Numeri 14:1-4
Hier zien wij welk kwaad de boze verspieders door hun oneerlijke voorstelling van de zaken hebben teweeggebracht. Wij kunnen veronderstellen dat deze twaalf mannen, die gezonden waren om een onderzoek in te stellen inzake Kanaän, de zaak onder elkaar hadden besproken, eer zij hun rapport in het openbaar hebben uitgebracht. Kaleb en Jozua hebben waarschijnlijk het uiterste gedaan om de anderen tot hun gevoelen over te halen, en indien zij slechts overeen hadden kunnen komen om Kaleb als hun woordvoerder te laten optreden, hetgeen hem, naar de plaats die hij innam, toekwam dan zou alles nog wel geweest zijn, maar de boze verspieders schijnen uit zuiveren tegenstand tegen Mozes en Aäron die muiterij moedwillig beraamd te hebben, hoewel zij er voor zichzelf geen voordeel van konden behalen tenzij dan dat zij hoopten tot aanvoerders gekozen te worden in de terugtocht naar Egypte, die zij nu in de zin kregen. Maar wat was er het einde van? Hen, die zij zochten te believen, zien wij in deze verzen in de uiterste kwelling en onrust, en voor het einde van het hoofdstuk zijn zij ten verderve gebracht.
Merk op:
I. Hoe het volk zich verbitterde en kwelde. Zij hieven hun stem op en weenden, vers 1, meer geloof schenkende aan het rapport van de verspieders dan aan het woord van God, en zich inbeeldende dat hun toestand wanhopig was. Zij vierden de teugel aan hun hartstochten, en wisten zich niet in bedwang te houden. Als dwaze, ondeugende kinderen begonnen zij te wenen zonder te weten waarom. En alsof reeds alles verloren was, zaten zij neer en bleven de gehele nacht wenen. Ongeloof of wantrouwen in God is een zonde die zichzelve straft. De treurenden van de wereld zijn talrijker dan de treurenden Gods, en de droefheid van de wereld werkt de dood.
II. Hoe zij hun regeerders beledigden en trotseerden, zij murmureerden tegen Mozes en tegen Aäron, en in hen smaadden zij de Heere, vers 2, 3. De vergadering van de oudsten begon de ontevredenheid, vers 1, maar weldra verspreidde zij zich door het gehele leger, want al de kinderen Israëls murmureerden. Nijd en ontevredenheid verspreidden zich als een lopend vuur onder de onnadenkende menigte, aan wie gemakkelijk geleerd wordt "de heerschappij te verwerpen en de heerschappij te lasteren," Judas: 8.
1. Zij zien terug met een ontevredenheid zonder oorzaak. Zij wensen in Egypte te zijn gestorven met de eerstgeborenen, die aldaar gedood werden, of in de woestijn met hen, die kort tevoren gedood waren door de plaag, die wegens hun lusten over hen gekomen was. Zie de waanzin van onbeteugelde hartstochten, waardoor de mensen roekeloos wegwerpen zelfs datgene wat de natuur het dierbaarst en kostelijkst acht, namelijk het leven. Nooit waren zoveel maanden zo aangenaam doorgebracht, als die welke zij hadden doorgebracht sedert zij uit Egypte waren gekomen, beladen met eer, omringd door weldaden en gunstbewijzen, voortdurend onderhouden met het een of ander dat verrassend en verwonderlijk was, en toch, alsof hun dit alles niet van de moeite waard was om voor te leven, wensen zij in Egypte te zijn gestorven. En de ontzettende oordelen, die God over hun naburen bracht vanwege hun zonde achtten zij zó gering, dat zij wensen gedeeld te hebben in hun plagen, liever dan een aanval te moeten wagen op Kanaän. Zij wensen liever als misdadigere te sterven onder Gods gerechtigheid, dan als overwinnaars te leven in Zijn gunst. Zij wensen te sterven uit vrees van te zullen sterven, en hebben geen verstand genoeg om te redeneren zoals de arme melaatsen, die, liever dan op staande voet te sterven, zich in het leger des vijands waagden, "indien zij ons doden, wij zullen maar sterven, 2" Kronieken 7:4. Hoe laag was het karakter van deze ontaarde Israëlieten die liever dan als krijgslieden te sterven op het veld van eer (indien het dan op zijn ergst kwam) met het zwaard in de vuist, begeren te sterven als schurftige schapen in de woestijn.
2. Zij zien voorwaarts met wanhoop zonder oorzaak, het beschouwende als vaststaande, dat zij, zo zij voorwaarts gaan, allen door het zwaard zullen sterven, en zij wenden voor, dat de oorzaak van hun grote vrees lag in hun bezorgdheid voor hun vrouwen en kinderen, die oordelen zij, de Kanaänieten ten prooi zullen worden. En hiermede werpen zij goddelooslijk een blaam op God zelf, alsof Hij hen herwaarts had gebracht met het doel om hen door het zwaard te laten vallen, en hun arme onschuldige vrouwen en kinderen ten roof te laten worden. Zo beschuldigden zij dan inderdaad God, die liefde is, van de snoodste boosaardigheid, en de eeuwige waarheid van de laagste huichelarij, te kennen gevende dat al de vriendelijke dingen, die Hij tot hen gezegd en voor hen gedaan heeft totnutoe slechts bedoeld waren om hen in een valstrik te lokken, en om het geheime voornemen te bedekken van hen allen in het verderf te storten. Vermetele onbeschaamdheid! Maar wat zal die tong niet tegen de hemel spreken, die met een hels vuur is ontstoken? De duivel behoudt zijn invloed op het hart van de mensen door hun slechte gedachten nopens God in te blazen, alsof Hij lust had in de dood van de zondaren, en zich verlustigde in het lijden en de ontberingen van Zijn eigen dienstknechten, terwijl hij weet (hetzij wij het weten of niet) dat de gedachten, die Hij over ons denkt, "gedachten zijn des vredes," "en niet des kwaads," Jeremia 29:11.
III. Hoe zij eindelijk tot het wanhopig besluit kwamen om, inplaats van voorwaarts te gaan naar Kanaän, terug te gaan naar Egypte. Het voorstel daartoe wordt eerst slechts vragenderwijs gedaan, vers 3. Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weer te keren? Maar de gisting sterk zijnde, en het volk geneigd om gretig te luisteren naar alles wat verkeerd was rijpte het spoedig tot een besluit, en dat wel zonder verdere bespreking of beraadslaging, vers 4. Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren naar Egypte, en lang daarna werd het betreurd, Nehemia 9:17, dat zij "in hun" "weerspannigheid een hoofd gesteld hebben om weer te keren tot hun" "dienstbaarheid," want zij wisten dat Mozes voor die terugtocht hun aanvoerder niet zou willen zijn.
1. Nu was het de grootste dwaasheid van de wereld om zich in Egypte terug te wensen, of te denken dat zij, indien zij daar waren, in betere toestand zouden zijn. Als zij niet voorwaarts durfden gaan naar Kanaän, dan was het toch nog beter te blijven waar zij waren, dan naar Egypte terug te keren. Wat ontbrak hun? Waarover hadden zij te klagen? Zij hadden overvloed, genoten vrede en rust, waren onder een goede regering, hadden goed gezelschap, de tekenen van Gods tegenwoordigheid onder hen, genoeg om hun, zelfs in de woestijn, een aangenaam leven te bezorgen, als zij slechts een hart hadden, dat tevreden en vergenoegd kon zijn. Maar waarheen was het, dat zij nu zo gaarne wilden heengaan om in betere toestand te komen? Naar Egypte! Hadden zij zó spoedig de harde dienstbaarheid vergeten, waaronder zij zich daar hebben bevonden? Wilden zij opnieuw onder de tirannie komen van hun aandrijvers, en tot hun slavenwerk van tichelstenen te maken terugkeren? En konden zij, na al de plagen waaronder Egypte om hunnentwil had geleden een betere behandeling verwachten, dan zij er vroeger ondervonden hebben, niet veeleer nog erger? In hoe weinig tijds (nog geen anderhalf jaar) hadden zij al het zuchten en kermen van hun dienstbaarheid vergeten, en al de hymnen van hun bevrijding! Als redeloze dieren bekommeren zij zich alleen om het tegenwoordige, en hun heugenis wordt, met andere gaven en krachten van het verstand, opgeofferd aan hun hartstochten. Zie Psalm 106:7. In Deuter. 28:68 worden zij gedreigd, dat zij tot voltooiing van hun ellende weer naar Egypte teruggebracht zullen worden, en toch is dit nu wat zij wensen. Zondaren zijn vijanden van zichzelf, en zij, die niet wandelen naar Gods raad, gaan met hun eigen verderf en ondergang te rade.
2. Het was onzinnig en bespottelijk om van een derwaarts terugkeren door de woestijn te spreken. Konden zij verwachten dat de wolk Gods hun de weg zou wijzen of dat Zijn manna hen zou blijven spijzigen? En zo neen dan moesten de duizenden Israëls onvermijdelijk verdwalen en omkomen in de woestijn. Gesteld eens dat de moeilijkheden om Kanaän te veroveren zo groot waren, als zij zich die voorstelden, dan waren toch de moeilijkheden om weer te keren naar Egypte nog veel groter. Laat ons hierin zien:
a. De dwaasheid van ongeduld en ontevredenheid onder de kruisen van onze uitwendige toestand. Wij klagen over hetgeen is, over onze plaats en ons lot, en wij wensen te veranderen van toestand, maar is er in deze wereld een plaats een toestand, waaraan geen bezwaren en moeilijkheden zijn verbonden, als wij zo geheel geneigd zijn bezwaren en moeilijkheden te zien? Het middel om onze toestand te verbeteren is, ons hart in een betere stemming te brengen en, inplaats van te vragen: "Zou het niet beter zijn om naar Egypte te gaan?" te vragen: "Zou het niet beter wezen vergenoegd te zijn, en ons voordeel te doen met hetgeen is, met hetgeen wij hebben?"
b. De dwaasheid om van Gods weg afvallig te worden. De hemel is het Kanaän, dat ons is voorgesteld, een land, vloeiende van melk en honing. Die er nog zulk een ongunstig rapport over uitbrengen, kunnen toch niet anders zeggen, dan dat het een goed land is, alleen maar, het is moeilijk er in te komen, strenge en ernstige Godsvrucht wordt beschouwd als een onuitvoerbare zaak en dit houdt velen terug, en schrikt hen af, die goed begonnen waren, liever dan de denkbeeldige moeilijkheden te ondergaan, verbonden aan een Godsdienstig leven, gaan zij de noodlottige gevolgen tegemoet van een zondige weg, en aldus herhalen zij de dwaasheden van Israël, die, toen zij nog een stap van Kanaän waren, een hoofd wilden aanstellen, om naar Egypte terug te keren.