Numeri 16:35-40
Wij moeten nu terugzien naar de deur van de tabernakel, waar wij hen lieten, die naar het priesterambt stonden, met hun wierookvaten in de hand, gereed om reukwerk te offeren, en hier bevinden wij:
I. Dat wraak aan hen geoefend is, vers 35. Het is waarschijnlijk dat toen de aarde zich opende in het leger om Dathan en Abiram te verslinden, een vuur uitging van de Heere en de twee honderd en vijftig mannen verteerde, die reukwerk offerden, terwijl Aaron, die bij hen stond, in het leven gespaard bleef. Deze straf was wel niet iets nieuws, zoals de vorige, want Nadab en Abihu zijn aldus gestorven, maar zij was niet minder vreemd of schrikkelijk, en het bleek:
1. Dat onze God een verterend vuur is. Is de donder een aanduiding van de verschrikking van Zijn stem? De bliksem is het teken van de macht van Zijn hand. Wij hebben er de hitte van het vuur in te zien, dat de tegenstanders zal verslinden, en er uit af te leiden hoe vreeslijk het is, "in de handen van de levende God te vallen." Hebreeën 10:27-31.
2. Dat het zeer gevaarlijk voor ons is, als wij ons mengen in hetgeen ons niet toekomt. God ijvert voor de eer van Zijn eigen inzettingen, en wil ze niet overweldigd zien. Hoogstwaarschijnlijk is Korach zelf met deze twee honderd en vijftig, die zich vermeten hebben reukwerk te willen offeren, verteerd geworden, want het was het priesterschap, dat hij beoogde, en daarom hebben wij reden te geloven, dat hij zijn post aan de deur van de tabernakel niet verlaten heeft. Maar zie, zij, die zich vleiden met de hoop van priesters te zijn, worden tot offers gemaakt van de gerechtigheid Gods. Waren zij tevreden geweest met hun ambt als Levieten, dat heilig en eervol was, en beter dan zij verdienden, dan zouden zij in vreugde en ere hebben kunnen leven en sterven, maar evenals de engelen, die gezondigd hebben, hun beginsel verlatende, en strevende naar een eer, die voor hen niet bestemd was, werden zij neergeworpen in hades, hun wierookvaten uit hun handen geslagen, en de adem hun ontnomen door een branding, die een voorbeeld was van de straf van het eeuwige vuur.
II. Er wordt zorg gedragen om de herinnering aan deze wraak te bewaren. Er wordt geen melding van gemaakt, dat hun dode lichamen opgenomen werden, de Schrift laat deze als mest op de oppervlakte van de aarde, maar er worden orders gegeven ten opzichte van de reukvaten.
1. Dat zij, omdat zij heilig zijn, bewaard moeten blijven, hiermede wordt Eleazar belast, vers 37. Deze overweldigers van het priesterambt waren onder de toelating Gods zover gegaan, dat zij hun reukwerk aangestoken hebben met vuur van het altaar, dat hun bij wijze van proefneming, toegelaten was te gebruiken, maar niet zodra hadden zij hun vuur ontstoken, of God ontstak een ander vuur, dat hun aanspraken voor goed tot een ongelukkig einde bracht. Nu wordt Eleazar bevolen het vuur ver weg te strooien, met het reukwerk, dat er mee aangestoken was, in de een of andere onreine plaats buiten het leger, om Gods verfoeiing aan te duiden van hun offer als iets onreine: het offer van de goddeloze is de Heere een gruwel. Maar hij moet de wierookvaten uit de gemengde brand, Gods vuur en het hunne, opnemen, omdat zij heilig zijn. Eens tot een heilig gebruik aangewend zijnde, en dat wel op Gods bevel, (hoewel slechts als proefneming) moeten zij niet weer tot gewoon gebruik aangewend worden, zoals sommigen dit verstaan. Maar zij waren veeleer verbannen, een anathema, en daarom moeten zij, evenals al het verbannene, op de een of andere wijze dienstbaar worden gemaakt aan de heerlijkheid Gods. 2. Dat zij gebruikt moeten worden tot de dienst van het heiligdom, niet als wierookvaten, dat zou veeleer een eer geweest zijn voor de overweldigers, wier schande bedoeld werd, ook waren er geen koperen wierookvaten nodig, het gouden altaar werd met gouden wierookvaten bediend, maar zij moesten tot grote platen geslagen, of uitgerekt, worden, om er het koperen altaar mee te overtrekken, vers 38-40. Deze eerzuchtigen dachten het altaar verdorven te hebben, door het priesterschap weer gemeen te maken, maar om te tonen dat, wel verre dat Aarons ambt verzwakt was door hun machteloze boosaardigheid, het er veeleer door was bevestigd, werden hun wierookvaten, gebruikt in mededinging van het zijne, nu aangewend tot versiering en bewaring van het altaar, waaraan hij diende. Maar dit was nog niet alles, dit overtreksel van het altaar moet dienen ter gedachtenis voor de kinderen Israëls in hun geslachten, van deze grote gebeurtenis. Hoewel zij zo verbazingwekkend was, en hoewel Mozes haar vermelden moest in zijn geschiedenis, was er toch gevaar, dat zij na verloop van tijd in vergetelheid zou geraken, indrukken, die diep schijnen, zijn niet altijd duurzaam, daarom was het nodig deze gedachtenis van het oordeel te verordineren, opdat de Levieten, die dit altaar bedienden en zich de mindere diensten er van zagen aangewezen, zouden leren zich binnen de hun gestelde grenzen te houden, en bevreesd zouden zijn, om ze te overschrijden, opdat zij niet worden als Korach en zijn vergadering, die Levieten waren en priesters wilden zijn. Deze wierookvaten werden bewaard "in terrorem "- opdat anderen zullen horen en vrezen en niet meer trotselijk zullen handelen. Aldus heeft God er in voorzien, dat Zijn wonderen van genade, zowel als van oordeel, in eeuwige gedachtenis zijn, opdat aan het doel er van worde beantwoord, en opdat zij mogen dienen tot lering en waarschuwing van hen, waarop de einden van de eeuwen gekomen zijn.