzelen.
A. Allen, die ongehoorzaam zijn, nemen aanstoot aan het Woord Gods. Zij stoten zich aan het Woord, ongehoorzaam zijnde. Zij stoten zich aan Christus zelven, aan Zijn leer en de reinheid van Zijn voorschriften, maar de Joodse geleerden struikelden voornamelijk over de geringheid van Zijn verschijning en de uitnodiging om alleen door Hem hun rechtvaardigmaking voor God te verkrijgen. Zij konden er niet toe gebracht worden om de rechtvaardigmaking door het geloof te zoeken, maar deden dat door de werken der wet, zij stootten zich aan den steen des aanstoots, Romeinen 9:32.
B. Dezelfde gezegende Jezus, die de bewerker van de zaligheid des enen is, wordt voor den ander de aanleiding tot zijn zonde en ondergang. Hij is gezet tot een val en opstanding van velen in Israël. Hij is niet de bewerker van hun zonden, maar alleen de aanleiding er toe, hun eigen ongehoorzaamheid maakt dat zij zich aan Hem stoten en Hem verwerpen, die Hij als rechter straft met verwoesting. Zij, die Hem als Zaligmaker verwerpen, zullen zich op Hem als een Rots te pletter vallen.
C. God zelf heeft eeuwige verwoesting bepaald voor allen, die zich aan het woord stoten, ongehoorzaam zijnde. Allen, die vastbesloten voortgaan in hun ongeloof en hun verachting van het Evangelie, zijn gezet tot eeuwige verwoesting, en God weet van eeuwigheid wie zij zijn.
D. Het zien van de algemene verwerping van Christus door de Joden en van de verwaarlozing van Hem door menigten in alle eeuwen, behoort ons niet te ontmoedigen in onze liefde en onzen plicht jegens Hem, want dat is lang tevoren door de profeten voorzegd, en het is ene versterking van ons geloof zowel in de Schrift als in den Messias.
2. Zij, die hem aannemen, worden hoog bevoorrecht, vers 9. De Joden waren buitengewoon gehecht aan hun oude voorrechten, van het enige volk van God te zijn, in bepaald verbond met Hem te staan en afgescheiden van de gehele wereld te zijn. "Welnu", zeiden zij, "indien wij ons aan de instellingen des Evangelies onderwerpen, zullen wij dat alles verliezen en op gelijken voet met de heidenen komen te staan."
A. Op deze tegenwerping antwoordt de apostel, dat het hun ondergang zou zijn wanneer zij zich niet onderwierpen, vers 7 en 8, maar dat zij, indien zij zich onderwierpen, geen wezenlijk voordeel zouden verliezen, doch blijven wat zij steeds begeerden te zijn: een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, enz
a. Alle ware Christenen zijn een uitverkoren geslacht. Zij allen maken een gezin uit, een volk onderscheiden van de overige wereld, met een anderen geest, andere beginselen en praktijken, en dat konden zij nooit zijn of worden indien zij niet waren uitverkoren in Christus en geheiligd door Zijn Geest.
b. Alle ware Christenen zijn een koninklijk priesterdom. Zij zijn koninklijk in hun betrekking tot God en Christus, in hun macht met God, over zich zelven en over al hun vijanden, zij zijn vorstelijk in de vorderingen en de uitnemendheid van hun eigen geest en in hun hoop en verwachtingen. Zij zijn een koninklijk priesterdom, afgescheiden van zonden en zondaren, gewijd aan God en Gode geestelijke offeranden brengende, die Hem aangenaam zijn door Jezus Christus.
c. Alle Christenen, waar zij ook zijn mogen, maken een heilig volk uit. Zij zijn een volk, vergaderd onder een hoofd, overeenkomende in dezelfde gewoonten en handelingen, geregeerd door dezelfde wetten, en zij zijn een heilig volk, omdat zij aan God gewijd zijn, vernieuwd en geheiligd door Zijn Heiligen Geest.
d. Het is de eer van de dienstknechten van Christus, dat zij Gods verkregen volk zijn. Zij zijn het volk van Zijne beschikking, keuze, zorg en blijdschap. Deze vier waardigheden van alle ware Christenen liggen van nature niet in hen, want hun eerste staat was een toestand van verschrikkelijke duisternis, maar zij zijn daadwerkelijk geroepen uit die duisternis tot Zijn wonderbaar licht, vreugde, blijdschap en voorspoed, met het voornemen en uitzicht, dat zij door woorden en werken zouden tonen de deugden en de heerlijkheid van Hem, die hen geroepen heeft.
B. Ten einde hen tevreden en dankbaar voor de grote barmhartigheid en waardigheden, hun door het Evangelie gebracht, te maken, raadt de apostel hen hun vorigen en hun tegenwoordigen toestand met elkaar te vergelijken. Er was een tijd, waarin zij geen volk waren en geen ontferming hadden verkregen, maar plechtig verworpen en gescheiden waren, Jeremia 3:8, Hosea 1:6, 9, maar nu zijn zij aangenomen om Gods volk te zijn en ontfermd te worden.
a. Ook de besten moeten gewoon zijn terug te zien op hetgeen zij vroeger waren.
b. Het volk van God is het kostbaarste van de gehele wereld, de overigen zijn geen volk en deugen tot niets.
c. Om in Gods volk aangenomen te worden, is een zeer grote barmhartigheid, en ze is verkrijgbaar.
V. Hij waarschuwt hen om zich te onthouden van de vleselijke begeerlijkheden, vers 11. Zelfs de beste mensen, het uitverkoren geslacht, het volk van God, hebben behoefte aan de vermaning om afstand te doen van de ergste zonden, waartegen de apostel hen hier zo ernstig en teder mogelijk waarschuwt. Daar hij weet hoe moeilijk, en toch hoe belangrijk het vervullen van dezen plicht is, toont hij hun zijn grootste belangstelling: Geliefden, ik vermaan u. Hun plicht is afstand te doen van en te onderdrukken het eerste opkomen van vleselijke begeerlijkheden. Vele daarvan komen uit onze verdorvenheid van nature voort en uiten zich in het lichaam, door de een of andere zinnelijke begeerte of ongebreidelden lust van het vlees te strelen. De Christenen behoren zich daarvan te onthouden en daar toe te bedenken:
1. De achting, die zij van God en Zijn volk genieten, zij zijn geliefden.
2. Hun toestand in de wereld: zij zijn inwoners en vreemdelingen, en moeten hun doorreize niet vertragen door toe te geven aan de boosheid en de begeerlijkheden van het land, dat zij doortrekken.
3. Het kwaad en gevaar, waaraan deze zonden blootstellen: zij voeren krijg tegen de ziel, en daarom moeten de zielen haar bestrijden.
A. Het grote nadeel, dat de zonden den mens doen, is dat zij krijg voeren tegen de ziel. Zij verwoesten de zedelijke vrijheid van de ziel, zij verzwakken en ontzenuwen de ziel door haar vermogens te ondermijnen, zij ontroven de ziel haar troost en vrede, zij verlagen en vernielen de waardigheid der ziel, verhinderen haar tegenwoordigen voorspoed en dompelen haar in eeuwige ellende.
B. Van alle zonden zijn gene zo nadelig voor de ziel als vleselijke begeerlijkheden. Vleselijke lust, onzedelijkheid, zinnelijkheid zijn het meest gehaat bij God en het meest verwoestend voor den mens. Er wordt een streng oordeel over geveld. VI. Hij vermaant hen verder hun belijdenis door een eerlijken wandel te versieren. Hun wandel in alle opzichten en bij alle gelegenheden, in elke daad huns levens, behoort eerlijk te zijn, dat is goed, lieflijk, beminnelijk en zonder blaam. En zulks omdat zij leefden onder de heidenen, mensen van een anderen godsdienst en die hun gezworen vijanden waren, die hen nu reeds belasterden en voortdurend kwaad van hen spraken als van kwaaddoeners. Een heilige, rechtvaardige, goede wandel zal niet alleen hun den mond stoppen, maar misschien daarenboven een middel zijn om hen er toe te brengen God te verheerlijken, en hen nader te brengen, wanneer zij zien dat de anderen uitmunten in goede werken. Zij noemen u nu kwaaddoeners, verdedigt u door goede werken, dat is de wijze om hen te overtuigen. Er komt een dag van bezoeking, waarin God hen door Zijn Woord en Zijne genade tot berouw roepen kan en u voor uw goeden wandel belonen, Lukas 1:68. Wanneer het Evangelie tot hen zal komen en uitwerking hebben, zal een goede wandel hen tot bekering aanmoedigen, maar een slechte wandel die tegenhouden.
1. Een Christelijke belijdenis moet gepaard gaan met een goeden wandel, Filippenzen 4:8.
2. Het is het gewone lot van ware Christenen, dat slechte mensen kwaad van hen spreken.
3. Zij, die door God in Zijne genade bezocht worden, veranderen onmiddellijk hun gedachten over de godvrezenden, God verheerlijkende en hen prijzende, die zij eerst kwaaddoeners noemden.