Numeri 14:5-10
De vrienden Israëls treden hier tussenbeiden om hen, zo het mogelijk is, er voor te behoeden van zich in het verderf te storten, maar tevergeefs. De geneesmeesters van hun kwaal zouden hen genezen hebben, maar zij wilden niet genezen zijn, hun wachters hebben hen gewaarschuwd, maar zij wilden de waarschuwing niet ontvangen, en zo is dan hun bloed op hun hoofd.
I. De beste pogingen werden aangewend om het oproer te stillen, en indien zij nu eindelijk hadden geweten wat tot hun vrede diende, dan zou al het nu volgende kwaad voorkomen zijn.
1. Mozes en Aäron deden wat zij konden, vers 5. Hoewel het tegen hen was dat het volk murmureerde, vers 2, hebben zij toch kloekmoedig de belediging voorbijgezien, en betoonden zij zich trouwe vrienden van hen, die hun verwoede vijandschap betoonden. Het rumoer en getier van het volk waren zo groot, dat Mozes en Aäron niet gehoord konden worden, al zouden zij hun dienaren bevolen hebben om stilte te gebieden, de vertoornde menigte zou er wellicht nog rumoeriger door geworden zijn, en daarom zijn zij, ten einde gehoor te erlangen, voor de ogen van de gehele vergadering op hun aangezichten gevallen, waarmee zij te kennen gaven:
a. Hun ootmoedig gebed tot God om het bruisen van deze zee te stillen, het bruisen van haar golven, het rumoer van het volk.
b. De grote ontroering van hun eigen hart, zij vielen neer als mensen, die verbaasd en verschrikt, als van de donder getroffen zijn, verbaasd om te zien hoe het volk zijn eigen zegeningen wegsmeet, diegenen in zo slechte gemoedsstemming te zien, die zo wèl onderwezen waren. En:
c. Hun dringend aanhouden bij het volk, om hun murmureren toch te doen ophouden. Zij hoopten een uitwerking ten goede bij hen teweeg te brengen door deze ootmoedige houding, bij hen te overmogen om toch niet te volharden in hun rebellie. Mozes en Aäron smeekten hen om zich met God te laten verzoenen. Wat zij tot hen zeiden, deelt Mozes ons mee in zijn herhaling van deze geschiedenis, Deuteronomium 1:29, 30. "Verschrikt niet en vreest niet voor hen: de Heere," "uw God, die voor uw aangezicht wandelt, die zal voor u strijden." Zij, die oprechte, ijverige vrienden zijn van kostelijke zielen, zullen zich elke vernedering getroosten, als zij strekken kan tot haar behoudenis. Niettegenstaande de hoge plaats, die Mozes en Aäron innamen, vallen zij met het aangezicht ter aarde voor het volk om hen te smeken zich niet in het verderf te storten.
2. Kaleb en Jozua deden wat zij konden. Zij scheurden hun klederen in heilige verontwaardiging tegen de zonde van het volk, en een heilige vreze voor de toorn Gods, die zij gereed zagen tegen hen ontstoken te worden. Het was zoveel te meer verdriet voor deze Godvruchtige mannen, dat dit oproer verwekt was door de verspieders, met wie zij voor deze opdracht verenigd waren, en daarom achtten zij zich verplicht om te doen wat zij konden om de storm te stillen, die hun medegenoten hadden verwekt. Geen redenering kon gepaster en aandoenlijker zijn dan die van hun hier, vers 7-9, en zij spraken met gezag.
A. Zij verzekerden hun dat het land goed was, dat zij onderzocht hebben, en dat het waard was om er voor te strijden, niet een land, dat zijn inwoners verteert, zoals de boze verspieders het hadden voorgesteld. Het is een uitermate goed land, het is zeer, zeer goed luidt het oorspronkelijke, zodat zij geen reden hadden, het gewenste land te versmaden. Indien de mensen slechts ten volle overtuigd waren van het begerenswaardige gewin van de Godsdienst, dan zouden zij niet aarzelen om er ook de dienst van op zich te nemen.
B. De moeilijkheden, die er voor hen in de weg lagen, om er bezit van te nemen, achtten zij gering, telden zij niet. "Vreest gij niet het volk van dit land, vers 9. Hoe geducht men ze u ook heeft voorgesteld de leeuw is niet zo woest en wreed als hij wordt afgeschilderd, zij zijn ons brood, dat is: zij zijn voor ons gezet veeleer om ons met hen te voeden dan om met hen te vechten, zo gemakkelijk en met zoveel voordeel voor onszelf zullen wij hen tenonder brengen." Van Farao wordt gezegd dat hij hun tot spijze gegeven is Psalm 74:i4, en dit zullen de Kanaänieten ook voor hen zijn. Zij tonen aan dat het voordeel duidelijk aan Israëls zijde is, hoe men hun ook het tegendeel daarvan gezegd moge hebben. Want:
a. Hoewel de Kanaänieten in versterkte steden wonen, toch zijn zij open en bloot, want hun schaduw, dat is: hun bescherming, is van hen geweken, de gewone voorzienigheid, die de rechten van de volken bewaart, heeft hen verlaten, en zal hun geen beschutting of bescherming zijn. De andere verspieders hebben nota genomen van hun kracht maar deze van hun goddeloosheid, en daaruit leidden zij af, dat God hen heeft verlaten, en daarom is hun schaduw van hen geweken. Geen volk kan veilig wezen, als het God er toe gebracht heeft om hen te verlaten.
b. Hoewel Israël in tenten woont, zijn zij toch wel versterkt. De Heere is met ons, en zijn naam is een sterke toren, vreest hen niet! Zolang God met ons is, behoeven wij de sterkste macht niet te vrezen, die tegen ons is.
C. Zij toonden hun duidelijk dat al het gevaar voor hen lag in hun ontevredenheid, en dat zij al hun vijanden zullen overwinnen en tenonder brengen, zo zij slechts God niet tot hun vijand maken. Daarvan alleen hangt de gehele zaak af, vers 8. Indien de Heere een welgevallen aan ons heeft, en voorzeker heeft Hij dit, en zal Hij dit hebben, zo wij Hem niet tot toorn verwekken, zo zal Hij ons in dat land brengen, door Zijn gunst zullen wij gewis in het bezit er van komen, door Zijn gunst en het licht van Zijn aangezicht, Psalm 44:4, indien wij Zijn gunst niet verbeuren en door onze eigen dwaasheden onze zegeningen van ons wenden. Tot dit punt is het gekomen: vers 9, alleen zijt tegen de Heere niet weerspannig. Niets dan hun eigen rebellie brengt de zondaren ten verderve. Als God hen verlaat, dan is het omdat zij Hem van hen wegdrijven, zij sterven omdat zij willen sterven. Niemand wordt van het hemelse Kanaän buitengesloten, dan zij, die zichzelf er van buitensluiten. En kon de zaak duidelijker voorgesteld worden? Kon zij hun sterker aan het hart worden gelegd? En wat was de uitwerking?
II. Het was alles tevergeefs. Zij waren doof voor deze zo duidelijke redenering, ja zij werden er door verbitterd, en werden nog meer beledigend en gewelddadig, vers 10. De gehele vergadering zei dat men hen met stenen stenigen zou. De oversten van de vergadering en de aanzienlijken (denkt bisschop Patrick) bevalen het gewone volk op hen aan te vallen, hun de hersenen in te slaan. Zeer treurig voorwaar, was hun toestand, nu hun leidslieden hen aldus verleidden. Het is iets geheel gewoons dat zij, wier hart vol is om kwaad te doen, in woede ontstoken worden tegen hen, die hun goeden raad geven. Zij, die het haten om verbeterd te worden, haten hen, die trachten hen te verbeteren, omdat zij hun de waarheid zeggen. Zo vroeg reeds is Israël begonnen de profeten te mishandelen, en te stenigen die tot hen gezonden zijn, en dit was het, dat de mate van hun zonde vervuld heeft Mattheus 23:37. "Hen met stenen te" "stenigen." Maar welk kwaad hebben zij dan gedaan? Geen misdaad kan hun ten laste gelegd worden, maar de waarheid is dat deze twee getuigen hen gepijnigd hebben, die hardnekkig waren in hun ongeloof, Openbaring 11:10.
Kaleb en Jozua hadden zoëven gezegd: De Heere is met ons, vreest hen niet, vers 9, en zo zij deze bemoedigende woorden niet willen toepassen op hun eigen vrees, dan zullen zij, die ze uitgesproken hebben, er zichzelf mee bemoedigen tegen deze verwoede menigte, die sprak van hen te stenigen, zoals David in een soortgelijk geval gedaan heeft, 1 Samuël 30:6. Zij, die niet overmogen om anderen met hun raad en vertroosting te stichten moeten pogen om tenminste zichzelf te stichten. Kaleb en Jozua wisten dat zij opkwamen voor God en Zijn eer, en daarom twijfelden zij niet, of God zou opkomen voor hen en hun veiligheid. En zij werden niet teleurgesteld want onmiddellijk verscheen de heerlijkheid des Heeren tot verschrikking en beschaming van hen, die er voor waren om de dienstknechten Gods te stenigen. Toen zij zich zo ongunstig uitlieten over God, vers 3, is Zijn heerlijkheid niet verschenen om hun lasteringen tot zwijgen te brengen, maar toen zij Kaleb en Jozua dreigden, hebben zij Zijn oogappel aangeraakt, en toen is onmiddellijk Zijn heerlijkheid verschenen. Zij die zich in getrouwheid aan God blootstellen aan gevaar zijn er zeker van onder Zijn bijzondere bescherming te worden genomen, en zij zullen tegen de woede van de mensen worden verborgen, hetzij onder de hemel of in de hemel.