Lukas 2:8-20
De geringste omstandigheden van Christus' vernedering gingen altijd gepaard met enige openbaringen van Zijne heerlijkheid, die er tegen opwogen en er de ergernis van wegnamen, want zelfs toen Hij zich vernederde, heeft God Hem enigermate verhoogd en Hem een voorproef en onderpand gegeven van Zijn toekomstige verhoging. Toen wij Hem zagen in doeken gewonden en neergelegd in de kribbe, waren wij in verzoeking te zeggen: "Voorzeker, deze kan de Zone Gods niet wezen." Maar zie Zijne geboorte bezongen, gelijk zij hier is, van een koor van engelen, en wij zullen zeggen: "Gewis! het kan niemand anders dan de Zone Gods zijn, van wie, toen Hij ingebracht werd in de wereld, gezegd werd: Dat alle engelen Gods Hem aanbidden, Hebreeën 1:6. In Mattheus hadden wij het verhaal hoe van de aankomst van dezen gezant, dezen vorst uit den hemel, kennis werd gegeven aan de wijzen, die heidenen waren, door een ster, hier wordt ons gezegd hoe er mededeling van gedaan werd aan de herders, die Joden waren, door een engel. God verkiest tot ieder te spreken in de taal, waarmee hij het meest bekend is. Zie hier waar de herders zich toen mede bezighielden, zij hielden zich in het veld, dicht bij Bethlehem, en hielden de nachtwacht over hun kudde, vers 8. De engel was niet gezonden tot de overpriesters of de ouderlingen (zij waren geenszins bereid om die tijding te ontvangen), maar tot een gezelschap van arme herders, die, evenals Jakob, oprechte, of eenvoudige, mannen waren, wonende in tenten, niet gelijk Ezau, verstandig op de jacht. De aartsvaders waren herders. Mozes en David inzonderheid werden van het hoeden der schapen geroepen om Gods volk te regeren, en door dit voorbeeld wilde God tonen, dat Hij nog gunst had voor hen, die zich met dien onschuldigen arbeid bezighielden. Aan Mozes werd de tijding van Israël's verlossing uit Egypte gebracht, toen hij schapen hoedde, en aan deze herders, die waarschijnlijk vrome, Godvruchtige mannen waren, werd de tijding van een nog grotere verlossing gebracht. Merk op:
1. Zij waren niet slapende in hun bed, toen hun deze tijding gebracht werd (hoewel velen zeer aangename tijdingen uit den hemel ontvingen in de sluimering op het leger), maar zij hielden zich in het veld, wakende. Zij, die van God willen horen, moeten zich opwekken. Zij waren klaar wakker, en konden dus niet misleid of bedrogen zijn in hetgeen zij zagen en hoorden, gelijk zij, die half in slaap zijn.
2. Zij hielden zich nu bezig, niet met oefeningen der Godsvrucht, maar met de zaken van hun beroep, zij hielden de nachtwacht over hun kudde, om die te beschermen tegen dieven en roofdieren, daar het waarschijnlijk in den zomer was, wanneer zij de kudde den gehelen nacht buiten hielden, zoals wij ook doen, en ze niet in de schaapskooi opsloten. Wij bevinden ons niet buiten den weg van een Goddelijk bezoek, als wij ons op een verstandige manier bezighouden met de zaken van ons beroep en er met God in blijven.
II. Hoe zij verrast werden door de verschijning van een engel, vers 9, Ziet, een engel des Heeren stond bij hen, plotseling-epestê -stond boven hen, zeer waarschijnlijk in de lucht boven hun hoofd, als komende onmiddellijk van den hemel. Dit plotselinge komen van den engel tot hen geeft te kennen, dat zij zo iets weinig gedacht of verwacht hebben, want het is op een voorkomende wijze, dat ons een bezoek gebracht wordt van den hemel, eer wij het weten. Opdat zij er zeker van zouden zijn, dat het een engel was van den hemel, zagen en hoorden zij de heerlijkheid des Heeren om hen heen, zodat de nacht helder werd als de dag, ene heerlijkheid, zoals de verschijning Gods placht te vergezellen, een hemelse heerlijkheid, of een zeer uitnemende heerlijkheid, waarvan zij den glans en de schittering niet konden verdragen. Dit deed hen vrezen met grote vrees, bracht hen in ontsteltenis, alsof zij een boze tijding zouden vernemen. Zolang wij ons van zoveel schuld bewust zijn, hebben wij reden te vrezen, dat een bode van den hemel een boodschap des toorns voor ons heeft.
III. Waarin de boodschap bestond, die de engel aan de herders bracht, vers 10-12.
1. Hij zegt hun niet te vrezen. Vreest niet, want wij hebben u niets te zeggen, dat u behoeft te verschrikken, gij behoeft uwe vijanden niet te vrezen, en behoort niet te vrezen voor uwe vrienden.
2. Hij geeft hun overvloedige reden tot blijdschap: "Ziet, ik evangeliseer u grote blijdschap. Ik verklaar het plechtig, en gij hebt reden om die tijding welkom te heten, want zij zal blijdschap brengen al den volke, en niet slechts aan het volk der Joden, dat u heden geboren is de Zaligmaker, de Zaligmaker, die zo lang verwacht is geworden, welke is Christus, de Heere, in de stad David's, vers 11. Jezus is de Christus, de Messias, de Gezalfde, Hij is de Heere, de Heere, van allen, Hij is een vrijmachtige Vorst, ja, Hij is God, want de Heere, in het Oude Testament, staat gelijk met Jehova. Hij is een Zaligmaker, en Hij wil een Zaligmaker zijn voor allen, die Hem aannemen als hun Heere. "De Zaligmaker is geboren, is heden geboren, en daar dit een zaak is van grote blijdschap al den volke, moet dit niet geheim worden gehouden, gij kunt het bekend maken, mededelen aan wie gij wilt. Hij is geboren in de plaats, waar Hij volgens de voorzegging geboren moest worden, in de stad David's, en Hij is u geboren, aan u, Joden, is Hij in de eerste plaats gezonden, om u te zegenen, aan u, herders, hoewel gij arm en gering zijt in de wereld." Dit verwijst naar Jesaja 9:6. Een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. U, mensen, is Hij geboren, niet ons, engelen, Hij heeft de natuur der engelen niet aangenomen. Dit voorwaar is een zaak van blijdschap al den volke, grote blijdschap. De lang-verwachte is eindelijk gekomen. Laat hemel en aarde zich verblijden voor dezen Heere, want Hij komt.
3. Hij geeft hun een teken ter bevestiging van hun geloof in deze zaak. "Hoe zullen wij dit kind ontdekken in Bethlehem, dat nu vol is van de afstammelingen van David?" "Gij zult Hem ontdekken aan dit teken: Hij ligt in een kribbe, waar voorzeker nooit tevoren een pasgeboren kind in werd neergelegd". Zij verwachtten dat hun gezegd zou worden: "Gij zult Hem, hoewel een kindeken, gekleed vinden in een kostbaar gewaad, in het beste huis der stad, neerliggende in staatsie, van talrijke bedienden in rijke livrei omgeven". "Neen, gij zult Hem vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe. Toen Christus hier op aarde was, heeft Hij zich door niets zozeer onderscheiden als door de voorbeelden Zijner vernedering.
IV. Der engelen lofzang tot God en heilswensing aan de mensen bij deze plechtige gelegenheid, vers 13, 14. Niet zodra was de boodschap gezegd door een engel, of er was plotseling met dien engel ene menigte des hemelsen heirlegers, voldoende voorzeker om een koor te vormen, dat door de herders gehoord werd, God lovende, en hun lied was voorzeker niet gelijk dat in Openbaring 14:3, dat niemand kon leren, want het was bestemd om door ons allen geleerd te worden.
1. Laat God de eer hebben van Zijn werk.
"Ere zij God in de hoogste hemelen". Gods welbehagen in mensen, geopenbaard in de zending van Zijn Zoon, strekt Hem grotelijks tot lof, en in de hoogste hemelen zullen de engelen, hoewel zij er zelven geen onmiddellijk belang bij hebben, het tot Zijne eer bezin gen, Openbaring 5, 11, 12.. "Ere zij God", die in Zijne goedheid en liefde deze gunst heeft beraamd, en haar in Zijne wijsheid op zulk een wijze heeft gewerkt, dat de ene Goddelijke eigenschap niet verheerlijkt zal worden ten koste van een andere, maar de eer van allen krachtig verzekerd en bevorderd wordt. Andere werken Gods zijn tot Zijne eer, maar de verlossing der wereld is tot Zijne "eer in de hoogste hemelen".
2. Laat de mensen er de blijdschap van smaken: "Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen". Gods welbehagen in de zending van den Messias bracht vrede in deze lagere wereld, doodde de vijandschap, die de zonde veroorzaakt had tussen God en den mens, en herstelde een vredige gemeenschap. Als God vrede met ons heeft, vloeit alle andere vrede hieruit voort, vrede der consciëntie, vrede met de engelen, vrede tussen Jood en heiden. Vrede is hier genomen voor alle goed, al het goede, dat voortvloeit uit de menswording van Christus. Al het goede, dat wij hebben of hopen, zijn wij verschuldigd aan Gods welbehagen en, zo wij er de vertroosting en lieflijkheid van hebben, moet Hij er de eer van ontvangen. Maar geen vrede, generlei goed, moet verwacht worden, dat on bestaanbaar is met de ere Gods, en dus op generlei weg van zonde, en op geen anderen weg of wijze dan door een Middelaar. Hier werd met grote plechtigheid vrede uitgeroepen: die wil, kome en plukke er de vruchten van. Het is vrede op aarde voor "mensen van welbehagen", staat er in sommige handschriften, en anthroopois eudokias, mensen, die aan God een welbehagen hebben, bereid om met Hem verzoend te worden, of mensen voor wie God een welbehagen heeft, daar zij vaten zijn van Zijne barmhartigheid. Zie hoe welgezind de engelen zijn jegens de mensen, jegens hun welvaren en geluk, hoeveel welbehagen zij hadden in de menswording van den Zone Gods, hoewel Hij hun natuur had voorbijgezien, en behoorden wij dan niet nog veel meer welgezind jegens hen te zijn? Dit is een "getrouw woord", betuigd door een talloos heir van engelen, "en alle aanneming waardig", dat het welbehagen Gods in den mens is ere aan God in de hoogste hemelen en vrede op aarde.
V. Het bezoek der herders aan den pasgeboren Zaligmaker.
1. Zij beraadslaagden er over, vers 15. Zolang de engelen hun loflied zongen, konden zij daar slechts acht op geven, maar "toen zij van hen weggevaren waren naar den hemel" (want als engelen verschenen, zijn zij nooit lang gebleven, maar keerden terstond terug als zij hun boodschap verricht hadden), zeiden de herders tot elkaar: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem. Als geen buitengewone boodschappers van de bovenwereld meer te wachten zijn, dan moeten wij gebruik maken van de middelen, die wij hebben om ons geloof te bevestigen en onze gemeenschap met God in deze lagere wereld te onderhouden. En het is geen tekortdoen aan het getuigenis van engelen, of zelfs aan het Goddelijk getuigenis, om het bevestigd te willen verkrijgen door waarneming en ervaring. Doch merk op: Deze herders opperen geen twijfel, zij zeggen niet: "Laat ons heengaan en zien, of het al of niet zo is", neen, zij spreken met verzekerdheid: Laat ons zien het woord, dat er geschied is. Immers wat plaats was er nog over voor twijfel er aan, als de Heere het aldus aan hen bekend had gemaakt? Het woord, door de engelen gesproken, is vast geweest, en ontwijfelbaar waar.
2. Zij hebben terstond dit bezoek afgelegd, vers 16. Zij verloren geen tijd, maar kwamen met haast naar de plaats, waarheen de engelen hun waarschijnlijk meer omstandig heen gewezen hebben, dan hier vermeld wordt (gaat naar den stal van die of die herberg) en daar vonden zij Maria, en Jozef, en het kindeken liggende in de kribbe. De armoedige omstandigheden, waarin zij Christus den Heere vonden, was geen schok voor hun geloof, daar zij zelven wisten wat het is, om in zeer armoedige omstandigheden te zijn en toch een leven van lieflijke en troostrijke gemeenschap met God te leiden. Wij hebben reden om te denken, dat de herders aan Jozef en Maria het gezicht van engelen, dat zij gehad hadden, verhaald hebben, en van het lied, dat zij de engelen hoorden zingen, hetgeen hun een grote bemoediging was, veel groter dan wanneer de aanzienlijkste vrouwen der stad hun een bezoek hadden gebracht. En waarschijnlijk hebben Jozef en Maria aan de herders meegedeeld welke gezichten zij betreffende dit kindeken gehad hebben, en zo hebben zij door elkaar hun ervaringen mede te delen elkanders geloof grotelijks versterkt.
VI. De zorg, die de herders droegen om het bericht hiervan te verspreiden, vers 17.
Als zij het gezien hadden, hoewel zij in dat kind niets zagen, dat hun aanleiding gaf om te geloven, dat Hij was Christus de Heere. Maar de omstandigheden, hoe armelijk ook, overeenkomende met het teken, dat de engel hun had gegeven, waren zij volkomen overtuigd, en nu spraken zij, zoals de melaatsen, 2 Koningen 7:9.
Deze dag een dag van goede boodschap zijnde, durven wij niet zwijgen, en zo hebben zij dan alom de gehele geschiedenis bekend gemaakt van hetgeen hun was meegedeeld, zowel door de engelen, als door Jozef en Maria, betreffende dit kindeken, dat Hij was de Zaligmaker, Christus de Heere, en dat er in Hem vrede is op aarde, en dat Hij ontvangen was van den Heiligen Geest en geboren uit ene maagd. Dit verhaalden zij aan iedereen, en zij kwamen met elkaar overeen in hun getuigenis hieromtrent. En nu, als Hij in de wereld is, en de wereld Hem niet kent, dan is dit hun eigen schuld, want er is hun genoegzaam kennis gegeven van de zaak. Welken indruk heeft het gemaakt op het volk? Waarlijk: Allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders, vers 18. De herders waren eenvoudige, rondborstige, eerlijke mannen, en zij konden hen er niet van verdenken, dat zij de bedoeling hadden hen te misleiden of te bedriegen, wat zij gezegd hadden was dus waarschijnlijk waar, en indien het waar was, dan konden zij niet anders dan er zich over verwonderen, dat de Messias in een stal zou geboren worden, en niet in een paleis, dat engelen er de tijding van brachten aan arme herders, en niet aan de overpriesters. Zij verwonderden zich, maar hebben geen verdere navraag gedaan naar den Zaligmaker, naar hun plicht jegens Hem, of de zegeningen en voorrechten door Hem te verkrijgen, maar zij lieten verder de zaak rusten als een wonder van een dag. O hoe verbazingwekkend was de stompzinnigheid der mensen uit dien tijd! Met recht werden de dingen, die tot hun vrede dienden, voor hun ogen verborgen, daar zij er zo moedwillig de ogen voor sloten.
VII. Het gebruik, dat van die dingen gemaakt werd door hen, die ze geloofden en er den indruk van ontvingen.
1. De maagd Maria maakte ze tot het onderwerp van stille overdenking. Zij zei weinig, maar bewaarde al deze woorden, overleggende die in haar hart, vers 19. Zij voegde de getuigenissen bij elkaar en bewaarde ze, om ze te vergelijken met de ontdekkingen, die haar later gedaan zouden worden. Gelijk zij het stil aan God had overgelaten om hare eerbaarheid te doen blijken, toen die verdacht werd, zo laat zij het ook stil aan Hem over, om hare eer bekend te maken, nu die nog omsluierd is, en het is haar voldoening genoeg te bevinden dat, zo niemand anders achtslaat op de geboorte van haar kind, engelen dit wèl doen. De waarheden van Christus zijn het waard om bewaard te worden, en het middel om ze te bewaren is: ze te overdenken. Bepeinzing is de beste hulp voor het geheugen. 2. De herders maakten ze tot het onderwerp van meer openbaren lof. Zo anderen onaandoenlijk bleven voor deze dingen, zij zelven waren dit niet, vers 20. Zij keerden wederom verheerlijkende en prijzende God over alles, samenstemmende met de engelen. Indien anderen al geen acht willen slaan op de mededeling, die zij deden, God zal de dankzegging aannemen, die zij tot Hem opzonden. Zij prezen God voor hetgeen zij gehoord hadden van een engel, en voor hetgeen zij gezien hadden: het kindeken in de kribbe, en, juist toen zij binnenkwamen, in doeken gewonden, gelijk tot hen gesproken was. Zij dankten God, dat zij Christus gezien hadden, al was het ook in de diepte Zijner vernedering. Gelijk later het kruis van Christus, is nu Zijne kribbe voor sommigen een dwaasheid en een ergernis geworden, maar anderen hebben er de kracht Gods en de wijsheid Gods in gezien en bewonderd.